Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning uit 1971 en twee garageboxen. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van deze onroerende zaken voor het jaar 2022 vast, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag betwist belanghebbende de vastgestelde waarden en stelt dat de heffingsambtenaar niet alle relevante stukken heeft overgelegd.
Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning en garageboxen op een juiste wijze heeft vastgesteld met behulp van een systematische vergelijkingsmethode met marktgegevens van vergelijkbare objecten. De verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn voldoende toegelicht en verwerkt. De stellingen van belanghebbende over een te hoge waardering vanwege ligging en onderhoudsstaat worden niet gevolgd, mede vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing.
Voorts is geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet verplicht was om bouwtekeningen en volledige iWOZ-rapporten van vergelijkingsobjecten te overleggen, aangezien deze niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. De waarde van de woning en garageboxen is daarmee niet te hoog vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.