Deze zaak betreft een geschil over de teruggeleiding van drie minderjarigen vanuit Nederland naar België, waarbij de moeder in hoger beroep verzet aantekent tegen de terugkeer op grond van weigeringsgronden uit het Haagse Verdrag.
De rechtbank had de terugkeer gelast omdat de achterhouding van de kinderen in Nederland als ongeoorloofd werd aangemerkt. De moeder voerde onder meer verzet van de kinderen, risico op ondragelijke toestand en schending van mensenrechten aan. Het hof heeft de kindgesprekken, adviezen van de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming meegewogen.
Het hof oordeelt dat twee van de minderjarigen (jongere kinderen) niet rijp genoeg zijn om hun mening te laten meewegen. De oudste minderjarige heeft wel een duidelijke mening, maar deze wordt gezien als het gevolg van een ernstig loyaliteitsconflict en niet als authentiek verzet. De weigeringsgronden worden niet aangenomen omdat onvoldoende is gebleken van een ernstig risico op ondragelijke toestand of schending van mensenrechten.
Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en gelast de terugkeer uiterlijk 19 mei 2025. De bijzondere curator wordt ontslagen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.