3.1De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.2 t/m 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
a. Stichting Smart Limburg (hierna: de Stichting) is een onderwijsstichting, die onder zich heeft de Islamitische basisschool El Habib in Maastricht (hierna: de basisschool).
[appellante] is per 1 augustus 2012 in dienst getreden bij de Stichting. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van bezoldigd bestuurder DB op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar laatstgenoten loon bedroeg € 6.308,- bruto per maand voor een voltijds dienstverband. Haar jaarloon bedroeg inclusief vakantiegeld en dertiende maand € 86.520,53. Zij gold hiermee als topfunctionaris in de zin van de Wet normering bezoldiging publieke en semi publieke sector (WNT).
Bij e-mail van 11 juli 2019 heeft [appellante] zich ziek gemeld bij het algemeen bestuur. Zij schreef:
“(…) Zoals julie weten heb ik de afgelopen 4 jaar onder hoge spanning gewerkt. Zelfs in mijn vakanties wat nu ook weer het geval is geweest. Al het structurele overwerk en 60 urige werkweek heeft mij zowel lichamelijk als psychisch opgebroken.
Ik zal hier een arts raadplegen omdat mijn lichaam uitvalsverschijnselen vertoont. Hierover zijn jullie reeds eerder ook mondeling geïnformeerd. Zodra ik in Nederland zal ik me melden bij de arboarts.
Voor nu meld ik me officieel ziek.”
[appellante] is in een ernstig conflict geraakt met de directeur van de basisschool. Zij vond dat het algemeen bestuur van de Stichting haar toezichthoudende taak niet naar behoren vervulde. Zij heeft het bestuur hiervan bij brief van 19 augustus 2019 op de hoogte gebracht.
Op 26 augustus 2019 heeft de Stichting [appellante] geïnformeerd dat zij het voornemen had haar met onmiddellijke ingang te ontslaan.
[appellante] heeft zich in verband hiermee tot [geïntimeerden] gewend met het verzoek haar bij te staan. [advocaat 1] van [geïntimeerden] heeft haar zaak in behandeling genomen.
Bij e-mail van 27 augustus 2019 schreef [advocaat 1] aan [appellante]:
“Hierbij de brief die ik voorstel, als reactie op de brief van 26 augustus 2019, van de wederpartij.
Ik heb zojuist ook met de PO-Raad overleg gevoerd. Zij gaan kijken of de Inspectie bereid is - met spoed - een incidenteel onderzoek te beginnen. (…)
Door de spoed van jouw zaak, ben ik nog niet toegekomen aan het beschrijven van ons dienstverleningstarief.
De kosten van onze inzet bedragen (…)”
Bij e-mail van 3 september 2019 - na een overleg met [appellante] op zijn kantoor - schreef [advocaat 1] aan [advocaat 2], de advocaat van de Stichting (verder: [advocaat 2])
“(…)
Ik heb aangegeven dat cliënte moet kiezen uit 2 opties: Of een kort geding starten om het ontslag, zoals opgenomen in de brief van 30 augustus, aan te vechten. Of met uw cliënte tot een minnelijke regeling komen. Principieel zal zij kiezen voor het eerste. Ik heb aangegeven dat cliënte, met het oog op haar
gezondheid, echter een voorkeur heeft voor de tweede optie. U gaf aan dat ook uw cliënte hier de voorkeur aan geeft.
Om deze reden geef ik hieronder aan hoe een dergelijke regeling er volgens cliënte uit zou moeten zien.
(…)
- Cliënte is ziek op dit moment en krijgt van uw cliënte de normale re-integratie begeleiding daarbij. Dat betekent bedrijfsgezondheidskundige begeleiding en 100% loon doorbetaling gedurende het eerste ziektejaar;
- Indien volgens de bedrijfsarts cliënte in het tweede ziektejaar nog niet hersteld is en beëindiging derhalve niet mogelijk is, zal het loon op een hoogte van 70% doorbetaald worden;
- Cliënte zal worden vrijgesteld van al haar taken en verantwoordelijkheden en zal op geen enkele manier meer contact of bemoeienis hebben met de school. Het AB zal haar als BD volledige decharge verlenen;
- Zodra cliënte hersteld is zullen partijen zo spoedig mogelijk een tweede vaststellingsovereenkomst sluiten ter beëindiging van het dienstverband, doch in ieder geval zal dit geschieden na 104 weken ziekte;
- (…);
- Na herstel van cliënte zal ter beëindiging van het dienstverband - met in acht neming van de opzegtermijn uit de CAO PO - een vaststellingsovereenkomst worden gesloten, waarin dan de volgende punten worden opgenomen:
- Cliënte ontvangt - uitgaande van de dan vast gestelde einddatum - een transitievergoeding conform de wettelijke formule;
- Cliënte ontvangt een vergoeding overeenkomende met het bruto salaris over de periode van tweemaal bevallings- en zwangerschapsverlof aangezien zij dat destijds niet heeft genoten;
- Cliënte ontvangt een positief getuigschrift en goede referenties, wanneer zij gaat solliciteren;
- Partijen maken een reguliere eindafrekening op;
- Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting en maken dus om geen enkele reden nog aanspraak op schadevergoeding o.i.d..
(…)
Ik verneem graag z.s.m. van u.”
i. [advocaat 2] reageerde bij e-mail van 6 september 2019 als volgt:
“(…)
Het bestuurderschap en het dienstverband van mevrouw [appellante] zijn beëindigd per 29.08.2019. Het ontslag van uw cliënt houdt geen verband met een ziekte van uw cliënt. Het vertrouwen in uw cliënt is onherstelbaar beschadigd.
Zij heeft zelfs u onjuist ingelicht over haar solactie om drie van de vier AB leden belast met het toezicht op uw cliënt uit te schrijven bij de KvK. (…) De 2000 emails die zij tijdens haar “ziekte” heeft verwijderd (…) zijn inmiddels hersteld en het AB is verder geschokt over de verdere bevindingen van (financieel) wangedrag, die cliënten des te meer sterken en nopen om verdere stappen jegens uw cliënt te entameren.
(…)
Uw voorstel kunnen cliënten niet accepteren, al is het maar omdat cliënten gebonden zijn aan het bepaalde in de Wet Normering Topinkomens (WNT), zoals uw cliënt dat behoort te weten.
Een ontslagvergoeding (inclusief opzegtermijn en andere emolumenten) kunnen op basis van de WNT niet meer bedragen dan Euro 75.000,- bruto. Daarnaast zou uw cliënt aanspraak kunnen maken op een transitievergoeding en een nabetaling voor een zwangerschapsverlof (voor zover ze daar recht op heeft).
In het geval uw cliënt bereid is om een vaststellingsovereenkomst te tekenen met daarin onder meer een mediaverbod, een geheimhoudingsverklaring en een verbod om zich negatief over(de basisschool en de Stichting, hof)
uit te laten, onder last van een dwangsom, zouden cliënten een regeling in overweging kunnen nemen.
Binnen de grenzen van de WNT stelt cliënt voor om aan uw cliënt te betalen een alles inclusief bedrag van Euro 100.000,-- bruto (in één keer).
Herstel van de arbeidsrelatie is niet aan de orde, behoudens op kunstmatige wijze door (en met als enige doel om) de vaststellingsovereenkomst UWV-proof te maken tegen de eerst mogelijke kalendermaand, doch uiterlijk tegen
01.11.2019 (binnen het budget van Euro 100.000,-- bruto en binnen de grenzen van de WNT), waarbij uw cliënt zich in dat geval hersteld dient te melden en het risico van ziekte vanaf einddatum volledig bij uw cliënt zal komen te
liggen. (…)
Dit voorstel wordt gedaan in de vorm van "take it or leave it", met de nadruk op het maximum budget van Euro 100.000,- bruto en het streven om zo spoedig als mogelijk, doch uiterlijk per 01.11.2019 (binnen het genoemde budget), definitief en tegen finale kwijting over en weer; uit elkaar te gaan.
Dit voorstel is geldig gedurende 3 werkdagen (…); en zal moeten worden gegoten in de vorm van een vaststellingsovereenkomst als hierboven omschreven.
(…)”
[advocaat 1] stuurde voornoemde mail door aan [appellante] met de volgende toelichting:
“Zie hieronder de reactie van het AB.
Je moet ten eerste door de ronkende teksten heen lezen. Dan zie je een wat andere insteek, maar wel een hoge eindvergoeding die ze bieden.
Zullen we maandag telefonisch overleggen (…)”
Later voegde hij daar bij e-mail het volgende aan toe:
“[advocaat 2] belde (…).
Waar hij waarschijnlijk vooral over belde was het volgende. Hij gaf aan dat de Inspectie op 18/9 op school zal komen en dat de Inspectie dan ook met jou zou willen spreken. In de geest van de afspraken die partijen met de vaststellingsovereenkomst (vso) willen maken, vindt hij dat niet voor de hand liggen.
Ik kan me daar iets bij voorstellen; zij zoeken natuurlijk rust en kopen – zo zullen zij dat althans zeker zien – jou kritiek ook gedeeltelijk af met de vso. (…)”
Bij e-mail van 9 september 2019 schreef [advocaat 1] aan [advocaat 2]:
“(…) Namens cliënte laat ik u weten dat zij om haar moverende reden het voorstel wil accepteren op de volgende wijze:
- De einddatum wordt 1 januari 2020. Dit is noodzakelijk in verband met de opzegtermijn. Willen partijen de zaak "UWV- en Participatiefonds proof” maken dan is dat een eerste voorwaarde.
- De vaststellingsovereenkomst moet dus in september 2019 door partijen ondertekend en ook overigens inderdaad "UWV-proof” zijn. Verder wil cliënte ook meewerken om de zaak voor uw cliënte Participatiefonds proof te maken.
- Cliënte zal zich vóór 1 december 2020 hersteld melden. Zij blijft tot 1 januari 2020 vrijgesteld van werkzaamheden onder behoud van volledige bezoldiging.
- Over en weer geen negatieve uitlatingen, geheel geen contact meer tussen partijen, simpel samengevat volledige rust en radiostilte van en tussen alle betrokkenen.
- Eindvergoeding, uit te keren in januari 2020, van € 100.000,00 bruto en all-inclusive.
Graag zie ik een concept vaststellingsovereenkomst, waarin het bovenstaande is uitgewerkt, tegemoet.”
Eind september 2019 hebben [appellante] en de Stichting een vaststellingsovereenkomst getekend. Deze bevat onder meer de volgende bepalingen:
“1. Beëindiging arbeidsovereenkomst