Deze zaak betreft een internationale kinderontvoering waarbij de vader de minderjarige zonder toestemming van de moeder vanuit Egypte naar Turkije heeft overgebracht en vervolgens via Griekenland en België naar Nederland is gereisd. De moeder, woonachtig in Zweden, verzocht om teruggeleiding van het kind naar Zweden. De rechtbank Den Haag gelastte de terugkeer naar Zweden, welke beschikking door de vader in hoger beroep werd bestreden.
Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen op grond van het internationaal bevoegdheidsrecht, aangezien Egypte geen partij is bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het hof oordeelt dat de overbrenging van de minderjarige van Egypte naar Turkije ongeoorloofd was, omdat de moeder het gezag daadwerkelijk uitoefende en geen ondubbelzinnige toestemming voor de overbrenging heeft gegeven.
De vader voerde verweer met onder meer het beroep op weigeringsgronden van het Verdrag, zoals toestemming, berusting, worteling en het risico op ondragelijke toestand. Het hof verwierp deze gronden, onder meer omdat de moeder direct juridische stappen heeft ondernomen, de minderjarige niet geworteld is in Nederland en er geen bewijs is dat de terugkeer tot ondragelijke omstandigheden leidt.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en gelast de terugkeer van de minderjarige naar de moeder in Zweden uiterlijk 13 februari 2026. Tevens veroordeelt het hof de vader tot betaling van de door de moeder gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. De bijzondere curator wordt ontslagen met ingang van de datum van teruggeleiding.