ECLI:NL:GHDHA:2026:115

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
22-003257-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag en veroordeling wegens poging tot zware mishandeling met TBS

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. De verdachte, een vrouw geboren in 1983, werd beschuldigd van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling van een bejaarde vrouw tijdens het uitlaten van haar honden. De rechtbank had de verdachte in eerste aanleg ontslagen van alle rechtsvervolging, maar het hof oordeelde dat de verdachte wel degelijk de geweldshandeling had verricht. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, maar dat de verdachte wel opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had toegebracht. De verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag, maar veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. Gezien de psychische toestand van de verdachte, die lijdt aan schizofrenie en een intellectuele beperking, oordeelde het hof dat het feit de verdachte niet kon worden toegerekend. Daarom werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging, maar werd er wel TBS met dwangverpleging opgelegd. Het hof merkte op dat de afschaffing van de mogelijkheid om een minder ingrijpende maatregel op te leggen, zoals plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, een leemte heeft gecreëerd in de rechtspraktijk. De benadeelde partij, het slachtoffer, kreeg een schadevergoeding van € 550,00 toegewezen voor immateriële schade.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Rolnummer: 22-003257-24
Parketnummer: 09-109491-24
Datum uitspraak: 30 januari 2026
TEGENSPRAAK
arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft tevens gelast dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Voorts is beslist ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 29 maart 2024 te `s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft zij, verdachte, een armklem om de nek/keel van die [slachtoffer] aangelegd en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) aangetrokken en/of aangetrokken gehouden, in ieder geval haar arm om de nek van die [slachtoffer] heeft geplaatst en met die arm en met geweld de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 maart 2024 te `s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft zij, verdachte, een armklem om de nek/keel van die [slachtoffer] aangelegd en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) aangetrokken en/of aangetrokken gehouden, in ieder geval haar arm om de nek van die [slachtoffer] heeft geplaatst en met die arm en met geweld de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 maart 2024 te `s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door een armklem om de nek/keel van die [slachtoffer] aan te leggen en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) aan te trekken en/of aangetrokken te houden, in ieder geval haar arm om de nek van die [slachtoffer] heeft geplaatst en met die arm en met geweld de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat voor dat feit aan de verdachte de maatregel van tbs met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsoverweging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota - primair integrale vrijspraak bepleit nu het standpunt van de verdachte is dat de beschuldiging aan haar adres helemaal niet klopt, en subsidiair vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde nu van een poging doodslag noch van een poging zware mishandeling kan worden gesproken.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Anders dan door de verdediging bepleit, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die de geweldshandeling waarvan aangifte is gedaan heeft verricht. Uit de getuigenverklaringen, aangifte en het proces-verbaal van aanhouding volgt dat aangeefster van achter is aangevallen door een vrouw die haar arm om de nek van aangeefster heeft geplaatst en zodoende de keel van aangeefster heeft dichtgedrukt. Deze bewijsmiddelen in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen van de opsporingsambtenaren waaruit kan worden opgemaakt dat omstanders een vrouw bij de entree van een flat als dader aanwijzen, alwaar de verdachte ook is aangetroffen en ook meteen is aangehouden, staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat het de verdachte is geweest die de eerder omschreven geweldshandeling heeft verricht. Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van deze handeling – zoals door de getuigen en aangeefster beschreven – heeft de verdachte deze geweldshandeling opzettelijk verricht.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte bij deze geweldshandeling ook het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het plaatsen van een arm om de nek en met die arm de keel dichtdrukken naar algemene ervaringsregels - zonder meer - de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer met zich brengt. Of die kans er was, dient te worden beoordeeld op grond van onder andere de kracht, duur en intensiteit van het hiervoor omschreven handelen. Hoewel een exacte tijdspanne uit het dossier niet valt af te leiden, blijkt uit de verklaringen van getuigen dat omstanders al redelijk snel te hulp schoten en de verdachte van aangeefster loskregen. Voorts leidt het hof af uit de verklaring van aangeefster - dat zij tijdens de geweldhandeling schreeuwde en heel hard “help” bleef roepen - dat de kracht en intensiteit van het dichtdrukken van de keel niet dusdanig waren dat de adem van aangeefster daardoor voortdurend dan wel voor langere duur volledig werd ontnomen. Het hof is gelet daarop van oordeel dat uit het procesdossier en het verhandelde der terechtzitting de voor het voorwaardelijk opzet vereiste aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster niet zonder meer is komen vast te staan. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Het hof is evenwel voorts van oordeel dat het dichtdrukken van de keel ook in een relatief kortere tijd onder omstandigheden (al dan niet naast de dood ook) zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich onder andere de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader bevinden. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan leiden tot een (tijdelijke) belemmering van de bloedtoevoer (bloedverwurging), met naar algemene ervaringsregels ernstige risico’s. Ook kan het dichtknijpen van de keel gedurende slechts enkele seconden leiden tot een zuurstofgebrek (luchtverwurging), wat weer direct kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in de hersenen en daarmee tot hersenletsel. In dit geval heeft aangeefster ervaren dat zij van achteren met een arm in een soort houdgreep werd genomen, waarbij zij voelde dat de arm werd aangespannen, en haar keel werd dichtgedrukt. Zij voelde pijn aan haar keel en nek, probeerde te ademen, maar kreeg geen lucht meer. Bij het doen van aangifte had zij nog steeds pijn aan haar luchtpijp, waar zij een hele erge druk ervoer. De aangeefster heeft blijkens de toelichting op haar vordering tot schadevergoeding tot een week na het voorval last gehad van keelpijn, stemverlies en constante hoofdpijn. Het hof leidt uit het voorgaande af dat het dichtdrukken van de keel met kracht gebeurde en enige tijd heeft geduurd. Hier komt nog bij dat aangeefster een kwetsbare bejaarde vrouw van 80 jaar is, en de verdachte veel jonger en fysiek ook nog eens beduidend groter is dan aangeefster. Aangeefster was dan ook niet in staat om zichzelf van de verdachte los te maken. Zij werd in die situatie bovendien klemgezet tussen de verdachte en een buitenmuurtje, terwijl de verdachte haar gedurende die tijd stevig vasthield. Het hof is dan ook van oordeel dat met hetgeen hiervoor is vastgesteld wél een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer aanwezig was.
De bewezen verklaarde gedragingen zijn bovendien naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is het hof niet gebleken; integendeel, de verdachte liet haar greep om de keel van aangeefster pas los toen zij door een mannelijke omstander van het slachtoffer af werd getrokken.
De subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is daarmee naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op
of omstreeks29 maart 2024 te `s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft zij, verdachte,
een armklem om de nek/keel van die [slachtoffer] aangelegd en/of (vervolgens) die armklem (met kracht) aangetrokken en/of aangetrokken gehouden, in ieder gevalhaar arm om de nek van die [slachtoffer]
heeftgeplaatst en met die arm
en met geweldde keel van die [slachtoffer]
heeftdichtgedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte
Het hof heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte acht geslagen op de Pro-Justitia dubbelrapportage van F. Verstraeten (psychiater) en H.E.W. Koornstra (psycholoog) van 27 juni 2024.
Uit de rapportage blijkt dat er bij de verdachte sprake is van schizofrenie en een intellectuele/cognitieve beperking. Ook ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van schizofrenie en een intellectuele beperking aangezien beide chronisch zijn. De deskundigen stellen dat uit de informatie van de GGZ blijkt dat de verdachte agressief wordt als zij psychotisch is en dat zij volgens de informatie van Parnassia chronisch psychotisch is. Voorts is sprake van desorganisatie waarbij de verdachte moeite heeft orde aan te brengen in haar gedachten en handelen.
Er is eerder zwakbegaafdheid vastgesteld, maar mogelijk is sprake van een licht verstandelijke beperking. Voor verstandelijk beperkten is het moeilijker om de gevolgen van hun handelen in te zien en zij hebben in het algemeen beperktere vaardigheden om met problemen om te gaan. Tevens was er bij de verdachte vanuit haar psychose sprake van achterdocht naar mensen in haar omgeving, waarbij zij onder andere meent dat mensen in haar omgeving haar kwaad willen doen en haar willen vermoorden.
In welke mate dit plaatsvond konden de deskundigen niet aangeven, omdat de verdachte het tenlastegelegde ontkent en zij beperkt onderzoekbaar was. De deskundigen geven daarom geen advies ten aanzien van de precieze mate van toerekenen, maar stellen wel dat het feit (indien bewezen) in ieder geval verminderd kan worden toegerekend.
Het hof verenigt zich met bovenstaande conclusies en legt die mede aan zijn oordeel over de strafbaarheid van de verdachte ten grondslag. Het hof is van oordeel, dat mede gelet op bovengenoemde rapportage en hetgeen is verhandeld ter terechtzitting, bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond dat het bewezenverklaarde feit de verdachte niet kan worden toegerekend. De verdachte is derhalve ter zake van het bewezenverklaarde niet strafbaar en moet dus worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Motivering van de maatregel
Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft aangeefster, een nietsvermoedende bejaarde vrouw die haar honden uitliet, van achter aangevallen door een arm om haar nek te plaatsen en daarbij haar keel dicht te drukken. Hiermee heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en haar angst aangejaagd. Aangeefster was bang dat zij het niet zou overleven. Het incident vond bovendien op de openbare weg plaats waar op dat moment redelijk veel mensen aanwezig waren. Hierdoor worden bestaande in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid nog verder aangewakkerd.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit, te weten mishandeling.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de in deze zaak en eerder over de verdachte opgemaakte rapportages, waaronder de onderstaande. Daarvan zijn hieronder – kort en zakelijk – de bevindingen, overwegingen en conclusies weergegeven, waarop het hof met name heeft gelet.
De Pro-Justitia dubbelrapportage d.d. 27 juni 2024, opgemaakt en ondertekend door drs. F. Verstraeten (psychiater) en H.E.W. Koornstra (psycholoog).
Bovengenoemde rapportage lag ten grondslag aan de in eerste aanleg opgelegde tbs-maatregel en is inmiddels enigszins gedateerd. Er is in hoger beroep geen nieuwe dubbelrapportage opgesteld. De advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte hebben ter terechtzitting ingestemd met het gebruik van deze rapportage. Conform het bepaalde in artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan het hof derhalve gebruikmaken van de rapportage die aan de in eerste aanleg opgelegde tbs-maatregel ten grondslag ligt. Het hof zal deze mogelijkheid benutten.
Uit de rapportage volgt kort samengevat het volgende. Ten tijde van het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van haar geestesvermogens, te weten schizofrenie. Voorts is sprake van een intellectuele/cognitieve beperking. De verdachte is bekend met schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Voorts is de verdachte chronisch psychotisch. Uit het onderzoek komt naar voren dat de verdachte agressief wordt als zij psychotisch is. Daarbij meent zij onder andere dat mensen in haar omgeving haar kwaad willen doen en haar willen vermoorden. In brieven van Parnassia worden meerdere agressie-incidenten genoemd, waaronder het naar de keel grijpen van een verpleegkundige tijdens een opname en het aanvallen van ambulancepersoneel. Ook tijdens haar verblijf in het penitentiaire psychiatrisch centrum hebben agressie-incidenten plaatsgevonden, waaronder het plotseling naar de keel grijpen van een medewerker.
Het recidiverisico op geweld wordt door de deskundigen als hoog ingeschat, waarbij de chronische psychotische ontregeling en de beperkte intelligentie van de verdachte een rol spelen. Er is sprake van een geschiedenis van problemen met geweld gelet op de informatie van de politie, het strafblad van betrokkene en de informatie van de GGZ en vanuit de P.I.. Voorts zijn er weinig duidelijk beschermende factoren aanwezig.
Een belangrijke pijler in de behandeling van schizofrenie is medicamenteuze behandeling. Het is dan ook van belang dat de verdachte goed ingesteld wordt op medicatie, medicatietrouw is en dat hier directe controle op is. Daarnaast is het van belang dat er 24-uursbegeleiding is voor de verdachte. Zij heeft de afgelopen jaren duidelijk laten zien dat zij niet zelfstandig met ambulante zorg kan functioneren. Zij is chronisch psychotisch, in ieder geval zwakbegaafd en steeds in toenemende mate ontregeld als ze haar medicatie niet neemt. Zij heeft zodoende veel sturing nodig in een strak kader. Vanwege haar ziektebeeld is zij onvoorspelbaar en er is geen sprake van ziektebesef. Het is van belang dat zij een dagbesteding heeft op haar niveau waardoor zij afleiding heeft. De deskundigen adviseren daarom ook om haar functioneren in kaart te brengen en een intelligentieonderzoek te doen, zodat de behandeling beter op haar intellectuele niveau ingestoken kan worden. Zo kan ook bekeken worden of zij eventueel vanuit de benodigde klinische behandeling naar beschermd wonen kan uitstromen.
Gezien de ernst van de problematiek, de moeizame behandelbaarheid, de ernst van het
tenlastegelegde en het hoge recidiverisico hebben de deskundigen geadviseerd om een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Ook het feit dat de verdachte geen ziektebesef heeft en daardoor niet bereid is om een behandeling aan te gaan, speelt hierbij een rol. Ondanks het relatief beperkte strafblad is er duidelijk gevaar voor anderen, gezien de frequente agressieve incidenten tijdens opnames, de agressie in het penitentiair psychiatrisch centrum en in de gesprekken met de deskundigen.
Volgens de deskundigen zijn minder zware alternatieven niet passend. De verdachte heeft veelvuldig laten zien zich niet aan voorwaarden te houden, passend bij haar problematiek. Een behandeling in het kader van tbs met voorwaarden of als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel wordt zodoende niet als haalbaar geacht. Een zorgmachtiging had de verdachte reeds en een behandeling als hierboven beschreven kost veel meer tijd dan de duur van een zorgmachtiging. Daarnaast is het van belang dat er veel aandacht is voor de inschatting van het recidiverisico, waar in de reguliere GGZ doorgaans minder aandacht voor is.
Het reclasseringsadvies d.d. 12 augustus 2024, opgesteld door reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker] .
Uit het reclasseringsadvies volgt dat bij de verdachte sprake is van ernstig delictgedrag en een hoog risico op recidive. Het hoge recidiverisico en de vastgestelde complexe psychiatrische problematiek maken dat een gegarandeerde (bij aanvang klinische) behandeling door de reclassering noodzakelijk wordt geacht.
De inschatting is dat het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling onvoldoende borging biedt voor de benodigde behandeling, mede doordat dit te kortdurend zal zijn. Daarnaast bestaat dan het risico dat betrokkene bij overtreding van voorwaarden onbehandeld terugkeert in de maatschappij. De verdachte is vanwege haar ziektebeeld onvoorspelbaar en er is geen sprake van (enig) ziektebesef en/of bereidheid om mee te werken aan behandeling. Daarmee is er een gebrek aan een betrouwbare motivatie om zich langdurig te zullen conformeren aan de voorwaarden behorende bij een tbs-maatregel met voorwaarden. Al met al wordt door de reclassering dan ook vastgesteld dat de verdachte niet in staat wordt geacht om zich langdurig te (kunnen) blijven conformeren aan voorwaarden zoals behorend bij een tbs met voorwaarden, waardoor een dergelijk juridisch kader niet kan worden ondersteund door de reclassering. Om die redenen acht ook de reclassering een tbs-maatregel geïndiceerd.
De op te leggen maatregel
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat – indien het hof een behandeling nodig acht – behandeling mogelijk kan zijn in het kader van bijzondere voorwaarden, een tbs-maatregel met voorwaarden, een GVM-maatregel of een zorgmachtiging.
Het hof is van oordeel dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof onderschrijft deze bevindingen en de getrokken conclusies van de deskundigen.
Zoals uit de overwegingen en conclusies van de deskundigen blijkt, is adequate behandeling binnen het kader van bijzondere voorwaarden, een tbs-maatregel met voorwaarden of een zorgmachtiging onmogelijk gebleken, gelet op de ontbrekende motivatie zich aan voorwaarden te houden alsmede het ontbreken van enig ziektebesef. Voorts zou een behandeling binnen een zorgmachtiging meer tijd kosten dan de duur van een zorgmachtiging en is er onvoldoende aandacht voor de inschatting van het recidiverisico.
Een GVM-maatregel kan ten slotte enkel in combinatie met een tbs-maatregel of straf worden opgelegd.
Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van tbs is voldaan. Het hof komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, Sr. Daarnaast is het hof, gelet op hetgeen de deskundigen dienaangaande hebben aangegeven, van oordeel dat sprake is van een aanzienlijk gevaar voor herhaling van geweld.
Voorts wordt vastgesteld dat het bewezenverklaarde een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2º Sr.
De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. In het bijzonder gelet op het hiervoor aangehaalde deskundigenrapport, het reclasseringsadvies en het gebrek aan ziektebesef en -inzicht bij de verdachte, ziet het hof – bij gebrek aan andere strafrechtelijke modaliteiten – in redelijkheid geen andere mogelijkheid dan de oplegging van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. De oplegging van die maatregel is mede gegrond op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, het gevaar voor herhaling, de door de deskundigen beschreven problematiek van de verdachte en de volgens hen aangewezen klinische behandeling zoals verwoord in de Pro-Justitia dubbelrapportage van 27 juni 2024.
Het hof merkt ten overvloede op dat het hof zich – met de advocaat-generaal en de verdediging – er volledig in kan vinden dat de advocaat-generaal zich na het onherroepelijk worden van het arrest – gelet op de persoon van de verdachte alsmede de reeds lange duur van de door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis – bijzonder zal inspannen met het ministerie van justitie en veiligheid om de verdachte zo snel als maar enigszins mogelijk is te plaatsen in een voor haar geschikte instelling.
Niet gemaximeerde duur van de tbs
Ten slotte overweegt het hof dat de maatregel tbs met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. Dat betekent dat de duur van de maatregel niet gemaximeerd is.
Overweging ten overvloede
Het hof hecht eraan op te merken dat door het per 1 januari 2020 wegvallen van de mogelijkheid om op grond van artikel 37 Sr (oud) de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar op te leggen, bij de afdoening van delicten die niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, een leemte is ontstaan die niet wordt gedicht door de (gelijktijdige) invoering van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (de zogeheten zorgmachtiging). Die leemte heeft tot gevolg dat in zaken waarin voorheen besloten zou zijn tot oplegging van de inmiddels afgeschafte maatregel – mede omdat de zorg die op grond van een zorgmachtiging wordt geboden in de praktijk onvoldoende blijkt toegerust op forensische zorg en de daarmee samenhangende veiligheidsaspecten – de rechter vaak niet anders kan dan besluiten tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, terwijl voorheen dus kon worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel. Aangenomen kan worden dat de afschaffing van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis leidt tot in het instellen van meer rechtsmiddelen, langere wachttijden voor plaatsing in een TBS-kliniek en uiteindelijk hogere kosten, terwijl daardoor in bepaalde zaken ook de mogelijkheid is ontnomen een gelet op alle omstandigheden van het geval meer passende eveneens op de persoon toegesneden maatregel op te leggen.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 550,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 550,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.
Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft immers tot een week na het voorval last gehad van keelpijn, stemverlies en constante hoofdpijn, naar moet worden aangenomen ten gevolge van intern, niet uiterlijk waarneembaar, letsel. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding..
Het hof is van oordeel dat daarmee vaststaat dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing van het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de leeftijd van het slachtoffer alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 550,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] ., eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en
ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden
beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 maart 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer als voorzitter, en mr. A.S.I. van Delden en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. S. Roos.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 januari 2026.