ECLI:NL:GHDHA:2026:120

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
200.359.646/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 353 RvArt. 6:51 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten in hoger beroep toegewezen

In deze civiele procedure vordert Staay Food Group B.V. dat Julesyor Inc., gevestigd in Panama, zekerheid stelt voor de proceskosten in hoger beroep. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 224 lid 1 Rv Pro, dat vereist dat een partij zonder woonplaats in Nederland zekerheid stelt voor proceskosten.

Het hof stelt vast dat Julesyor geen woonplaats in Nederland heeft en dat geen uitzonderingen op artikel 224 lid 2 Rv Pro van toepassing zijn. Daarom moet Julesyor zekerheid stellen voor de proceskosten, die Staay begroot op €18.859,-, maar het hof stelt dit bedrag vast op €19.683,- op basis van het geldende liquidatietarief per 1 februari 2026.

Staay vordert geen specifieke vorm van zekerheidstelling, alleen dat deze zodanig is dat zij zich er gemakkelijk op kan verhalen. Het hof acht dit voldoende en beveelt dat Julesyor binnen vier weken na het arrest zekerheid stelt, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: Julesyor moet binnen vier weken zekerheid stellen voor de proceskosten van €19.683,- op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.359.646/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/669358 / HA ZA 23-1020
Arrest van 10 februari 2026 in het incident ex artikel 224 Rv Pro (bij vervroeging)
in de zaak van
1. de vennootschap naar het recht van Costa Rica
Agricola Agromonte Sociedad Anonima,
gevestigd in Alajuela-San Carlos, Costa Rica,
appellante,
2. de vennootschap naar het recht van Panama
Julesyor Inc.,
gevestigd in Panama-stad, Panama,
appellante,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. O.R. van Hardenbroek van Ammerstol, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
Staay Food Group B.V.,
gevestigd in Barendrecht,
geïntimeerde,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. J.J. Borsboom, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna respectievelijk Agricola, Julesyor en Staay.

1.De zaak in het kort

1.1
Staay vordert in dit incident dat Julesyor zekerheid stelt voor de proceskosten in hoger beroep. Het hof wijst deze vordering toe.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 7 april 2025, waarmee Agricola en Julesyor in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2025;
  • de memorie van grieven van Agricola en Julesyor, met bijlagen;
  • de conclusie van eis in het incident ex artikel 224 Rv Pro;
  • de conclusie van antwoord in incident van Julesyor.

3.De vordering in incident

3.1
In het incident vordert Staay dat Julesyor zekerheid stelt voor de proceskosten in hoger beroep. Onder 2 bij haar conclusie van eis in het incident geeft Staay aan tevens het stellen van zekerheid voor de schadevergoeding tot betaling waarvan Julesyor veroordeeld zou kunnen worden te vorderen, maar in het petitum van haar eis in het incident vordert Staay dit niet. In het hiernavolgende wordt daarom slechts geoordeeld over de vordering tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. Staay voert daartoe aan dat Julesor geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Julesyor heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

4.Beoordeling van de vordering in incident

4.1
Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro moet degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat – zo volgt uit het tweede lid van dat artikel – in hoger beroep van de oorspronkelijke gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd.
4.2
Julesyor is gevestigd in Panama. Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 224 lid 1 Rv Pro. Dat één van de uitzonderingen genoemd in artikel 224 lid 2 Rv Pro van toepassing is, is niet gesteld of gebleken. De incidentele vordering van Staay moet dus worden toegewezen.
4.3
Staay begroot de hoogte van de proceskosten in hoger beroep op € 18.859,-. Bij deze begroting is Staay uitgegaan van een procedure waarin – naast dit incident – alleen nog een memorie van antwoord en een mondelinge behandeling volgt. Het hof zal deze begroting tot uitgangspunt nemen, met dien verstande dat het hof zal uitgaan van het liquidatietarief zoals dat geldt per 1 februari 2026. Dat betekent dat het bedrag waarvoor Julesyor zekerheid moet stellen wordt bepaald op:
€ 6.823,- (griffierecht)
€ 11.283,- (2 punten x tarief VII)
€ 1.290,- (1 punt x tarief II)
€ 189,- (nasalaris)
€ 98,- (betekening)
Totaal € 19.683,-
4.4
Staay vordert niet een bepaalde vorm van zekerheidsstelling, slechts dat zekerheidsstelling op een wijze moet gebeuren dat Staay zich er zonder moeite op kan verhalen. Naar het oordeel van het hof is dat onvoldoende om een bepaalde vorm van zekerheidsstelling te bevelen (vgl. artikel 6:51 BW Pro).
4.5
Staay vordert dat Julesyor binnen een termijn van vier weken na de datum van dit arrest zekerheid moet stellen. Dat komt het hof redelijk voor.
4.6
Het hof zal de proceskosten in het incident reserveren tot aan de beslissing in de hoofdzaak.

5.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • beveelt dat Julesyor zekerheid stelt voor een bedrag van € 19.683,- voor de proceskosten waarin zij in deze zaak (waaronder het onderhavige incident) kan worden veroordeeld;
  • bepaalt dat Julesyor deze zekerheid moeten hebben gesteld in een vorm die aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW Pro voldoet, binnen vier weken na de datum van dit arrest, dus uiterlijk op 10 maart 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Julesyor in de hoofdzaak;
  • verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;
  • wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak

  • verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2026 voor memorie van antwoord;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.I. Mentink, P.M. Verbeek en J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.