Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1218

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.365.883/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek raadsheer-commissaris wegens gebrek aan vooringenomenheid

In deze zaak heeft de raadsman van verdachte een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheer-commissaris die het getuigenverhoor van een aangever leidde. Het verzoek betrof onder meer het beletten van beantwoording van vragen door de getuige en het voeren van overleg buiten aanwezigheid van de raadsman.

De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat rechterlijke tussenbeslissingen, zoals het beoordelen van de relevantie van vragen, geen grond voor wraking kunnen vormen. Ook de afzonderlijke overlegmomenten en opmerkingen van de raadsheer-commissaris werden niet als aanwijzingen voor vooringenomenheid gezien.

De wrakingskamer concludeerde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid opleveren. Het verzoek tot wraking is daarom ongegrond verklaard en afgewezen door het hof op 25 maart 2026.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheer-commissaris is afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.365.883/01
Rolnummer hoofdzaak : 22-004205-24
inzake het verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonend te [woonplaats] ,
verdachte,
raadsman: mr. H. Külcü.
strekkende tot de wraking van mr. K. Schaffels, raadsheer-commissaris (hierna ook: de raadsheer-commissaris of de gewraakte raadsheer).
Het verzoek is gedaan door de raadsman, mede namens verdachte (hierna: verzoeker).

De procedure

1. De wrakingskamer gaat uit van de volgende stukken:
  • het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris in bovenvermelde strafzaak van 4 maart 2026, opgemaakt 11 maart 2026, waarin het mondelinge wrakingsverzoek van de raadsman ten aanzien van de raadsheer-commissaris is geverbaliseerd;
  • de schriftelijke reactie van de gewraakte raadsheer van 17 maart 2026, met onder meer de vermelding dat zij niet in de wraking berust;
  • de brief van de raadsman van diezelfde datum;
  • de volgende stukken uit de hoofdzaak: de dagvaarding eerste aanleg, het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg met daaraan gehecht het requisitoir van het openbaar ministerie en de pleitnota van de raadsman, het vonnis in eerste aanleg, de appelschriftuur met daarin de grieven en onderzoekswensen, het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van de onderzoekwensen, en het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van dit hof van 21 oktober 2025.
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026, waarbij zijn verschenen de raadsman, de gewraakte raadsheer en advocaat-generaal mr. Spek. Alle drie hebben hun standpunt naar voren gebracht en/of nader toegelicht aan de hand van schriftelijke aantekeningen die zij hebben overgelegd, en antwoord gegeven op vragen van de wrakingskamer. Na sluiting van de zitting heeft de wrakingskamer medegedeeld zo spoedig mogelijk uitspraak te zullen doen, zo nodig met een kop-staartbeslissing.
3. Op 25 maart 2026 heeft de wrakingskamer een kop-staartbeslissing gegeven, gelijkluidend aan de hiervoor vermelde weergave van het procesverloop met direct daaropvolgend de beslissing zoals hierna aan het slot (vanaf het kopje ‘Beslissing’) vermeld.

Het geding in de hoofdzaak

4. Bij dit hof is de strafzaak aanhangig tegen verdachte. Zij wordt onder meer verdacht van smaadschrift omdat zij in een bericht op Twitter (nu X) de volgende tekst heeft gedeeld: “Vandaag is er een voorwaardelijke straf uitgesproken door de Rechtbank Rotterdam omdat @ [Twitteraccount] “Kleuterneuker” werd genoemd op Twitter. In onze tijd wordt het benoemen van de waarheid gestraft en rent het systeem alleen voor je als je lid bent van [politieke partij] . Typisch.”
5. In haar appelschriftuur en op de regiezitting bij dit hof heeft de verdediging verzocht [aangever] – degene wiens kantoor was getagged met het Twitterbericht, tevens aangever – als getuige te mogen horen. De waarheidsvraag van de kwalificatie “Kleuterneuker” in door de verdediging bedoelde overdrachtelijke zin (orale seks met een 16-jarige) is volgens de verdediging relevant voor de beoordeling van de verdenking tegen verdachte. Aangever zou kunnen aangeven of de overdrachtelijke zin van dit woord waar is of niet door onder ede aan te geven of hij orale seks heeft gehad met een 16 jaar oude minderjarige, aldus de verdediging.
6. Het hof heeft het verzoek om [aangever] als getuige te mogen horen zonder motivering toegewezen.
7. Op 4 maart 2026 heeft het getuigenverhoor van [aangever] plaatsgevonden ten overstaan van de gewraakte raadsheer als raadsheer-commissaris, in aanwezigheid van de griffier, de raadsman en een kantoorgenoot, en advocaat-generaal mr. Minks. Het proces-verbaal vermeldt dat de raadsheer-commissaris op enig moment overleg heeft met de getuige buiten aanwezigheid van de raadslieden en de advocaat-generaal, en (vervolgens) buiten aanwezigheid van de getuige afzonderlijk met de advocaat-generaal en de raadslieden. Dat laatste is op een later moment nog een keer gebeurd. Verder vermeldt het proces-verbaal dat de getuige zegt dat hij geen vragen van de verdediging wenst te beantwoorden maar dat hij dat wel zal doen als de raadsheer-commissaris zegt dat dat moet. Van sommige vragen van de raadsman zegt de raadsheer-commissaris dat ze relevant zijn, van andere niet. Het proces-verbaal vermeldt aan het slot het volgende:
“U vraagt of ik in de afgelopen 10 jaar seksueel contact heb gehad met minderjarigen. De RhC zegt dat deze vraag niet relevant is. De raadsman zegt dat de vraag wel relevant is, omdat het feit dat, als er seksueel contact is geweest tussen de getuige en minderjarigen, dit iets zegt over de term “kleuterneuker” in overdrachtelijke zin. De RhC zegt dat zij voorafgaand aan het verhoor duidelijk te kennen heeft gegeven dat de getuige zichzelf niet hoeft te incrimineren. De raadsman zegt dat hij de RhC wil wraken omdat RhC kennelijk de kern van het verweer niet relevant vindt en er daarmee de schijn van vooringenomenheid is.”

Het wrakingsverzoek

8. Het wrakingsverzoek zoals mondeling gedaan aan het slot van het getuigenverhoor (hiervoor, 7) en nader toegelicht in de brief van verzoeker van 17 maart 2026 komt er – samengevat – op neer dat er sprake is geweest van verschillende feiten en omstandigheden tijdens het getuigenverhoor die, in onderlinge samenhang bezien, een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid opleveren. Verzoeker verwijst daarbij naar:
de afzonderlijke overlegmomenten tussen de raadsheer-commissaris en de getuige, respectievelijk de advocaat-generaal, respectievelijk de raadslieden zonder dat de inhoud van die overleggen met de getuige en de advocaat-generaal kenbaar werd gemaakt aan de raadslieden;
een aantal opmerkingen van de raadsheer-commissaris gemaakt tijdens het verhoor, in het bijzonder de opmerking dat de zaak niet groter moet worden gemaakt dan die is en de opmerking dat de raadsheer-commissaris niet in de openbaarheid wenste te komen;
de indruk van de verdediging dat er toezeggingen zijn gedaan aan de getuige;
e onvoldoende ruimte die volgens de verdediging aan haar werd geboden om vragen te stellen aan een belastende getuige, doordat de raadsheer-commissaris vragen ten onrechte en te snel als niet relevant aanmerkte en daarbij onjuiste criteria toepaste, in het bijzonder de volgende vragen:
* hoeveel personen er op het kantoor van de getuige werkten;
* of degene die voor het aanduiden van de getuige met de term “kleuterneuker” was veroordeeld (welke veroordeling verdachte in haar tweet bekritiseerde) dit letterlijk of figuurlijk had bedoeld en hoe het kon dat de getuige in zijn aangifte had gezegd te weten dat het figuurlijk was bedoeld;
* of de getuige in de afgelopen tien jaar seksueel contact had gehad met minderjarigen.
9. De gewraakte raadsheer heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de beslissing om het antwoord op een vraag te beletten, vanwege het oordeel dat deze vraag niet relevant is en de getuige zich eventueel zou kunnen incrimineren als hij de vraag wel zou beantwoorden, niet getuigt van vooringenomenheid. Het betreft volgens de gewraakte raadsheer een processuele beslissing, die als zodanig geen grond kan vormen voor een verzoek tot wraking. De gewraakte raadsheer is ook inhoudelijk ingegaan op wat verzoeker in zijn brief van 17 maart 2026 naar voren heeft gebracht.
10. De advocaat-generaal heeft – samengevat – geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek nu het is gericht tegen een processuele beslissing van de raadsheer-commissaris. Wat in de brief van verzoeker van 17 maart 2026 verder naar voren wordt gebracht aan onderbouwing van het verzoek levert volgens de advocaat-generaal evenmin uitzonderlijke omstandigheden op die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de raadsheer-commissaris jegens de verdediging een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij haar dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

Ontvankelijkheid, voor zover het aanvullende gronden uit de brief van 17 maart 2026 betreft

11. Artikel 513 lid 2 Sv Pro schrijft voor dat in geval van een verzoek tot wraking, alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer aan verzoeker gevraagd waarom hij de in zijn brief van 17 maart 2016 aanvullend aangevoerde feiten en omstandigheden, die naar zijn zeggen hebben bijgedragen aan de door hem gestelde schijn van vooringenomenheid bij de raadsheer-commissaris, niet aanstonds had opgegeven bij zijn mondelinge wrakingsverzoek. Verzoeker heeft daarop geantwoord dat hij zich er op dat moment niet van bewust was dat dit moest. Wanneer hem toen zou zijn gevraagd om opgave te doen van al zijn wrakingsgronden, zou hij dat toen al hebben gedaan – aldus verzoeker.
12. De wrakingskamer oordeelt hierover als volgt. Het proces-verbaal van bevindingen vermeldt niet dat de raadsman, na zijn verzoek tot wraking, om opgave van al zijn wrakingsgronden is gevraagd. De wrakingskamer gaat er daarom vanuit dat dit ook niet is gebeurd. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de gewraakte raadsheer overigens ook niet aangevoerd dat dit anders was. Tegen deze achtergrond oordeelt de wrakingskamer het verzuim van verzoeker verschoonbaar. De wrakingskamer zal daarom ook de in de brief van 17 maart 2026 aanvullend aangevoerde feiten en omstandigheden bij de beoordeling van het wrakingsverzoek betrekken.

Inhoudelijke beoordeling

13. Op grond van artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
14. Volgens vaste jurisprudentie dient een rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de gewraakte rechter tegenover de verzoeker tot wraking een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
15. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een (tussen)beslissing noch over een verzuim om te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel is belast met de behandeling van de zaak.
16. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er voorts tegen dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
17. De wrakingskamer is van oordeel dat zich geen uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de gewraakte raadsheer-commissaris tegenover verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt (vlg. hiervoor, 8 a-d).
a. (afzonderlijke overleggen).In een getuigenverhoor is het aan de rechter, in dit geval de raadsheer-commissaris, om het ordelijk verloop van het verhoor te bewaken. Onder omstandigheden kan dat noodzaken tot overleg met partijen gezamenlijk buiten aanwezigheid van de getuige, of andersom. In het algemeen is gewenst dat de rechter de kern van wat afzonderlijk wordt besproken, deelt met de partijen die daar niet bij waren. Of buiten deze kaders (afzonderlijk) overleg kan zijn aangewezen en zo nee, als dat toch plaatsvindt, of dat een bij een partij bestaande vrees dat de rechter tegenover haar een vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd kan maken, hangt af van de omstandigheden van het geval. In deze zaak heeft de raadsheer-commissaris een aantal keren afzonderlijk overleg gevoerd, ook los met de advocaat-generaal respectievelijk de raadslieden. Een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid tegenover verzoeker kan daaruit in dit geval echter niet worden afgeleid. Overigens heeft de gewraakte raadsheer de inhoud van wat is besproken, tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek toegelicht: zij sprak de getuige aan op de kaders waarbinnen het verhoor diende plaats te vinden en besprak (‘even’) met de advocaat-generaal dat het verhoor wel eens langer zou kunnen gaan duren dan aanvankelijk gedacht. De raadsman heeft destijds geen navraag hiernaar gedaan en heeft zich er tijdens de mondelinge behandeling verder niet meer over uitgelaten. De gewraakte gang van zaken is naar het oordeel van de wrakingskamer niet zodanig uitzonderlijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de gewraakte raadsheer tegenover de verzoeker een vooringenomenheid koestert, of dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
b. (opmerkingen) en c. (toezeggingen).Niet gebleken is dat er toezeggingen aan de getuige zijn gedaan. Verder heeft de gewraakte raadsheer tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek verklaard dat zij de raadslieden heeft gevraagd om niet over het verhoor te twitteren en in dat kader moet haar opmerking over het niet in de openbaarheid willen komen worden geplaatst. Daarmee is geen blijk gegeven van enig oordeel over de strafzaak. Dat geldt ook voor de opmerking dat de zaak niet groter gemaakt moet worden dan die is.
d. (beletten van beantwoording van vragen).Bij een getuigenverhoor is het als gezegd aan rechter om het ordelijk verloop van het getuigenverhoor te bewaken. Het is daarbij ook aan hem om de relevantie van vragen te beoordelen. De rechter moet daarin ruimhartig zijn, maar dat geldt niet onbegrensd. Het is daarbij onvermijdelijk dat die beoordeling soms niet (geheel) overeenstemt met wat de verdediging dan wel het openbaar ministerie relevant acht. Het beletten van beantwoording van een vraag in een getuigenverhoor is een rechterlijke (tussen)beslissing waarvoor het hiervoor in randnummers 15 en 16 vermelde criterium geldt. Voor het beletten van de door de raadsman in deze wrakingsprocedure bedoelde vragen en de daarvoor door de raadsheer-commissaris gegeven motivering, geldt niet dat dit niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de raadsheer-commissaris ten aanzien van verdachte en haar strafzaak. Hierbij verdient nog aantekening dat niet kan worden vastgesteld, vanwege de ongemotiveerde verwijzing door de meervoudige kamer naar de raadsheer-commissaris (hiervoor, 6), dat de meervoudige kamer de getuige heeft toegewezen (mede) met het oog op de vraag die de verdediging het meest relevant achtte.
18. De door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden zijn noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden en zijn geen gronden die een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid opleveren.
19. Gelet op het voorgaande is het verzoek tot wraking van de raadsheer-commissaris ongegrond.

Beslissing

Het hof:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, de gewraakte raadsheer en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 25 maart 2026 en aangevuld op 2 april 2026 door
mrs. J.W. Frieling, J.I. de Vreese-Rood en M. Koole, in aanwezigheid van de griffier
mr. T.A. van den Berg.
Deze motivering is getekend door de voorzitter en de griffier. De overige leden van de
wrakingskamer zijn buiten staat.