Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1362

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
200.361.284/01 en 200.361.286/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 1:153 BWArt. 1:253a BWArt. 3:194 BWArt. 10:56 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep echtscheiding met berekening kinderalimentatie en partneralimentatie bij internationale situatie

De zaak betreft een echtscheiding tussen een man met Franse nationaliteit werkend voor een internationale organisatie en een vrouw met Oekraïense en Franse nationaliteit. Er zijn minderjarige kinderen betrokken met co-ouderschap en een complexe financiële situatie door internationale inkomsten en onroerend goed in het buitenland.

In hoger beroep zijn de kinderalimentatie, partneralimentatie en de verdeling van het appartement in Oekraïne aan de orde. Het hof vernietigt de beschikking over de alimentatie en het appartement en stelt nieuwe bedragen vast: kinderalimentatie €578 per maand en partneralimentatie €3.526 per maand, rekening houdend met de draagkracht van partijen en werkelijke woonlasten. Het pensioenverweer van de vrouw wordt afgewezen omdat zij zelf een overlijdensrisicoverzekering kan afsluiten.

De hoofdverblijfplaats van de kinderen blijft bij de man, met de Franse paspoorten in beheer bij de ouder waar de kinderen verblijven. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wordt aangepast omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat het appartement in Oekraïne tot de gemeenschap behoort. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de alimentatiebedragen, wijst het verzoek tot verdeling van het appartement in Oekraïne af en bekrachtigt de echtscheiding en overige bepalingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.361.284/01 en 200.361.286/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-456 (echtscheiding) en FA RK 24-6497 (verdeling)
zaaknummer rechtbank : C/09/660174 (echtscheiding) en C/09/672248 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.D. Verwoerd te Den Haag,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.W. Morot te Amsterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 7 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 23 december 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 9 februari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 februari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 4 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 11 februari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 12 februari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk] , tolk in de Franse taal.
De raad is, zoals aangekondigd bij brief van 6 januari 2026, niet ter zitting verschenen.
De advocaten van partijen hebben ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
2.7
De advocaat van de man heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het journaalbericht van 12 februari 2026 van de zijde van de vrouw met als bijlage een vermeerdering van haar verzoek om partneralimentatie. Het bezwaar richt zich erop dat het document dusdanig laat is ingediend dat de advocaat dit niet met de man heeft kunnen bespreken. Het document had ook eerder kunnen worden ingediend nu het een reactie betreft op de financiële stukken van de man van 2 februari 2026. De advocaat van de vrouw stelt dat het door omstandigheden laat, maar wel tijdig is ingediend en dat de recent ingediende financiële gegevens van de man aanleiding gaf om het verzoek te vermeerderen.
Het hof overweegt als volgt. Zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is verzoeker bevoegd het verzoek, al dan niet schriftelijk, te veranderen of te vermeerderen, mits dit niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Zoals het hof ter zitting reeds naar voren heeft gebracht, zal het hof geen acht slaan op de vermeerdering van het verzoek van de vrouw. Het hof acht de indiening hiervan, slechts een kwartier voor de aanvang van de mondelinge behandeling, waarbij een substantiële vermeerdering van de partneralimentatie van ruim € 2.000,- wordt verzocht, in strijd met de goede procesorde.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2010 te [plaats] .
3.3
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , België (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , België (hierna: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk te benoemen: de minderjarigen.
3.4
De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.
3.5
In de basisregistratie personen is opgenomen dat de man de Franse nationaliteit en de vrouw de Oekraïense en Franse nationaliteit heeft.
3.6
Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
3.7
De rechtbank Den Haag heeft op 22 december 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende een vaststelling van de volgende tussen de man en de vrouw gemaakte afspraken:
- de minderjarigen zullen in de vorm van een week-op-week-af regeling bij partijen verblijven (co-ouderschap). De wissel is op vrijdagmiddag uit school en beide ouders brengen de minderjarigen naar de naschoolse activiteiten van de minderjarigen. De zorgregeling zal na drie maanden door partijen worden geëvalueerd;
- de schoolvakanties worden bij helfte verdeeld waarbij de minderjarigen afwisselend de eerste helft van de schoolvakanties bij de ene ouder verblijven en de tweede helft van de vakanties bij de andere ouder, derhalve jaarlijks alternerend. Voor het resterende deel van 2023 verblijven de minderjarigen de eerste helft bij de man en de tweede helft bij de vrouw, hetgeen voor 2024 andersom zal zijn, enzovoorts. De wissel zal op zaterdag plaatsvinden;
- voor de rest van 2023 inclusief de kerstvakantie zijn partijen de volgende verdeling van de zorg overeengekomen:
  • van donderdag 14 december uit school tot donderdag 21 december naar school: de minderjarigen verblijven bij de vrouw;
  • van donderdag 21 december tot vrijdag 29 december: de minderjarigen verblijven bij de man;
  • van vrijdag 29 december tot zaterdag 6 januari: de minderjarigen verblijven bij de vrouw;
  • van zaterdag 6 januari tot vrijdag 12 januari uit school: de minderjarigen verblijven bij de man;
  • enzovoorts
- de minderjarigen zullen met de andere ouder bellen op zondag, dinsdag en donderdag om 19.30 uur;
- de man zal op 20 december 2023 een bijdrage in de kosten van huishouding aan de vrouw betalen van € 1.550,- netto;
- de man zal met ingang van 1 januari 2024 voor het eerste van de maand een kinderalimentatie aan de vrouw betalen van € 1.000,- per kind per maand;
- de man zal met ingang van 1 januari 2024 voor het eerste van de maand een partneralimentatie aan de vrouw betalen van € 2.665,- per maand en de vaste lasten van de echtelijke woning, te weten: hypotheekrente, aflossing, opstalverzekering, erfpacht, gemeentelijke belastingen.

4.De omvang van het geschil

4.1
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking, voor zover in hoger beroep van belang,
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de minderjarigen de hoofdverblijfplaats hebben bij de man;
- bepaald dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de minderjarigen
voorlopigin de vorm van een week-op-week-af regeling bij partijen verblijven (co-ouderschap), met het wisselmoment op vrijdagmiddag uit school of om 15:00 uur als er geen school is;
- de volgende
voorlopigeregeling vastgesteld ten aanzien van de vakanties en feestdagen;
  • voorjaarsvakantie (vacances d'hiver): de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
  • meivakantie (vacances de printemps): de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
  • zomervakantie (vacances d'élé): wordt opgedeeld in twee gelijke blokken waarbij de minderjarigen in de oneven jaren de eerste helft bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw verblijven met de wissel halverwege de vakantie en voor de even jaren geldt het omgekeerde;
  • herfstvakantie (vacances de la Toussaint): de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
  • kerstvakantie (vacances de Noel): de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
  • feestdagen: de minderjarigen zijn bij de ouder bij wie zij op de betreffende feestdag volgens de reguliere zorgregeling of vakantieregeling (als de betreffende feestdagen in de vakantie valt) verblijven;
- bepaald dat de Franse paspoorten van de minderjarigen in beheer zullen zijn bij de man en dat de Oekraïense paspoorten van de minderjarigen in beheer zullen zijn bij de vrouw;
- bepaald dat de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw een bedrag zal betalen van € 333,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 3.566,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1.
het appartement in [plaats] :
het aandeel van de vrouw in het appartement aan het adres [adres] in [plaats] , Oekraïne, wordt toegedeeld aan de vrouw, onder verplichting aan de vrouw om USD 87.500 aan de man te voldoen;
2.
de bank- en spaarrekeningen:
ieder houdt de op zijn/haar naam staande bank- en spaarrekeningen, zonder nadere verrekening;
3.
de auto’s:
de auto van het merk Volvo XC90 met kenteken [kenteken] en de auto van het merk Renault Captur met kenteken [kenteken] worden aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting aan de vrouw om € 23.862,- aan de man te voldoen;
- vastgesteld dat de vrouw jegens de man recht heeft op uitbetaling van het in artikel 3 WVPS Pro bepaalde deel van het door de man opgebouwde pensioen en de man veroordeeld om maandelijks dat deel van het pensioen aan de vrouw af te dragen vanaf het moment van ingaan van zijn pensionering;
- de man gelast alle relevante gegevens over het door hem opgebouwde pensioen aan de vrouw te verschaffen;
- bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
- de beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen c.q. te wijzigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Aangaande het pensioenverweer
I. het pensioenverweer van de vrouw te honoreren en slechts – indien en voor zover er een adequate en passende voorziening is getroffen voor het nabestaandenpensioen van de vrouw – de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, en te bepalen dat – mochten er stukken moeten worden verschaft aan de vrouw ten behoeve van de te treffen voorzieningen – dat de man de nodige stukken zal verschaffen binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag dat de man niet aan de beschikking voldoet;
II. vaststelling van de compensatie die de man aan de vrouw dient te betalen wegens het dreigend verlies van haar recht op partnerpensioen krachtens artikel 1:153 BW Pro;
Aangaande de hoofdverblijfplaats
III.
primair: dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij beide ouders en dat zij worden ingeschreven op het adres van de vrouw;
subsidiair: dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en dat de minderjarigen worden ingeschreven op het adres van de vrouw;
meer subsidiair: dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw en dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;
Aangaande de paspoorten
IV.
primair:te bepalen dat de Franse paspoorten van de minderjarigen in de woning blijven waar de minderjarigen op dat moment zijn conform de geldende zorg- en contactregeling;
subsidiair:te bepalen dat de Franse paspoorten van de minderjarigen in beheer zullen zijn bij de vrouw en dat de Oekraïense paspoorten van de minderjarigen in beheer zullen zijn bij de man;
Aangaande de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen
V. te bepalen dat de man met ingang van de te wijzen beschikking, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, zal betalen een bedrag van € 764,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een ingangsdatum en bedrag te bepalen die het hof in goede justitie juist acht;
Aangaande de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw
VI. te bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie zal betaling van € 5.136,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een ingangsdatum en bedrag te bepalen die het hof in goede justitie juist acht;
Aangaande het appartement in [plaats]
VII.
primair:vast te stellen dat het appartement in [plaats] niet tot het huwelijksvermogen van partijen behoort en derhalve niet in de verdeling dient te worden betrokken;
subsidiair:het aandeel van de vrouw in het appartement aan het adres [adres] in [plaats] , Oekraïne, toe te delen aan de vrouw onder de verplichting aan de vrouw om € 4.058,95 aan de man te voldoen.
Aanvullend verzoek ex artikel 194 jo Pro. 195 Rv
VIII. de man bij tussenbeschikking te veroordelen c.q. te gelasten om binnen zeven dagen na dagtekening van de ten dezen te wijzen tussenbeschikking alle onderliggende bescheiden c.q. bewijsstukken in het geding te brengen, die de man onder zich houdt, onder andere maar niet beperkt tot:
- alle bankschriften op naam van de man in Nederland en in het buitenland over de periode van 19 januari 2014 tot en met 19 januari 2024, subsidiair over de periode zoals door het hof in goede justitie te bepalen:
- een opgave van de werkgever van de man met een verklaring van de werkgever waaruit volgt naar welk (bank) rekening het inkomen van de man (salaris/bonus) is overgemaakt vanuit de werkgever;
- alle jaaropgaven van de man over de jaren 2014 tot en met 2024;
- de aangiften inkomstenbelasting van de man met de daarbij behorende aanslagen over de jaren 2014 tot en met 2024;
- een overzicht van alle andere vermogensbestanddelen op naam van de man bestaande op 19 januari 2024 met onderliggende stukken aangaande de waarde van voornoemde vermogensbestanddelen;
Op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de man in gebreke blijft met het verstrekken van de verzochte bescheiden;
IX. indien en voor zover uit de overgelegde – onder VIII vermelde – stukken zal blijken dat er andere vermogensbestanddelen zijn, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro jo. 21 Rv te bepalen dat de man zijn aandeel in die goederen heeft verbeurd, zodat de waarde van het gehele goed aan de vrouw dient toe te komen;
X. indien en voor zover uit de over te leggen stukken volgt dat de man de gemeenschap heeft benadeeld, de man te veroordelen uit hoofde van benadeling van de vrouw tot betaling aan de vrouw van een nader door de vrouw te formuleren bedrag;
Aangaande de auto’s
XI. de auto van het merk Volvo XC90 met kenteken [kenteken] en de auto van het merk Renault Captur met kenteken [kenteken] aan de vrouw toe te delen, onder de verplichting aan de vrouw om € 16.024,50 aan de man te voldoen, welk bedrag verrekend zal worden op het moment van betaling van het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de echtelijke woning aan de vrouw;
Aanvullend verzoek aangaande ouderdomspensioen
XII. de man bij tussenbeschikking te veroordelen, op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag dat de man in gebreke blijft met het verstrekken van de verzochte bescheiden, om binnen vier weken na de te wijzen beschikking de volgende stukken in het geding te brengen:
- pensioenreglementen;
- laatste loonstrook;
- datum in dienst;
- pensioenopgave [pensioenuitvoerder] ,
Zodat de vrouw in staat zal zijn om met een partijdeskundige te berekenen het deel van het pensioen van de man aan de vrouw dient af te dragen vanaf het moment van ingaan van zijn pensionering, met bepaling dat de man haar daarover drie maanden van te voren dient te informeren, met bepaling dat als de man in gebreke blijft de stukken over te dragen het hof een deskundigenrapport zal gelasten en een deskundige zal benoemen die zal worden gevraagd om de omvang van het recht van de vrouw op uitbetaling van het in artikel 3 WVPS Pro bepaalde deel van het door de man opgebouwde pensioen te berekenen, met bepaling dat het voorschot dient te worden voldaan door de man.
XIII. de man te veroordelen om het door de (partij)deskundige te berekenen bedrag maandelijks aan de vrouw te voldoen vanaf het moment van ingaan van pensionering van de man vermeerderd met de door [pensioenuitvoerder] toegepaste indexatie.
4.3
De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De door de vrouw aangevoerde grieven tegen de bestreden beschikking als ongegrond af te wijzen en voornoemde beschikking te bekrachtigen.
In incidenteel appel verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen c.q. te wijzigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de minderjarigen voorlopig een keer per viertiendagen van donderdag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw verblijven (4 nachten) en de rest van de tijd bij de man verblijven (10 dagen);
de door de vrouw verzochte kinderalimentatie op nihil te stellen;
de door de vrouw verzochte partneralimentatie op maximaal € 1.988 per maand te stellen;
e door de vrouw bij (tussen)beschikking te veroordelen, op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft met het verstrekken van de verzochte bescheiden om binnen vier weken na de ten deze te geven beschikking de volgende stukken in het geding te brengen:
- de [pensioenuitvoerder] pension entitlement per datum indiening in deze procedure;
- de [pensioenuitvoerder] annual statements 2023 t/m 2025;
- de laatste [werkgever] salarisspecificaties van de vrouw van april, mei en juni 2024;
vast te stellen dat de man jegens de vrouw recht heeft op uitbetaling van het in artikel 3 WVPS Pro bepaalde deel van het door de vrouw opgebouwde pensioen van de vrouw te veroordelen om maandelijks dat deel van het pensioen aan de man af te dragen vanaf het moment van ingaan van haar pensionering;
kosten rechtens.
4.4
De vrouw verzoekt het hof in incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans de verzoeken van de man af te wijzen. Aanvullend verzoekt de vrouw het hof:
I. de man bij tussenbeschikking te veroordelen c.q. te gelasten om binnen zeven dagen na dagtekening van de te wijzen tussenbeschikking alle onderliggende bescheiden c.q., bewijsstukken in het geding te brengen, die de man onder zich houdt, onder andere maar niet beperkt tot:
  • de akten van levering van het onroerend goed;
  • onderliggende stukken waaruit de financiering volgt van de verkrijging van het onroerend goed;
  • indien en voor zover het onroerend goed voor 19 januari 2024 reeds in het bezit van de man was, een waardering van het onroerend goed;
op straffe van een dwangsom van € 250,- poer dag dat de man in gebreke blijft met het vertrekken van de verzochte bescheiden;
II. de man bij tussenbeschikking te veroordelen c.q. te gelasten om binnen zeven dagen na dagtekening van de te wijzen tussenbeschikking alle onderliggende bescheiden c.q. bewijsstukken in het geding te brengen, die de man onder zich houdt, onder andere maar niet beperkt tot:
  • alle bankafschriften op naam van de man in Nederland en in het buitenland over de periode van 19 januari 2014 tot en met 19 januari 2024, subsidiair over de periode zoals door het hof in goede justitie te bepalen;
  • een opgave van de werkgever van de man met een verklaring van de werkgever waaruit volgt naar welke (bank)rekeningen het inkomen van de man (salaris/bonus etc.) is overgemaakt vanuit de werkgever;
  • alle jaaropgaven van de man over de jaren 2014 tot en met 2024;
  • de aangiften inkomstenbelasting van de man met de daarbij behorende aanslagen over de jaren 2014 tot en met 2024;
  • een overzicht van alle andere vermogensbestanddelen op naam van de man bestaande op 19 januari 2024 met onderliggende stukken aangaande de waarde van voornoemde vermogensbestanddelen;
op straffe van een dwangsom van € 250,- poer dag dat de man in gebreke blijft met het vertrekken van de verzochte bescheiden;
III. indien en voor zover uit de overgelegde – onder I en II vermelde – stukken zal blijken dat er andere vermogensbestanddelen zijn, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro jo. 21 Rv te bepalen dat de man zijn aandeel in die goederen heeft verbeurd, zodat de waarde van het gehele goed aan de vrouw dient toe te komen, althans dat deze goederen alsnog in de verdeling worden betrokken;
IV. indien en voor zover uit de over te leggen stukken volgt dat de man de gemeenschap heeft benadeeld, de man te veroordelen uit hoofde van benadeling van de vrouw tot betaling aan de vrouw van een nader door de vrouw te formuleren bedrag;
V. betreffende de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te bepalen:
primair:dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij beide ouders en dat zij worden ingeschreven op het adres van de vrouw;
subsidiair:dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en dat de minderjarigen worden ingeschreven op het adres van de vrouw;
meer subsidiair:dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw en dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;
uiterst subsidiair:dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij beide ouders en dat zij worden ingeschreven op het adres van de man.

5.De motivering van de beslissing

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu partijen hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (Hierna: BW) pas het hof Nederlands recht toe.
Pensioenverweer
5.2
Op grond van artikel 1:151 BW Pro wordt de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.
Op grond van artikel 1:153 lid 1 BW Pro kan, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenten billijk is te achten. Op grond van lid 2 sub a van voormeld wetsartikel is het eerste lid niet van toepassing indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen.
5.3
Niet in geschil is dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft zich echter tegen het uitspreken van de echtscheiding verzet met het aanvoeren van een pensioenverweer als bedoeld in artikel 1:153 BW Pro. Zij heeft gesteld dat de echtscheiding pas kan worden uitgesproken wanneer voor haar een toereikende voorziening is getroffen voor het bestaande en ten gevolge van de scheiding wegvallende recht op uitkering bij vooroverlijden van de man. De vrouw berekent het partnerpensioen in geval van overlijden van de man op € 8.963,- bruto per maand. Dit volledige bedrag zal wegvallen, behoudens een korte overgangstermijn van vijf jaar, na de echtscheiding. De vrouw verzoekt dan ook een voorziening voor dit gemis aan uitzicht op inkomen in de vorm van een overlijdensrisicodekking op het leven van de man, waarvan de man de premie dient te betalen. De man verweert zich hiertegen en stelt dat het potentiële verlies lager is dan door de vrouw berekend en in elk geval gelijk is of lager is dan de verdiencapaciteit van de vrouw. De man is bereid zijn medewerking te verlenen indien de vrouw een overlijdensrisicoverzekering wenst af te sluiten op het leven van de man. De man stelt dat de vrouw zelf de premie dient te betalen.
5.4
Op basis van de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij het volgende nog in aanmerking. Zoals eveneens zelf door de vrouw naar voren gebracht kan de door de vrouw gestelde achteruitgang in pensioenaanspraken opgevangen worden door het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering op het leven van de man. De man is ook bereid hieraan mee te werken. Naar het oordeel van het hof is aldus redelijkerwijs van de vrouw te verwachten dat zijzelf een voldoende voorzieningen treft. Anders dan de vrouw acht het hof het ook redelijk dat de vrouw de premie voor deze overlijdensrisicoverzekering zelf voldoet. Onvoldoende is gebleken dat zij daartoe niet de financiële middelen heeft. Het voorgaande brengt met zich dat het pensioenverweer van de vrouw niet slaagt en het hof de grieven van de vrouw ten aanzien van het pensioenverweer afwijst. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, bekrachtigen.
Voorlopige zorgregeling, hoofdverblijfplaats en Franse paspoorten
Rechtsmacht
5.5
Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro de EU-verordening Brussel II-ter bevoegd om te beslissen op de verzoeken die betrekking hebben op de minderjarigen. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 is Nederlands recht van toepassing.
5.6
Het hof overweegt als volgt. De ouders hebben samen het gezag over de minderjarigen. Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter voorleggen. De rechter kan op basis van het tweede lid van voornoemd artikel eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen. Deze regeling kan onder meer de beslissing over de toedeling aan iedere ouder van de zorg- en opvoedingstaken en bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, omvatten.
Voorlopige zorgregeling
5.7
De man heeft zijn grief ten aanzien van de voorlopige zorgregeling ingetrokken. Deze intrekking heeft tot gevolg dat de door de man aangevoerde grief niet meer behoeft te worden behandeld, omdat er op dit punt geen beslissing van het hof (meer) wordt gevraagd.
Hoofdverblijfplaats
5.8
Het hof overweegt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen als volgt. Op grond van de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt ze – na een eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die leiden tot een andersluidend oordeel. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Het hof begrijpt dat de vaststelling van de hoofdverblijfplaats voor ouders een emotionele lading kan hebben. Tegelijkertijd is de hoofdverblijfplaats bij uitvoering van een co-ouderschapregeling zoals hier aan de orde, in hoge mate een administratieve beslissing. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen. Gebleken is dat de man de afgelopen jaren alle verblijfsoverstijgende kosten voor de minderjarigen heeft voldaan. Ongeacht de vraag of de man ook recht heeft op de ‘allowances’ indien de minderjarigen bij de vrouw staan ingeschreven, overweegt het hof dat de verblijfsoverstijgende kosten dienen te worden gedragen door de ouder bij wie de minderjarige het hoofdverblijf heeft. Nu de man deze kosten de afgelopen jaren heeft gedragen, zijn inkomen daarvoor toereikend is en de minderjarigen hun activiteiten hebben kunnen voortzetten, is van belang dat deze situatie wordt gecontinueerd. Daarbij overweegt het hof verder dat er inmiddels een verzoek tot een ondertoezichtstelling is ingediend bij de rechtbank, nu de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Gezien deze mogelijke ondertoezichtstelling en de daaraan verbonden trajecten die de ouders in zullen gaan, acht het hof het niet in het belang van de minderjarigen om de hoofdverblijfplaats nu te wijzigen. Dit zal immers extra spanningen en onrust tussen de ouders veroorzaken. Het hof acht het verder van belang dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen op hetzelfde adres is. Verschillende hoofdverblijfplaatsen vergt namelijk een meer intensieve samenwerking tussen de ouders, terwijl gebleken is dat de verhouding tussen partijen ernstig verstoord is. Voor de vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij beide ouders of de hoofdverblijfplaats en de inschrijving in het basisregistratie personen (BRP) beiden bij een andere ouder vaststellen, ziet het hof, gelet op de verstoorde verstandhouding tussen partijen, evenmin aanleiding. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Franse paspoorten
5.9
Het hof zal – evenals de rechtbank – de Franse paspoorten in het beheer geven bij de ouder bij wie de minderjarigen de hoofdverblijfplaats hebben. Door de vrouw is wel gesteld, maar niet voldoende onderbouwd, dat de man niet meewerkt in het geval de vrouw de Franse paspoorten nodig heeft om te reizen. In het licht van de betwisting door de man is onvoldoende gebleken dat dit tot op heden tot problemen heeft geleid.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht
5.1
Nu de partijen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Artikel 3 lid 1 van Pro het Haags Alimentatieprotocol 2007 bepaalt vervolgens dat het Nederlandse recht moet worden toegepast op deze onderhoudsverplichting (kinderalimentatie), omdat de onderhoudsgerechtigden (de kinderen) hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Inleiding
5.11
Het hof stelt voorop dat doorgaans kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie een kind de hoofdverblijfplaats heeft. De ouder bij wie de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben dient de verblijfsoverstijgende kosten (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) te dragen. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking. Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Indien de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. Zie paragraaf 4.3.5 van het rapport Alimentatienormen 2025 (aangepast naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924). Dit betreft de situatie van de moeder.
Ingangsdatum
5.12
De ingangsdatum van de kinderalimentatie van 8 augustus 2025 is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hiervan uitgaat.
Behoefte
5.13
Het hof overweegt ten aanzien van de behoefte van de minderjarigen als volgt. In afwijking van het eerder ingenomen standpunt van de vrouw hebben partijen ter zitting bevestigt zich te kunnen vinden in het vaststellen van de basisbehoefte van de minderjarigen conform de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen uit het rapport Alimentatienomen, zijnde in 2023 € 1.460,- per maand voor beide minderjarigen. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 1.651,- per maand. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of deze behoefte dient te worden verhoogd met bijzondere kosten die ten behoeve van de minderjarigen worden voldaan en niet dan wel onvoldoende zijn verdisconteerd in de gehanteerde kosten kinderen. Volgens de vrouw zijn – in afwijking van haar eerdere standpunt – de door de rechtbank aangemerkte bijzondere kosten al in de basisbehoefte verdisconteerd en dienen derhalve niet bij de behoefte te worden opgeteld. De man verweert zich hiertegen. Gezien de levensstandaard van de minderjarigen, die zij gewend waren toen zij nog een gezin vormde met hun ouders, acht het hof het aannemelijk dat door de man opgevoerde bijzondere kosten niet verdisconteerd zijn in de basisbehoefte. Het hof acht het ook in het belang van de minderjarigen dat zij de activiteiten, zoals de Russische les, schilderles, lunchen in de kantine, een schoolreis en [schoolgerelateerde activiteit] kunnen voortzetten. Het hof is echter van oordeel dat de man deze kosten kan betalen uit de dependant allowance en de education allowance die de man van zijn werkgever ontvangt, zodat er geen aanleiding is om de behoefte van de minderjarigen met deze kosten te verhogen.
Draagkracht man
5.14
Het hof overweegt ten aanzien van de draagkracht van de man in het kader van de kinderalimentatie als volgt. Het inkomen van de man, zijnde in 2025 € 197.891,- netto per jaar, is tussen partijen niet in geschil. De vrouw grieft tegen het oordeel van de rechtbank dat rekening dient te worden gehouden met de onderhoudsverplichting die de man jegens zijn zoon, [de zoon] , heeft. De man verweert zich hiertegen. In totaal betaalt de man nu € 956,- per maand aan [de zoon] . Het hof overweegt als volgt. De zoon van de man verblijft feitelijk in Schotland, de man heeft het hof niet geïnformeerd dat hij op basis van Schots recht of een rechterlijke uitspraak gehouden is om in het levensonderhoud van [de zoon] te voorzien. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de betalingen van de man aan [de zoon] in mindering te brengen op de draagkracht van de man. De grief van de vrouw slaagt in zoverre.
5.15
Ook is de hoogte van de woonlasten die de man in aftrek kan nemen van zijn draagkracht onderwerp van geschil tussen partijen.
Uit het betoog van de vrouw volgt dat op dit moment rekening gehouden moet worden met het woonbudget, omdat de man de lasten van beide woningen, te weten de woning waar de vrouw thans feitelijk verblijft, alsmede de huurlasten van de man zelf, hieruit kan betalen. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met zijn aanmerkelijk hogere woonlasten, nu hij beide woningen betaalt.
Het hof overweegt als volgt. Het hof gaat uit van de feitelijke woonlast van de man van € 5.637,- per maand, nu de man deze woonlasten daadwerkelijk heeft, omdat de man de beide woningen betaalt. Het hof acht het woonbudget in dit specifieke geval met dergelijke hoge netto inkomsten van een internationale organisatie niet passend. Dit betekent ook dat als de vrouw de woning verlaat en de man zijn intrek aldaar inneemt, de feitelijke woonlasten van de man aanzienlijk lager zullen worden en dit aanleiding kan zijn voor herziening van de alimentatie.
5.16
De man werkt bij een internationale organisatie en is in Nederland niet belastingplichtig. Voor de berekening van zijn draagkracht gaat het hof uit van het netto inkomen van de man wat hij verkrijgt van de organisatie waarvoor hij werkt en het hof past vervolgens de draagkrachtformule toe, waarbij het hof zoals reeds overwogen met de werkelijke woonlasten van de man rekening houdt. Op basis van de draagkrachtformule 2025, zijnde 70% x [netto inkomen - (€ 5.637,-+ € 1.310,-)], berekent het hof de draagkracht van de man, anders dan de rechtbank op € 6.681,-,- per maand.
Draagkracht vrouw
5.17
In geschil is de verdiencapaciteit van de vrouw. De vrouw heeft toegelicht dat zij sinds 30 juni 2024 geen baan meer heeft. Op dit moment is zij op zoek naar een baan, maar haar leeftijd en het zeer beperkt aantal vacatures bij internationale organisaties, waar zij werkzaam is geweest, bemoeilijken die zoektocht. Zij acht het zeer onwaarschijnlijk dat zij een inkomen kan generen dat vergelijkbaar is met het inkomen dat zij laatstelijk genoot, over welk inkomen zij geen belasting hoefde te betalen. De vrouw schat in dat zij een inkomen kan generen van € 3.000,- netto (excl. 8% vakantiegeld). De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De vrouw heeft altijd fulltime gewerkt en nu de zorg tussen partijen verdeeld is, kan zij dit nog steeds. De vrouw moet dan ook in staat worden geacht om haar laatstverdiende inkomen weer te generen. Het hof is van oordeel dat, gezien het arbeidsverleden van de vrouw en de situatie waarin zij verkeerd, zij maximaal € 36.000,- netto per jaar kan verdienen (excl. vakantiegeld). De vrouw heeft voldoende aangetoond dat zij een zware tijd achter de rug heeft en dat het op dit moment moeilijk is om een positie te vinden bij een internationale organisatie, omdat er minder vacatures zijn. Dat maakt het moeilijker voor de vrouw om een gelijk, belastingvrij, inkomen te verwerven. De grief van de vrouw treft doel.
5.18
Het hof houdt er rekening mee dat de vrouw voormeld inkomen op dit moment nog niet verdiend. Zij heeft op dat vlak wel een inspanningsverplichting. Nu de vrouw op dit moment nog geen inkomsten heeft, maar wel kosten voor de kinderen en het hof het van belang acht dat de vrouw deze kosten ten behoeve van de kinderen daadwerkelijk kan betalen, ziet het hof in dit specifieke geval aanleiding om de volledige zorgkorting van de vrouw ten laste te brengen van de man zonder draagkrachtvergelijking.
Zorgkorting
5.19
Gelet op de nog geldende co-ouderschapsregeling, geldt een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt (35% van de behoefte ad € 1.651,-) € 578,- per maand.
Conclusie
5.2
Op grond van dat wat het hof hiervoor heeft overwogen dient de man aan de vrouw uit hoofde van de verblijfskosten van de minderjarigen een bijdrage te betalen van € 578,- per maand.
Partneralimentatie
Rechtsmacht
5.21
Op grond van artikel 3 sub a van Pro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie kennis te nemen. Op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 past het hof het Nederlands recht toe nu de onderhoudsgerechtigde de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Behoefte
5.22
Ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte overweegt het hof als volgt. Beide partijen gaan uit van de hof-norm. Het hof zal hierbij aansluiten. Bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte houdt het hof wel rekening met de bijdrage die de man aan [de zoon] betaalde. Gedurende het huwelijk was dit bedrag immers ook niet beschikbaar voor het gezin en de vrouw. Uit het vorengaande volgt dat het hof uitgaat van dezelfde financiële gegevens als de rechtbank, zodat het hof uitgaat van dezelfde huwelijksgerelateerde behoefte van € 10.904,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
5.23
Zoals het hof reeds in r.o. 5.17 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat aan de vrouw een verdiencapaciteit dient te worden toegekend. Ter bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw dient het eigen inkomen van € 3.240,- per maand (incl. 8% vakantiegeld) te worden afgetrokken. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw in Nederlands belastingplichtig is om welke reden haar aanvullende behoefte gebruteerd dient te worden. De vrouw heeft dan een aanvullende behoefte van € 10.904,- – € 3.240,- = € 7.664,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de aanvullende behoefte € 8.166,- netto per maand. Dat is € 15.201,- bruto per maand (Bijlage I).
Draagkracht man
5.24
Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van dezelfde gegevens als bij de draagkracht in het kader van de kinderalimentatie. Het netto-inkomen van de man bedraagt op basis van deze gegevens € 16.491,- per maand. Nu niet vaststaat dat er een juridisch afdwingbare verplichting is op grond waarvan de man dient bij te dragen in de kosten van zijn 22-jarige zoon [de zoon] – die feitelijk woont in Schotland – houdt het hof bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met de bedragen die hij betaalt aan zijn zoon. Voor zover de man stelt dat de ‘dependent allowance’ van € 906,- en de ‘education allowance’ van € 268,- in mindering op de draagkracht van de man moeten worden gebracht, overweegt het hof als volgt. Het hof zal deze bijdrage op de draagkracht van de man in het kader van de partneralimentatie in mindering brengen. Het hof ziet deze bijdrage, die verstrekt wordt door de werkgever van de man, als onkosten vergoeding waar de extra kosten van de kinderen uit dienen te worden voldaan.
Werkelijke woonlasten
5.25
Zoals hierboven reeds overwogen zal het hof rekening houden met de daadwerkelijke feitelijke woonlast aan de zijde van de man.
Leningen
5.26
De man heeft nog gesteld dat rekening gehouden moet worden met de aflossing voor de door hem afgesloten leningen voor de aankoop van de nieuwe auto. Het hof zal geen rekening houden met de door de man gestelde lening, aangezien het hof van oordeel is dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat het noodzakelijk was dat de man deze lening moest aangaan, nu partijen gezamenlijk beschikte over twee auto’s en de man aanspraak had kunnen maken op een van die twee auto’s. Daarbij komt dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn vermogen.
5.27
Nu de grieven deels slagen, komt het hof in de hernieuwde alimentatieberekening tot een draagkracht van de man van € 5.022,- netto. Hierop wordt de kosten van de kinderen in mindering gebracht, aangezien de man op dit moment volledig in de behoefte van de minderjarigen voorziet, brengt het hof dit volledige bedrag in mindering op de draagkracht van de man. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 3.371,- netto per maand (Bijlage II). De man heeft derhalve een tekort aan draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.
Conclusie
5.28
Gelet op het voorgaande vernietigt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie en bepaalt dat de man met ingang van de inschrijving van de echtscheiding aan de vrouw een partneralimentatie betaald van € 3.371,- per maand, geïndexeerd naar 2026 (de ingangsdatum) betreft dit een bedrag van € 3.526,- per maand.
Verdeling
Rechtsmacht
5.29
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzoeken tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels). Nu er geen grief is gericht tegen de toepassing van het Nederlands recht, gaat het hof hiervan uit.
Appartement [plaats]
5.3
Tussen partijen is in geschil in hoeverre het appartement in Oekraïne in de huwelijksgoederengemeenschap valt en in de verdeling moet worden meegenomen. Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De man stelt dat de vrouw op de peildatum mede-eigenaar was van het appartement in Oekraïne, zodat haar aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap valt en voor verdeling in aanmerking komt. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat het aan de man is om te bewijzen dat de vrouw op de peildatum (mede-)eigenaar was van de woning. De vrouw heeft daarnaast een uittreksel overgelegd van 8 oktober 2024 (productie 18), waaruit in ieder geval blijkt dat de vrouw toen geen eigenaar (meer) was van het appartement.
5.31
Het hof overweegt als volgt. De man verzoekt in eerste aanleg te bepalen dat het appartement in Oekraïne tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort en in de verdeling mee dient te worden genomen. Op grond van artikel 150 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering heeft als uitgangspunt te gelden dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem of haar gesteld feiten of rechten het bewijs daarvan draagt. Hiervan kan worden afgeweken indien uit enige bijzondere regel of uit de beginselen van de redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling voortvloeit. Naar het oordeel van het hof ligt het, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw dat zij in ieder geval op 8 oktober 2024 geen eigenaar (meer) van het appartement was, op de weg van de man om aannemelijk te maken dat de vrouw wel (mede)eigenaar was op de peildatum te weten 19 januari 2024. Naar het oordeel van het hof is de man daar niet in geslaagd. Zo heeft de man geen nadere onderbouwing van zijn standpunt gegeven door bijvoorbeeld het overleggen van een uitdraai van het kadaster uit Oekraïne of een verklaring van een advocaat in Oekraïne over de eigendomssituatie van de vrouw. Het hof kan derhalve niet vaststellen dat de woning op de peildatum in (mede)eigendom toebehoorde aan de vrouw en dientengevolge in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Verder zijn naar het oordeel van het hof ook geen rechtens relevante feiten of omstandigheden gesteld en gebleken die een omkering van de bewijslast rechtvaardigt. Gelet hierop vernietigt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling van het appartement in Oekraïne en wijst het inleidende verzoek van de man af.
Onroerend goed Frankrijk
5.32
De vrouw stelt onder verwijzing naar het overzicht dat door haar als productie 50 in het geding is gebracht, dat de man een viertal onroerende goederen op zijn naam heeft staan in Frankrijk. De vrouw is van mening van de man hiertoe inzage dient te verschaffen in de datum van de verkrijging van de onroerende goederen en stelt dat deze onroerende goederen tot de huwelijksgoederengemeenschap zou kunnen behoren. De man betwist dat de onroerende goederen op zijn naam staan. De man heeft een uittreksel uit het kadaster overgelegd (productie 41) waaruit volgens hem blijkt dat twee percelen op de naam zijn ouders staan. De overige twee percelen zijn onderdeel van de onverdeelde nalatenschap van de grootmoeder van de man. De man is echter geen erfgenaam van zijn grootmoeder.
5.33
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd dat de percelen/onroerend goed op de peildatum in eigendom van de man waren. De man heeft als productie 41 een uittreksel uit het kadaster overgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft de man hiermee voldoende betwist dat hij eigenaar is van de percelen. Het hof ziet dan ook onvoldoende aanleiding om, zoals door de vrouw verzocht, een tussenbeschikking te wijzen waarin de man wordt veroordeeld tot in het geding brengen van meer bewijsstukken, nu hij dit reeds al heeft gedaan. Het hof zal de verzoeken van de vrouw ten aanzien van dit punt dan ook afwijzen.
Spaarrekeningen
5.34
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw dat de man inzicht dient te verschaffen in alle bank- en spaarrekeningen van de afgelopen tien jaar, overweegt het hof als volgt. Uit artikel 1:83 BW Pro en de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de man desgevraagd inlichtingen verschaffen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden. Echtgenoten zijn niet verplicht om elkaar rekening en verantwoording af te leggen. De aard van het huwelijk verzet zich daar tegen. Het hof wijst de verzoeken van de vrouw in dit kader dan ook af.
Auto’s
5.35
De vrouw grieft tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde van de auto’s. Het hof overweegt als volgt. Nu de toedeling van de auto’s aan de vrouw in hoger beroep niet in het geding is, heeft de datum van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg te gelden als peildatum voor de waardering van de auto’s (ECLI:NL:HR:2023:1772). Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden de waarde van de auto’s in redelijkheid schattenderwijs heeft vastgesteld op het gemiddelde van de door beide partijen gestelde waarden. De grief van de vrouw treft derhalve geen doel. Het hof bekrachtigt de rechtbank op dit punt.
Ouderdomspensioen
5.36
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat partijen over en weer de financiële gegevens hebben overgelegd en geen behoefte meer heeft aan de (eventuele) benoeming van een deskundige. De vrouw trekt derhalve haar verzoeken onder XII en XIII en de bijbehorende grieven, in. De man heeft ter zitting zijn verzoek onder d. ingetrokken. Deze intrekking heeft tot gevolg dat de door de vrouw en de man aangevoerde grieven ten aanzien van de verzoeken niet meer behoeven te worden behandeld omdat er op dit punt geen beslissing van het hof (meer) wordt gevraagd.
5.37
De vrouw heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de man in incidenteel appel, zijnde om vast te stellen dat de man jegens de vrouw recht heeft op uitbetaling van het in artikel 3 WVPS Pro bepaalde deel van het door de vrouw opgebouwde pensioen van de vrouw en derhalve de vrouw te veroordelen om maandelijks dat deel van het pensioen aan de man af te dragen vanaf het moment van ingaan van haar pensionering. Nu de vrouw hiermee heeft ingestemd zal het hof deze overeenstemming in het dictum opnemen.
Proceskosten
5.38
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure compenseert het hof de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat ieder de eigen proceskosten draagt.
5.39
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Aangehechte berekeningen
5.4
Het hof heeft in het kader van de partneralimentatie berekeningen opgesteld. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.

6.De beslissing

Het hof,
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap ten aanzien van het appartement in [plaats] , Oekraïne, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man, met ingang van 8 augustus 2025, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 578,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw hetgeen zij eventueel te veel heeft ontvangen niet behoeft terug te betalen;
bepaalt de door de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, voor de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal betalen een bedrag van € 3.526,- per maand, telkens bij voorruitbetaling te voldoen;
wijst het inleidend verzoek van de man ten aanzien van de verdeling van het appartement in [plaats] , Oekraïne, af;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt in aanvulling op de bestreden beschikking dat de man jegens de vrouw recht heeft op uitbetaling van het in artikel 3 WVPS Pro bepaalde deel van het door de vrouw opgebouwde pensioen van de vrouw en veroordeelt de vrouw om maandelijks dat deel van het pensioen aan de man af te dragen vanaf het moment van ingaan van haar pensionering;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte in hoger beroep af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, A.N. Labohm en L. Koper, bijgestaan door mr. M.J. Meeusen als griffier en is op 15 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Bijlage I
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
10.904
#
Indexeren
ja
Startjaar
2025
Eindjaar
2026
Netto behoefte geïndexeerd
11.406
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
11.406
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
3.24
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
3.24
Netto aanvullende behoefte
8.166
Bruto aanvullende behoefte
15.201
Bijlage II
Partij
[de man]
Berekening
Partneralimentatie
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
08-04-2026
Netto inkomen (1-8)
1
Netto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking/ambtelijk inkomen
16.491
7
Ander netto inkomen
8
Totaal netto inkomen
16.491
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie (8b-21)
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
8b
Netto inkomen tbv partneralimentatie
16.491
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
9
Kosten van levensonderhoud
1.31
10a
Werkelijke woonlasten
5.637
20
Extra lasten opnemen
1.174
21
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
8.121
22
Draagkrachtruimte
8.37
Specificaties voor post: 20 (Optellen)
Dependent allowance
10.872
jaar
Education allowance
3.216
jaar
Draagkrachtruimte (22-25)
22
Draagkrachtruimte
8.37
23
Beschikbaar voor partneralimentatie
5.022
25
Beschikbaar voor partneralimentatie
5.022
Alimentatie (26-27)
26
Kinderalimentatie
-
1.651
27
Beschikbaar voor partneralimentatie zonder toerekening van belastingvoordeel
3.371