Uitspraak
1.Waar het in deze zaak om gaat
2.Procesverloop
3.De aanvraag tot herziening
4.De conclusie van de advocaat-generaal
5.Bewezenverklaring en bewijsvoering
6.Aan de beoordeling van de herzieningsaanvraag voorafgaande beschouwing
Resultaten van nader onderzoek zoals bedoeld in artikel 463 lid 1 Sv Pro
Aan de aanvraag is een deel van de resultaten van het nader onderzoek ten grondslag gelegd. De aanvraag steunt niet op andere resultaten van het nader onderzoek, bijvoorbeeld het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) van 20 augustus 2015 dat is opgemaakt door prof. dr. A.D. Kloosterman en ing. M.J. van der Scheer en het rapport van 2 oktober 2017 van dr. J. Whitaker BSc PhD MCSFS. Dit roept de vraag op of en, zo ja, in hoeverre de Hoge Raad acht kan slaan op resultaten van nader onderzoek waarop in de herzieningsprocedure niet door de aanvrager zelf een beroep wordt gedaan.
Allereerst moet de in de herzieningsaanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport opgenomen informatie betrekking hebben op de kennis en ervaring van de deskundige op het betreffende vakgebied. Verder is de onderbouwing van de nieuwheid van het inzicht van de deskundige van belang. Die onderbouwing moet daarbij betrekking hebben op de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (a) ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (b) een beoordeling van ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (c) een ander deskundig oordeel over de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting al bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek op de terechtzitting al bekende feiten en omstandigheden. Bovendien moet de onderbouwing betrekking hebben op de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen.
De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, is niet voldoende om het voor herziening vereiste ernstige vermoeden te wekken. (Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736, rechtsoverweging 4.3.1.)
7.Beoordeling van de eerste herzieningsgrond
De aangevoerde herzieningsgrond
Het hof heeft het verweer over het alternatieve scenario verworpen en in dat verband onder meer overwogen dat van de gestelde “bijzondere weersomstandigheden niet is gebleken”.
In het rapport wordt verder het volgende gesteld over het scenario dat de aanvrager reed op een gedeelte van de A28, terwijl wordt uitgegaan van “optimale omstandigheden voor versterking van het signaal door ducting”. Ook dan is volgens het rapport de “waarschijnlijkheid van het tot stand komen van een gesprek op de avond van de 23e september 1999 tussen het mobiele toestel van de [aanvrager] (...) en de vaste telefoonaansluiting van het slachtoffer (...) en de afwikkeling daarvan via basisstation 14501 te Deventer (...) niet hoger dan 5%”. Volgens het rapport is, in het geval dat de mobiele telefoon zich in de nabijheid van basisstation 14501 (binnen de zogenoemde ‘Service Cell’) in Deventer heeft bevonden, “de waarschijnlijkheid op een verbinding groter dan 90%”.
Het betreft in de eerste plaats een resultaat van een onderzoek naar “beschikbare calling channels van gsm-basisstations” tijdens een testrit langs de route die de aanvrager zegt te hebben gereden in de avond van 23 september 1999, vanaf Utrecht naar zijn woonadres in [plaats] . In het dossier van de strafzaak is niet terug te vinden dat tijdens de testrit opeenvolgend contact is gemaakt met basisstations in [plaats] met tussendoor een contact met een basisstation in Donk, “qua afstand een extreme uitschieter” van ongeveer 108 kilometer.
In het dossier van de strafzaak ontbreekt in de tweede plaats een lijst met ruwe onderzoeksresultaten, waarin is vermeld dat bij een onderzoek dat tijdens een testrit is gedaan naar beschikbare ‘calling channels’ midden in een reeks basisstations in Harderwijk een basisstation in Willeskop is geregistreerd dat ongeveer 61 kilometer van het voorgaande basisstation lag.
Uit de onder 7.3.6 bedoelde schriftelijke beantwoording volgt dat de opstellers van het CCT-rapport in dit verband doelen op de inschatting die destijds door de politie is gemaakt. Het gaat om de “aannemelijkheid” van de verklaring van de aanvrager over de locatie van het telefoongesprek “in het licht van de eerdere ogenschijnlijke onmogelijkheid”, nu destijds de verklaring van de aanvrager door de politie als “onjuist werd bestempeld”.
8.Beoordeling van de tweede herzieningsgrond
9.Beoordeling van de derde herzieningsgrond
De aangevoerde herzieningsgrond
Tot deze rapporten behoort onder meer een rapport van het NFI van 19 mei 2006 dat is opgemaakt door Kloosterman en Van der Scheer, waarin onder meer is gemeld dat bij aanvullend DNA-onderzoek een – nog niet bij eerdere onderzoeken getraceerd – bloedspoor ARA852#42 op de kraag van de blouse is aangetroffen, dat overeenkomt met het DNA-profiel van de aanvrager. Daarnaast is een rapport uitgebracht door het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek te Leiden van 11 september 2006 dat is opgesteld door prof. dr. P. de Knijff, waarin is gerelateerd – zoals ook in de conclusie van de advocaat-generaal onder 200 is weergegeven – dat in bemonsteringen van de afgeknipte nagels van het slachtoffer Y-chromosomale DNA-kenmerken zijn waargenomen die telkens overeenkomen met de betreffende kenmerken in het Y-chromosomale DNA-profiel van de aanvrager.
Verder gaat het om een rapport van het NFI van 20 augustus 2015 dat is opgemaakt door Kloosterman en Van der Scheer (hierna ook: het NFI-rapport van 2015) en een rapport van 2 oktober 2017 van Whitaker (zie bijlage onder 8 en 9).
In het rapport van Whitaker wordt, in overeenstemming met het door de verdediging geschetste zakelijkcontact-scenario, uitgegaan van de volgende omstandigheden waarin het contact tussen de aanvrager en het slachtoffer plaatsvond: “[aanvrager] was suffering from hay fever symptoms and had a tendency to spit more than the average person when speaking. He also had a habit of peeling away loose skin around his fingernails which possibly resulted in bloody edges around the nails.” Uitgaande van deze omstandigheden komt Whitaker tot eenzelfde conclusie als het NFI-rapport van 2015, namelijk dat sprake is van “very strong support for the deathly violence proposition (...) rather than the social interaction proposition”.
(i) bij de standaardmethoden die indertijd door het NFI werden gehanteerd, moeten minimaal 200 cellen zijn overgebracht voor het verkrijgen van een bruikbaar DNA-profiel van huidcellen;
(ii) bij een zakelijk, oppervlakkig contact zal in het algemeen minder dan deze hoeveelheid cellen worden overgedragen;
(iii) bij het met de ‘crimescope’ bekijken van de sporen die zijn aangetroffen in de lichtrode substantie op de blouse van het slachtoffer is geen indicatie verkregen voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen zoals sperma, speeksel of zweet, waarbij deze resultaten en het vermoedelijke mechanisme waarmee de sporen in de lichtrode substantie zijn aangebracht, enige steun geven aan de aanname dat het aldaar aangetroffen celmateriaal afkomstig is van huidcellen.
In het NFI-rapport van 2015 wordt op zichzelf afstand genomen van de aanname van Eikelenboom “dat de overdracht van ongeveer 200 cellen niet optreedt bij zakelijke contacten”. Maar dat heeft, aldus dit rapport, “geen gevolgen voor de conclusie” van het door Eikelenboom opgemaakte rapport. Van belang daarbij is dat onverkort geldt dat “van de bemonsteringen van de blouse bruikbare DNA-profielen zijn verkregen die matchen met het DNA-profiel van de veroordeelde. De kans dat bij een contactspoor voldoende DNA is overgedragen voor het verkrijgen van een dergelijk resultaat is groter van een locatie waar intensief contact heeft plaatsgevonden dan van een locatie waar een oppervlakkig contact heeft plaatsgevonden.”
Daarnaast volgt uit de onder 5.3 weergegeven bewijsoverwegingen dat het hof zijn bewijsoordeel mede heeft gebaseerd op het totale sporenbeeld, waaronder de omstandigheid dat op veel verschillende plaatsen (rechterschouder, achterzijde kraag, achterzijde revers en rechtervoorpand) van de aanvrager afkomstig DNA is aangetroffen, terwijl één van de sporen zich slechts op enkele centimeters bevond van een aan het slachtoffer toegebrachte steekwond.
10.Beoordeling van de vierde herzieningsgrond
De aangevoerde herzieningsgrond
In de beschikking wordt verder overwogen dat [verbalisant 3] heeft verklaard de blouse retour te hebben ontvangen van het NFI en dat in 2000 goederen zijn verplaatst naar Deventer, terwijl volgens de aanvrager verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij in 1999 de blouse geretourneerd had gekregen van het NFI en dat de verplaatsing van goederen in 2001 zou hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof in deze beklagprocedure volgt hieruit alleen dat er discrepanties tussen deze verklaringen bestaan, maar zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de verklaringen van [verbalisant 3] onjuist zijn.
Het CCT-rapport houdt onder meer in dat in 1999 bij het forensisch onderzoek op verschillende momenten foto’s zijn gemaakt van het slachtoffer, zowel op de plaats van het delict, in het mortuarium als bij de sectie, en dat op die foto’s verschillen waarneembaar zijn wat betreft het bloedbeeld op de blouse en de stand van de knopen van de blouse. Van belang hierbij is dat het slachtoffer gekleed is vervoerd naar het mortuarium en naar de plaats waar de sectie heeft plaatsgevonden, waarbij bloed en lichaamsvloeistoffen van het slachtoffer kunnen zijn vrijgekomen.
Het rapport houdt verder in dat (i) de blouse enige tijd niet voorhanden lijkt te zijn geweest, waardoor de ‘chain of custody’ (mogelijk) is onderbroken, en dat (ii) onder meer volgens de foto’s de integriteit van dit bewijsstuk ernstig is aangetast, waarmee de criminalistische waarde van de blouse als “laag” wordt beoordeeld. Daarnaast vermeldt het CCT-rapport dat het Gerechtelijk Laboratorium de blouse van het slachtoffer gekreukeld noemt. Een bij de aanvraag overgelegd document, met daarin antwoorden van de opstellers van het CCT-rapport op vragen van de zijde van de aanvrager (zie bijlage onder 4), houdt onder meer in dat het kreukelen zou kunnen betekenen dat de blouse “verfrommeld is verpakt”. Volgens die antwoorden zouden als gevolg hiervan “eventuele bloed- en andere DNA-sporen gestempeld kunnen worden waardoor het sporenbeeld zou kunnen veranderen en daarmee ook de interpretatie”.
Het hof heeft in zijn uitspraak van 9 februari 2004 bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal acht geslagen op rapporten van het NFI waarvan de opstellers van het CCT-rapport geen kennis hebben genomen, namelijk het als bewijsmiddel 7 gebruikte rapport van 19 januari 2004, opgemaakt door Kloosterman, en het als bewijsmiddel 9 gebruikte rapport van 22 januari 2004, opgemaakt door Eikelenboom. Die rapporten zijn in 2007 beoordeeld door de DNA-deskundige dr. A.M.T. Linacre BSc DPhil RFP (zie bijlage onder 19). De conclusie van dit rapport is dat het door het NFI verrichte onderzoek aan de blouse “is comprehensive in the extreme”.
Ook andere rapporten ondersteunen de conclusies van het hof, waarbij in de betreffende onderzoeken rekening is gehouden met de in het CCT-rapport genoemde risicofactoren. Volgens het rapport van Whitaker geldt voor de resultaten van het DNA-onderzoek dat “where results have been recorded, they are all clearly demonstrable and can be unambiguously defined and as such are of a suitable quality for comparison purposes and for forming conclusions.” Volgens het rapport van het NFI van 19 mei 2006 (zie bijlage onder 18) geldt voor een aantal sporen die op het linker voorpand van de blouse zijn aantroffen, dat deze niet in de oorspronkelijke situatie aanwezig zijn en daarom niet delictgerelateerd zijn. Uit dat rapport blijkt dat die sporen “niet [zijn] veiliggesteld ten behoeve van het DNA-onderzoek”.
Wat betreft het sporenmateriaal van de aanvrager dat op de blouse is aangetroffen in spoor #10, vermeldt het NFI-rapport van 2015 (zie bijlage onder 8) naar aanleiding van de door de verdediging gedane suggestie dat dit spoor pas na het delict is ontstaan, dat dit alleen mogelijk zou zijn “als een bron van vloeibaar bloed van de veroordeelde aanwezig is geweest”, waarbij de bron van vloeibaar bloed zich zou hebben bevonden “op de blouse of op items waarmee de blouse na het delict fysiek contact heeft gehad”. Volgens het rapport is hier geen enkele aanwijzing voor gevonden en is daarom een door de verdediging gesuggereerd overdrachtsmechanisme na het delict zeer onwaarschijnlijk.
Het rapport houdt verder in dat weliswaar nieuwe (verdunde) bloedsporen op de blouse zijn ontstaan na het fotograferen van het slachtoffer, waarbij het gewonde lichaam van het slachtoffer de bron was van de nieuwe bloedsporen. Dat kan gebeurd zijn tijdens het transport en/of het ontkleden van het slachtoffer. Voor het DNA dat niet afkomstig is van het slachtoffer (dus lichaamsvreemd) geldt echter dat de betreffende DNA-sporen niet door de genoemde handelingen met het geklede lichaam kunnen zijn ontstaan “omdat een DNA-bron hiervoor ontbreekt”. Volgens het rapport is verder van belang dat het DNA dat afkomstig kan zijn van de aanvrager, “is aangetroffen op locaties waar zich geen verdund (uitgelopen) bloed of lichaamsvloeistoffen bevonden”. Dit betekent volgens de rapporteurs “dat dit DNA daar niet door verplaatsing van dit lichaamsmateriaal terecht kan zijn gekomen.” Verder houdt dit rapport nog het volgende in:
Gelet op wat onder 10.3.5 en 10.3.6 is overwogen en wat onder 9.2 aan de orde is gekomen over de mogelijkheid van overdracht tijdens een zakelijk contact, is wat in de aanvraag wordt aangevoerd, onvoldoende voor de slotsom dat het hof op deze punten tot een ander oordeel zou zijn gekomen.
11.Slotbeschouwing en conclusie
12.Beslissing
19 december 2023.