Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 30 november 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2022 (hierna: het vonnis of het bestreden vonnis);
- de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;
- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] Ltd., met een bijlage;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellant], met bijlagen;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 9 juli 2024 en de voortzetting daarvan op 11 september 2024.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Rechtsmacht en toepasselijk recht
- [naam 4] heeft € 75.000,- aan contanten gestort op zijn privérekening bij de Bank of China in Hong Kong en dat bedrag vervolgens op 29 maart 2006 vanaf die rekening overgemaakt naar vorenbedoelde rekening van [geïntimeerde] Ltd. bij HSBC bank. Hierop is een bedrag van € 5,39 aan kosten ingehouden, zodat voor [geïntimeerde] Ltd. een bedrag van € 74.994,61 overbleef. [appellant] heeft in dat verband toegelicht dat hij nadien weliswaar gebrouilleerd is geraakt met [naam 4], maar dat zij dat destijds nog niet waren.
- [appellant] heeft van de opgenomen gelden zelf € 50.000,- en € 20.000,- in contanten gestort op zijn privérekening bij HSBC in Hong Kong (met nummer [rekeningnummer 1]) en vervolgens op dezelfde dag vanaf die rekening € 68.000,- overgemaakt naar vorenbedoelde rekening van [geïntimeerde] Ltd.
- [appellant] heeft van dat bedrag ook € 50.000,- in contanten gestort op zijn privérekening bij de Bank of China in Hong Kong en op 13 april 2006 vanaf die rekening naar diezelfde rekening van [geïntimeerde] Ltd. overgemaakt.
Enkele dagen na de laatste overboeking heeft [geïntimeerde] Ltd. vanaf haar rekening bij HSBC een bedrag van € 190.816,04 overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de Nederlandse notaris die betrokken was bij de levering van het onroerend goed, aldus nog steeds [appellant].
acknowledgement) van een betalingsinstructie aan HSBC. [geïntimeerde] Ltd. betwist de echtheid van deze stukken. Zij stelt dat [appellant] niet schroomt om stukken in zijn eigen voordeel te bewerken en dat, gelet op het feit dat [appellant] de originele bankafschriften niet heeft gedeponeerd bij het hof, niet uitgesloten kan worden dat dit ook bij deze stukken is gebeurd en dat de rekening bij HSBC met nummer [rekeningnummer 1] mogelijk niet op naam van [appellant] staat.
mogelijkhet geval is, niet concreet gemaakt en onderbouwd. Het hof gaat er daarom vanuit dat [appellant] op 2 maart 2006, dus enkele dagen na oprichting van [geïntimeerde] Ltd., een bedrag van € 200.000,- aan contant geld tot zijn beschikking had.
acknowlegdementvan overboeking van HSBC, gedateerd op 29 maart 2006, staat dat op dezelfde dag opdracht is gegeven om vanaf diezelfde rekening eenzelfde bedrag over te maken naar de hiervoor bedoelde rekening van [geïntimeerde] Ltd. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat het door [geïntimeerde] Ltd. op 29 maart 2006 ontvangen bedrag van € 68.000,- (zie hiervoor) afkomstig is van [appellant]. In het
acknowledgementstaat bij “my notes” dat het gaat om een “Loan”. Dit is een duidelijke aanwijzing dat het bedrag van € 68.000,- is geleend aan [geïntimeerde] Ltd. Weliswaar is deze opmerking afkomstig van [appellant] en is een geldleningsovereenkomst een meerzijdige rechtshandeling, maar daar staat tegenover dat [geïntimeerde] Ltd. ook in hoger beroep geen andere verklaring voor de betaling heeft gegeven. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] Ltd., die destijds nog werd bestuurd door [naam 1], bij ontvangst van die som heeft geprotesteerd tegen die kwalificatie.
haar moederde rest heeft aangevuld om het huis te kunnen kopen. Voor zover [geïntimeerde] Ltd. zich verder beroept op het stortingsbewijs van de bank van [naam 4], geldt dat de hierin handgeschreven tekst “lening 28-03-06” niet eenduidig is en dat hiermee ook een lening van [appellant] aan [geïntimeerde] Ltd. kan zijn bedoeld. De stelling van [geïntimeerde] Ltd. vindt ook geen steun in andere stukken, zoals een schriftelijke overeenkomst van geldlening of correspondentie tussen [naam 4] en [naam 1]. [geïntimeerde] Ltd. (in de persoon van haar bestuurder [naam 1]) heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd niet betwist dat [appellant] en [naam 4] pas na de hier beoordeelde feiten gebrouilleerd zijn geraakt. Mede gelet op omstandigheid dat [appellant] op 2 maart 2006 een met het hier besproken bedrag overeenstemmend bedrag van € 75.000,- heeft opgenomen, heeft [geïntimeerde] Ltd. onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een lening van [appellant]. Dat [appellant] in de inleidende dagvaarding betoogde dat hij het geld zelf had overgeboekt, maakt dit niet anders. Volgens [appellant] bleek dat hij zich had vergist, toen hij kennis nam van het door [geïntimeerde] Ltd. overgelegde stortingsbewijs. Gezien het tijdsverloop en het feit dat [appellant] al met [naam 4] was gebrouilleerd toen hij de onderhavige procedure startte en daarom de gang van zaken niet bij [naam 4] kon verifiëren, is een dergelijke vergissing niet onvoorstelbaar.
7.Beslissing
- laat [geïntimeerde] Ltd. toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stellingen van [appellant] dat hij een bedrag van € 192.994,61 heeft geleend aan [geïntimeerde] Ltd. en dat de verbintenis tot terugbetaling van die lening een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW Pro;
- bepaalt dat, indien [geïntimeerde] Ltd. getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 in Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. H.M.H. Speyart van Woerden, op een nader vast te stellen datum en tijdstip;
- verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2026 voor opgave door partijen van hun respectieve verhinderdata over de maanden april tot en met september 2026 en de namen van de te horen getuigen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.