ECLI:NL:GHDHA:2026:143

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.320.549/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 6:89 BWArt. 7:129 BWArt. 7A:1791 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over terugbetaling geldlening en inzage administratie vennootschap

Appellant vordert terugbetaling van een bedrag van €192.994,61 dat hij stelt te hebben geleend aan geïntimeerde Ltd. voor de aankoop van een onroerend goed. De rechtbank oordeelde dat slechts één transactie als geldlening kon worden aangemerkt en veroordeelde geïntimeerde Ltd. tot terugbetaling van dat bedrag. In hoger beroep acht het hof voorshands bewezen dat appellant het volledige bedrag heeft geleend en laat het hof geïntimeerde Ltd. toe tot het leveren van tegenbewijs.

De procedure kent een internationaal karakter, waarbij de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Het hof behandelt bezwaren over verjaring, rechtsverwerking en klachtplicht en verwerpt deze. Het hof oordeelt dat de geldlening een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd betreft, waardoor de verjaringstermijn pas aanving bij opeising in 2021.

Verder wordt de vordering tot afgifte van de volledige administratie van geïntimeerde Ltd. gehandhaafd, met een verlaging van de dwangsom tot een maximum van €25.000,-. Het hof verwijst de zaak voor getuigenverhoren en verdere bewijslevering en houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: Het hof acht voorshands bewezen dat appellant een geldlening van €192.994,61 aan geïntimeerde Ltd. heeft verstrekt, staat tegenbewijs toe en handhaaft de vordering tot inzage van de administratie met matiging van de dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.320.549/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/611953/ HA ZA 21-461
Arrest van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.F.M. Broos, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
[geïntimeerde] International Investment Limited,
gevestigd in Hong Kong,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. B.A. Boer, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] Ltd. of de vennootschap.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] stelt dat hij een bedrag van € 192.994,61, verdeeld over drie transacties, aan [geïntimeerde] Ltd. heeft geleend en vordert terugbetaling. De rechtbank heeft geoordeeld dat van slechts één transactie kan worden aangenomen dat sprake is van een geldlening en heeft [geïntimeerde] Ltd. veroordeeld tot terugbetaling hiervan. Voor de andere transacties bestaat naar het oordeel van de rechtbank ook geen andere rechtsgrond waaruit betaling voor [geïntimeerde] Ltd. voortvloeit.
1.2
Het hof acht in dit hoger beroep voorshands bewezen dat [appellant] het volledige bedrag heeft geleend aan [geïntimeerde] Ltd. en laat [geïntimeerde] Ltd. toe tot het leveren van tegenbewijs.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 november 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2022 (hierna: het vonnis of het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;
  • de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] Ltd., met een bijlage;
  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellant], met bijlagen;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 9 juli 2024 en de voortzetting daarvan op 11 september 2024.
2.2
Op 27 november 2025 heeft een meervoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Met inachtneming van hetgeen [geïntimeerde] Ltd. in haar eerste incidentele grief heeft opgemerkt over de feitenvaststelling en voor zover relevant en verder niet betwist, gaat het hof van het volgende uit.
3.2
Op 28 februari 2006 is [geïntimeerde] Ltd. opgericht, een vennootschap naar het recht van Hong Kong die zich bezig houdt met beleggingsactiviteiten. Een zus van [appellant], mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1]), verkreeg 95 procent van de aandelen in de vennootschap en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]), neef van [appellant] en [naam 1], verkreeg 5 procent van de aandelen. [naam 1] is bij oprichting ingeschreven in de (handels)registers in Hong Kong als bestuurder van [geïntimeerde] Ltd.
3.3
In april 2006 heeft [geïntimeerde] Ltd. de woning aan de [adres] (hierna: het onroerend goed) gekocht en geleverd gekregen.
3.4
In 2009 heeft [appellant] zich in de plaats van [naam 1] laten inschrijven als aandeelhouder en bestuurder van [geïntimeerde] Ltd. in de (handels)registers in Hong Kong en Nederland. Op vordering van [naam 1] heeft de rechtbank Den Haag bij vonnis van 11 maart 2020 [appellant], op straffe van een dwangsom, geboden om zich bij deze registers uit te laten schrijven als bestuurder dan wel director en te erkennen dat hij geen aandeelhouder is, en om [naam 1] te laten inschrijven als bestuurder dan wel director van [geïntimeerde] Ltd. [appellant] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
3.5
Op enig moment is een huurovereenkomst gesloten tussen [geïntimeerde] Ltd. en de heer [naam 3] (hierna: [naam 3]). In een eindvonnis van 23 augustus 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag [naam 3] veroordeeld om € 650,- per maand aan [geïntimeerde] Ltd. te betalen voor de huur van het onroerend goed.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] Ltd. gedagvaard en gevorderd haar te veroordelen tot betaling van € 192.994,61 uit hoofde van terugbetaling van een geldleningsovereenkomst, onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking, met rente, beslagkosten en veroordeling in de proceskosten.
4.2
[appellant] heeft daartoe aangevoerd dat hij in 2006 € 192.994,61 aan [geïntimeerde] Ltd. heeft geleend voor de aankoop van het onroerend goed. Omdat er geen terugbetalingsafspraken zijn gemaakt en [appellant] (als gewezen bestuurder) geen zeggenschap meer heeft over de vermogensbestanddelen in de vennootschap (en het tijdstip van terugbetaling), is de geldlening volgens hem onmiddellijk opeisbaar. Als er geen sprake is van een geldlening, dan heeft hij genoemd bedrag naar eigen zeggen onverschuldigd betaald dan wel is [geïntimeerde] Ltd. voor dit bedrag ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van hem.
4.3
[geïntimeerde] Ltd. heeft op haar beurt gevorderd (in reconventie en bij wege van incidentele vordering als voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro) om [appellant] te veroordelen tot afgifte van de volledige administratie van [geïntimeerde] Ltd., in ieder geval vanaf 27 mei 2009, op straffe van een dwangsom. Daarnaast heeft zij gevorderd, op voorwaarde dat uit haar administratie volgt dat de huur van het onroerend goed niet aan haar ten goede is gekomen, betaling van een bedrag van € 33.150,- aan huurpenningen, met rente en veroordeling in de proceskosten.
4.4
[geïntimeerde] Ltd. legt hieraan ten grondslag dat uit het vonnis van 11 maart 2020 volgt dat [appellant] onrechtmatig het beheer over de vennootschap heeft gevoerd als ware hij bestuurder, en dan ook over de administratie beschikt. [geïntimeerde] Ltd. wenst afgifte van de volledige administratie inclusief bankpassen en afschriften, zodat zij kan nagaan wat zich binnen de onderneming heeft afgespeeld en zich kan verweren tegen vorderingen van derden. Daarnaast wenst zij duidelijk te krijgen waar het vermogen van de vennootschap zich bevindt en inzage in de opbrengst van de huurpenningen. Volgens [geïntimeerde] Ltd. zijn niet alle huurpenningen ten goede gekomen aan de vennootschap, maar heeft [appellant] deze op zijn privérekening laten storten. [appellant] moet deze terugbetalen.
4.5
De rechtbank heeft [geïntimeerde] Ltd. in het bestreden vonnis veroordeeld om een bedrag van € 68.000,-, met rente, te betalen aan [appellant]. [appellant] is op zijn beurt veroordeeld om de volledige administratie van [geïntimeerde] Ltd., in ieder geval vanaf 27 mei 2009, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis af te geven aan [geïntimeerde] Ltd., op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag (of een gedeelte daarvan), tot een maximum van € 250.000,-. Ook is [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 32.250,-, met rente, aan huurpenningen aan [geïntimeerde] Ltd. De rechtbank heeft de proceskosten in conventie en reconventie gecompenseerd en de opgelegde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellant] is in hoger beroep gekomen en wil dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn vorderingen alsnog volledig toewijst en de vorderingen van [geïntimeerde] Ltd. alsnog volledig afwijst en [geïntimeerde] Ltd. veroordeelt in de proceskosten.
5.2
[geïntimeerde] Ltd. eist in incidenteel hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover zij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 68.000,- (met rente) en de proceskosten zijn gecompenseerd en de vordering van [appellant] alsnog afwijst en hem veroordeelt in de proceskosten.

6.Beoordeling in hoger beroep

Rechtsmacht en toepasselijk recht

6.1
Het hof stelt vast dat [appellant] in Nederland woont en [geïntimeerde] Ltd. statutair gevestigd is in Hong Kong, zodat de zaak een internationaal karakter heeft, en ambtshalve moet worden getoetst of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil en, zo ja, welk recht van toepassing is.
6.2
De internationale bevoegdheid moet in dit geval worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening (hierna: Brussel I bis) [1] . Het gaat namelijk om een burgerlijke en handelszaak (zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 Brussel Pro I bis) en de vordering van [appellant] is ingesteld na 10 januari 2015 (artikel 66 Brussel Pro I bis). In artikel 63 lid 1 Brussel Pro I bis is bepaald dat rechtspersonen of vennootschappen voor de toepassing van deze verordening woonplaats hebben op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hoofdvestiging. Het hoofdbestuur en de hoofdvestiging van [geïntimeerde] Ltd. bevinden zich volgens haar in Nederland. Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis (woonplaats gedaagde) bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. [geïntimeerde] Ltd. betwist dit overigens ook niet.
6.3
Het hof stelt vast dat geen van partijen bezwaar heeft gemaakt tegen het in de beoordeling van de rechtbank besloten liggende oordeel dat hun vorderingen over en weer worden beheerst door Nederlands recht. Daarmee staat dat vast.
Omvang van het hoger beroep
6.4
[appellant] heeft vier bezwaren (grieven) tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Met deze bezwaren komt hij op tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering (grieven 1 en 2) en de aan hem opgelegde veroordeling tot afgifte van de administratie (grieven 3 en 4). Hij heeft niet geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat hij (na verrekening) een bedrag van € 32.350,- (excl. rente) aan huurpenningen is verschuldigd aan [geïntimeerde] Ltd. [geïntimeerde] Ltd. heeft zich er op haar beurt niet over beklaagd dat niet het volledige bedrag aan huurpenningen is toegewezen. Het hoger beroep strekt zich daarom niet uit over deze vordering van [geïntimeerde] Ltd. De vijf bezwaren (incidentele grieven) van [geïntimeerde] Ltd. tegen het bestreden vonnis zijn gericht tegen de feitenvaststelling (grief 1), de afwijzing van haar beroep op verjaring, rechtsverwerking en schending van de klachtplicht (grief 2), de toewijzing van € 68.000,- (grieven 3 en 4) en de compensatie van de proceskosten (grief 5). Dit betekent dat in hoger beroep het volledige door [appellant] gevorderde bedrag voorligt, alsmede de vordering van [geïntimeerde] Ltd. tot afgifte van de administratie en de proceskosten van de eerste aanleg.
Feitenvaststelling
6.5
Met haar eerste incidentele grief richt [geïntimeerde] Ltd. zich tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Deze grief behoeft geen afzonderlijke beoordeling. Het hof heeft hiervoor onder 2. zelf de feiten vastgesteld, waar van belang met inachtneming van de bezwaren van [geïntimeerde] Ltd.
Vordering tot betaling van € 192.994,61
Verjaring
6.6
[geïntimeerde] Ltd. voert ook in hoger beroep als meest verstrekkend verweer dat de vordering van [appellant] uit hoofde van geldlening is verjaard en dat, mocht dit verweer niet slagen, [appellant] zijn rechten heeft verwerkt en/of de klachtplicht van artikel 6:89 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft geschonden, zodat zijn recht om een vordering in te stellen tegen [geïntimeerde] Ltd. is vervallen.
6.7
Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde] Ltd. dat [appellant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen verweer tegen verjaring toekomt omdat hij nog niet de volledige administratie van [geïntimeerde] Ltd. heeft afgegeven. Voor zover [geïntimeerde] Ltd. daarmee bedoelt te stellen dat zij hierdoor wordt geschaad in haar bewijspositie, valt niet in te zien dat dit ook geldt voor haar mogelijkheden om een beroep te doen op verjaring. [geïntimeerde] Ltd. heeft dit onvoldoende concreet toegelicht en onderbouwd. Voor zover zij iets anders bedoelt, heeft zij dat onvoldoende uitgewerkt.
6.8
Wat betreft het beroep van [geïntimeerde] Ltd. op verjaring is in eerste instantie artikel 3:307 BW Pro van belang. Hierin is verjaring van een vordering tot nakoming van een overeenkomst tot een geven of een doen geregeld. [appellant] vordert namelijk primair nakoming van de door hem gestelde geldleningsovereenkomst. Artikel 3:307 lid 1 BW Pro bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Lid 2 van die bepaling schrijft voor dat de in lid 1 bedoelde termijn in geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd pas loopt van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en dat de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.[geïntimeerde] Ltd. komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hier artikel 3:307 lid 2 BW Pro van toepassing is. Daartoe voert zij aan dat de absolute verjaringstermijn van twintig jaar alleen geldt wanneer sprake is van onbekendheid met de vordering. Dat is hier volgens haar niet het geval. Zij wijst erop dat [appellant] stelt dat hij haar geld heeft uitgeleend, zodat hij hiervan vanaf het begin – 2006 volgens zijn eigen stellingen – op de hoogte was. Zij heeft voorts gesteld dat er volgens [appellant] geen tijd voor nakoming is afgesproken. [appellant] had dan ook volgens [geïntimeerde] Ltd. op elk moment om terugbetaling kunnen vragen. Omdat het zou gaan om een geldlening aan een vennootschap, is sprake van een zakelijke overeenkomst. In de aard van deze overeenkomst ligt niet besloten dat de geldlening niet op korte termijn zal worden opgeëist en dat de terugbetalingsverbintenis daarom kan worden aangemerkt als een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. [appellant] heeft voor het eerst in 2021 met het uitbrengen van de dagvaarding aanspraak gemaakt op terugbetaling, terwijl hij dat volgens [geïntimeerde] Ltd. binnen vijf jaar te rekenen vanaf 2009 had moeten doen toen hij volgens zijn stelling aandeelhouder en bestuurder van [geïntimeerde] Ltd. zou zijn geworden.
6.9
[appellant] betwist dat zijn vordering is verjaard. Hij stelt dat partijen geen tijdstip van terugbetaling zijn overeengekomen, zodat bij de geldlening sprake is van een verbintenis tot terugbetaling na onbepaalde tijd. Dit betekent dat, conform artikel 3:307 lid 2 BW Pro, de in lid 1 van dat artikel bedoelde termijn van vijf jaar pas een aanvang heeft genomen op de dag, volgende op die waartegen [appellant] heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Dat was op 29 april 2021, toen hij de inleidende dagvaarding liet betekenen aan [geïntimeerde] Ltd. De termijn van vijf jaar is daarom nog niet verstreken. Hetzelfde geldt voor de in lid 2 opgenomen absolute verjaringstermijn van twintig jaar. Deze termijn gaat lopen de dag nadat opeising op zijn vroegst mogelijk was. Dat was op 29 maart 2006, toen [appellant] het geld uitleende aan [geïntimeerde] Ltd. Onbekendheid met de vordering is in het kader van de absolute verjaring van de onbepaalde geldleningsovereenkomst geen criterium. De vordering tot nakoming is daarom niet verjaard, aldus nog steeds [appellant].
6.1
Het hof gaat er bij de beoordeling van het verjaringsverweer voorshands, behoudens hierna nog toe te laten tegenbewijs, vanuit dat [appellant] geld heeft geleend aan [geïntimeerde] Ltd. Voor de vraag of in dat geval de verbintenis tot terugbetaling al dan niet moet worden aangemerkt als een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd en of lid 1 dan wel lid 2 van artikel 3:307 BW Pro van toepassing is, moet de betrokken geldleningsovereenkomst worden uitgelegd. [geïntimeerde] Ltd. stelt niet dat (voor zover sprake is van een geldlening) partijen een tijdstip voor terugbetaling zijn overeengekomen en dat er daarom geen sprake kan zijn van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. Zij stelt slechts in algemene zin dat een zakelijke geldlening meestal niet van onbepaalde tijd is. Daarmee heeft zij de stelling van [appellant] dat sprake is van een geldlening met terugbetaling na onbepaalde tijd onvoldoende onderbouwd betwist. Het hof gaat er daarom voorshands, behoudens tegenbewijs, vanuit dat bij de geldlening sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW Pro.
6.11
Nu vaststaat dat [appellant] voor het eerst op 29 april 2021 heeft medegedeeld aan [geïntimeerde] Ltd. dat hij overging tot opeising van de geldlening, is de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:307 leden Pro 1 en 2 Rv pas toen aangevangen. De inleidende dagvaarding is voor het verstrijken van die termijn uitgebracht. Hetzelfde geldt voor de in artikel 3:307 lid 2 BW Pro genoemde absolute termijn van twintig jaar. Er zijn immers nog geen twintig jaar verstreken sinds het sluiten van de geldleningsovereenkomst. Voor zover sprake is van een overeenkomst van geldlening voor onbepaalde tijd is de vordering van [appellant] dus niet verjaard zodat het hof het verweer van [geïntimeerde] Ltd. op dit punt verwerpt.
Rechtsverwerking en klachtplicht
6.12
Het hof verwerpt ook het verweer van [geïntimeerde] Ltd. dat sprake is van rechtsverwerking. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend maakt. [geïntimeerde] Ltd. heeft onvoldoende onderbouwd dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is.
6.13
Ook het verweer van [geïntimeerde] Ltd. dat [appellant] de klachtplicht heeft geschonden, zodat zijn recht om een vordering tegen haar in te stellen is vervallen, snijdt geen hout. De klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro heeft immers betrekking op gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht, zoals hier volgens [appellant] het geval is. [2] De klachtplicht is hier dus niet aan de orde.
Vordering uit hoofde van geldlening
6.14
Het hof stelt voorop dat de overeenkomst van geldlening volgens [appellant] tot stand is gekomen vóór de invoering op 1 januari 2017 van artikel 7:129 lid 1 BW Pro, in welk artikel is neergelegd wat een overeenkomst van geldlening is. Volgens artikel 200 van Pro de Overgangswet NBW is artikel 7:129 lid 1 BW Pro niet van toepassing op overeenkomsten van geldlening die vóór 1 januari 2017 zijn gesloten. De door [appellant] gestelde overeenkomst van geldlening wordt daarom beheerst door Titel 14 van Boek 7A BW. Artikel 7A:1791 BW definieert in dat verband de verbruiklening als een overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere partij een hoeveelheid van verbruikbare zaken afgeeft, onder de voorwaarde dat de andere partij evenzoveel zaken van gelijke soort en gelijke hoedanigheid teruggeeft aan de eerstgenoemde partij. Die overeenkomst was onder het destijds geldende recht een zogenoemde reële overeenkomst, hetgeen inhoudt dat zij niet reeds tot stand komt door enkele wilsovereenstemming, maar pas door de overdracht én verschaffing van het genot van de betrokken zaak of het betrokken geld.
6.15
Een dergelijke overeenkomst van verbruiklening, meer in het bijzonder van geldlening, hoeft niet schriftelijk te zijn vastgelegd. De vraag of de verstrekking van geld heeft plaatsgevonden ten titel van geldlening, moet daarom door de rechter worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW). [3]
6.16
[appellant] stelt dat hij een bedrag van € 192.994,61, verdeeld in drie transacties, heeft geleend aan [geïntimeerde] Ltd., die met dat geld het onroerend goed heeft gekocht. Hiertoe heeft hij eerst een bedrag van € 200.000,- in contanten, verdeeld over twee keer € 75.000,- en één keer € 50.000,-, opgenomen van de rekening van de onderneming [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]), waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is. Hij is vervolgens met zijn broer en tevens toenmalige zakenpartner [naam 4] (hierna: [naam 4]) naar Hong Kong gevlogen om het geld te storten op diverse rekeningen en vanuit daar over te maken naar de rekening-courant van [geïntimeerde] Ltd. bij HSBC in Hong Kong (met nummer [rekeningnummer 2]).
- [naam 4] heeft € 75.000,- aan contanten gestort op zijn privérekening bij de Bank of China in Hong Kong en dat bedrag vervolgens op 29 maart 2006 vanaf die rekening overgemaakt naar vorenbedoelde rekening van [geïntimeerde] Ltd. bij HSBC bank. Hierop is een bedrag van € 5,39 aan kosten ingehouden, zodat voor [geïntimeerde] Ltd. een bedrag van € 74.994,61 overbleef. [appellant] heeft in dat verband toegelicht dat hij nadien weliswaar gebrouilleerd is geraakt met [naam 4], maar dat zij dat destijds nog niet waren.
- [appellant] heeft van de opgenomen gelden zelf € 50.000,- en € 20.000,- in contanten gestort op zijn privérekening bij HSBC in Hong Kong (met nummer [rekeningnummer 1]) en vervolgens op dezelfde dag vanaf die rekening € 68.000,- overgemaakt naar vorenbedoelde rekening van [geïntimeerde] Ltd.
- [appellant] heeft van dat bedrag ook € 50.000,- in contanten gestort op zijn privérekening bij de Bank of China in Hong Kong en op 13 april 2006 vanaf die rekening naar diezelfde rekening van [geïntimeerde] Ltd. overgemaakt.
Enkele dagen na de laatste overboeking heeft [geïntimeerde] Ltd. vanaf haar rekening bij HSBC een bedrag van € 190.816,04 overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de Nederlandse notaris die betrokken was bij de levering van het onroerend goed, aldus nog steeds [appellant].
6.17
[geïntimeerde] Ltd. betwist dat zij geld heeft geleend van [appellant]. Zij stelt dat de ouders van [appellant] en [naam 1] naar Chinese traditie geld hebben gespaard voor de bruidsschat voor hun twee dochters, [naam 1] en [naam 5]. Ten behoeve van de bruidsschat hebben de ouders hun huis in China verkocht. Zij wilden de opbrengst op een verstandige manier beleggen. Het was destijds niet mogelijk om geld over te maken van China naar Nederland. Omdat dit wel naar Hong Kong kon, is besloten om een bedrijf in Hong Kong op te richten en vanuit dit bedrijf geld te beleggen in een huis in Nederland. Dat bedrijf was [geïntimeerde] Ltd. De opbrengst van de verkoop van de woning in China is gebruikt voor de aankoop van het onroerend goed. Omdat dit niet voldoende was, heeft [naam 4] € 75.000,- overgemaakt aan [geïntimeerde] Ltd. [geïntimeerde] Ltd. had dus helemaal geen behoefte aan geld van [appellant]. Zij betwist verder dat de gestelde betalingen afkomstig zijn van [appellant] en door haar (blijvend) zijn ontvangen.
6.18
[appellant] beroept zich in deze procedure op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat hij ten titel van geldlening gelden heeft verstrekt aan [geïntimeerde] Ltd., namelijk dat [geïntimeerde] Ltd. hem die gelden moet terugbetalen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rust daarom op hem de plicht de feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie rechtvaardigen dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Indien hij dat heeft gedaan, maar [geïntimeerde] Ltd. die stelling op haar beurt voldoende heeft betwist, moet [appellant] die feiten en omstandigheden bewijzen.
6.19
[appellant] beroept zich ter onderbouwing van zijn stelling op bankafschriften van de zakelijke rekening van [bedrijf] bij ABN AMRO, zijn eigen privérekening bij HSBC in Hong Kong (met nummer [rekeningnummer 1]) en de zakelijke rekening van [geïntimeerde] Ltd. bij diezelfde bank (met nummer [rekeningnummer 2]), alsmede op de bevestiging (
acknowledgement) van een betalingsinstructie aan HSBC. [geïntimeerde] Ltd. betwist de echtheid van deze stukken. Zij stelt dat [appellant] niet schroomt om stukken in zijn eigen voordeel te bewerken en dat, gelet op het feit dat [appellant] de originele bankafschriften niet heeft gedeponeerd bij het hof, niet uitgesloten kan worden dat dit ook bij deze stukken is gebeurd en dat de rekening bij HSBC met nummer [rekeningnummer 1] mogelijk niet op naam van [appellant] staat.
6.2
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] Ltd. dit onvoldoende onderbouwd. Zij wijst op de uitkomst van de hiervoor onder 3.4 bedoelde procedure tussen [naam 1] enerzijds en [geïntimeerde] Ltd. en [appellant] anderzijds over de inschrijving van [appellant] als bestuurder en aandeelhouder van [geïntimeerde] Ltd. in de Nederlandse en Hong Kongse handelsregisters. [naam 1] heeft in die procedure het standpunt ingenomen dat haar handtekening was vervalst op stukken waarmee [appellant] die inschrijving heeft bewerkstelligd. [appellant] en [geïntimeerde] Ltd. moesten in die procedure van de rechtbank bewijzen dat de betrokken handtekeningen authentiek waren. De daartoe benoemde handschriftdeskundige achtte de hypothese dat de handtekeningen niet authentiek waren “iets waarschijnlijker” dan de hypothese dat zij echt waren. Op grond hiervan concludeerde de rechtbank dat [appellant] en [geïntimeerde] Ltd. niet waren geslaagd in hun bewijs. Dat heeft er weliswaar toe geleid dat in die procedure de vorderingen van [naam 1] tot herinschrijving zijn toegewezen, maar dat is iets anders dan dat in rechte is komen vast te staan dat [appellant] de documenten heeft bewerkt of vervalst, zoals [geïntimeerde] Ltd. stelt. Uit het enkele feit dat [appellant] voor het eerst in hoger beroep een afschrift van zijn privérekening bij HSBC (van 7 april 2006) heeft overgelegd, kan evenmin worden afgeleid dat dit stuk en/of de andere bankafschriften vervalsingen zijn. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig, maar die zijn niet gesteld of gebleken.
6.21
Uit de bankafschriften blijkt het volgende.
6.21.1
Op 2 maart 2006 is twee keer een bedrag van € 75.000,- en één keer een bedrag van € 50.000,- in contanten opgenomen van een rekening van [bedrijf]. [appellant] heeft onweersproken toegelicht dat hij de houder is van de in het betrokken bankafschrift vermelde bankpas waarmee het geld is opgenomen en hij dus dat geld heeft opgenomen. Het hof acht dit voldoende aannemelijk, omdat [appellant] – blijkens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister en het register van aandeelhouders – directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf] is. Vanwege die functie kan [appellant] zelfstandig en vrijelijk beschikken over de gelden van [bedrijf]. Het verweer van [geïntimeerde] Ltd. dat geen sprake kan zijn van een lening van [appellant] alleen al omdat de gelden niet van hem afkomstig zijn, slaagt daarom niet. Iedere aanwijzing dat het opgenomen geld is teruggestort op de rekening van [bedrijf], gestort op een andere rekening van [bedrijf] of [appellant] of is gebruikt om facturen of aankopen van [bedrijf] te gebruiken, ontbreekt. [geïntimeerde] Ltd. heeft haar stelling dat dit
mogelijkhet geval is, niet concreet gemaakt en onderbouwd. Het hof gaat er daarom vanuit dat [appellant] op 2 maart 2006, dus enkele dagen na oprichting van [geïntimeerde] Ltd., een bedrag van € 200.000,- aan contant geld tot zijn beschikking had.
6.21.2
Op 29 maart 2006 heeft [geïntimeerde] Ltd. op haar rekening bij HSBC zowel een bedrag van € 74.994,61 als een bedrag van € 68.000,- in “deposit” ontvangen, gevolgd door een “deposit” van € 50.000,- op 13 april 2006, dus in totaal € 192.994,16. Hieruit volgt dat deze bedragen bij [geïntimeerde] Ltd. terecht zijn gekomen. [geïntimeerde] Ltd. erkent dit ook als het gaat om het bedrag van € 74.994,61. Zij voert echter aan dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt of de betalingen van € 68.000,- en € 50.000,- blijvend zijn uitgevoerd en bijvoorbeeld niet zijn teruggeboekt. [appellant] betwist dit. Volgens hem geven de twee door hem overgelegde bankafschriften (van 10 april en 10 mei 2006) een totaalbeeld, omdat zij opvolgend zijn en geen andere transacties van en naar de rekening van [geïntimeerde] Ltd. in de periode van 29 maart 2006 tot en met 10 mei 2006, de periode tussen storting van de bedragen op de rekening van [geïntimeerde] Ltd. en de aankoop van de woning, vermelden, behoudens een “withdrawal” van € 125,- op 13 april 2006 en een “withdrawal” van € 29,57 op 18 april 2006. [appellant] heeft ook onbestreden aangevoerd dat [geïntimeerde] Ltd. (destijds) geen andere activiteit verrichtte dan het aankopen en houden van het onroerend goed. [geïntimeerde] Ltd. heeft daar niets concreets tegenover gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat [geïntimeerde] Ltd. de bedragen niet blijvend heeft ontvangen.
6.21.3
Daarnaast volgt uit de bankafschriften dat [geïntimeerde] Ltd. op 18 april 2006 vanaf dezelfde rekening als waarop zij het bedrag van in totaal € 192.994,16 heeft ontvangen, een bedrag van € 190.816,04 heeft overgemaakt naar de rekening derdengelden van een notariskantoor in Nederland. [geïntimeerde] Ltd. heeft overgeboekt om de koopsom van het onroerend goed te betalen.
6.21.4
Op 8 en 9 maart 2006 zijn bedragen van respectievelijk € 20.000,- en € 50.000,- gestort op de privérekening van [appellant] bij HSBC in Hong Kong. Op 29 maart 2006 is van diezelfde rekening een bedrag afgeschreven van € 68.000,-. In het
acknowlegdementvan overboeking van HSBC, gedateerd op 29 maart 2006, staat dat op dezelfde dag opdracht is gegeven om vanaf diezelfde rekening eenzelfde bedrag over te maken naar de hiervoor bedoelde rekening van [geïntimeerde] Ltd. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat het door [geïntimeerde] Ltd. op 29 maart 2006 ontvangen bedrag van € 68.000,- (zie hiervoor) afkomstig is van [appellant]. In het
acknowledgementstaat bij “my notes” dat het gaat om een “Loan”. Dit is een duidelijke aanwijzing dat het bedrag van € 68.000,- is geleend aan [geïntimeerde] Ltd. Weliswaar is deze opmerking afkomstig van [appellant] en is een geldleningsovereenkomst een meerzijdige rechtshandeling, maar daar staat tegenover dat [geïntimeerde] Ltd. ook in hoger beroep geen andere verklaring voor de betaling heeft gegeven. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] Ltd., die destijds nog werd bestuurd door [naam 1], bij ontvangst van die som heeft geprotesteerd tegen die kwalificatie.
6.21.5
Op 29 maart 2006 heeft [geïntimeerde] Ltd. een bedrag van € 74.994,61 ontvangen. Tussen partijen staat vast dat dit bedrag is overgemaakt vanaf de bankrekening van [naam 4] bij de Bank of China en dat het gaat om een lening. In geschil is echter wie de geldgever is. [appellant] stelt dat hij dat is en dat zijn broer [naam 4] er alleen maar voor heeft gezorgd dat het uitgeleende geld van hem bij [geïntimeerde] Ltd. terecht is gekomen. [geïntimeerde] Ltd. betwist dit. Volgens haar heeft [naam 4] het bedrag aan [geïntimeerde] Ltd. overgemaakt, waarvoor zij verwijst naar een stortingsbewijs waarop handgeschreven staat vermeld “lening”. De reden voor de lening zou zijn dat de bruidsschat niet voldoende was om het onroerend goed te kunnen betalen. Dit strookt echter niet met de door [geïntimeerde] Ltd. overgelegde schriftelijke verklaringen van de ouders van [appellant] en [naam 1] en ook niet met de verklaring die [naam 1] op 6 juni 2017 ter zitting bij de rechtbank heeft afgelegd over de inschrijving van [appellant] als bestuurder en aandeelhouder van [geïntimeerde] Ltd. De ouders hebben verklaard dat [naam 1] via [geïntimeerde] Ltd. wilde beleggen in een huis met een waarde van € 178.000,- en dat de vader (volgens zijn verklaring) althans vader en moeder (volgens de verklaring van de moeder) een bedrag van € 75.000,- aan [geïntimeerde] Ltd. hebben geleend om dit mogelijk te maken. In het proces-verbaal van de zitting van 6 juni 2017 staat bij de verklaring van [naam 1] dat zij voor de aankoop van het huis € 125.000,- van haar ouders had gekregen en dat
haar moederde rest heeft aangevuld om het huis te kunnen kopen. Voor zover [geïntimeerde] Ltd. zich verder beroept op het stortingsbewijs van de bank van [naam 4], geldt dat de hierin handgeschreven tekst “lening 28-03-06” niet eenduidig is en dat hiermee ook een lening van [appellant] aan [geïntimeerde] Ltd. kan zijn bedoeld. De stelling van [geïntimeerde] Ltd. vindt ook geen steun in andere stukken, zoals een schriftelijke overeenkomst van geldlening of correspondentie tussen [naam 4] en [naam 1]. [geïntimeerde] Ltd. (in de persoon van haar bestuurder [naam 1]) heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd niet betwist dat [appellant] en [naam 4] pas na de hier beoordeelde feiten gebrouilleerd zijn geraakt. Mede gelet op omstandigheid dat [appellant] op 2 maart 2006 een met het hier besproken bedrag overeenstemmend bedrag van € 75.000,- heeft opgenomen, heeft [geïntimeerde] Ltd. onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een lening van [appellant]. Dat [appellant] in de inleidende dagvaarding betoogde dat hij het geld zelf had overgeboekt, maakt dit niet anders. Volgens [appellant] bleek dat hij zich had vergist, toen hij kennis nam van het door [geïntimeerde] Ltd. overgelegde stortingsbewijs. Gezien het tijdsverloop en het feit dat [appellant] al met [naam 4] was gebrouilleerd toen hij de onderhavige procedure startte en daarom de gang van zaken niet bij [naam 4] kon verifiëren, is een dergelijke vergissing niet onvoorstelbaar.
6.21.6
Op 13 april 2006 heeft [geïntimeerde] Ltd. naast de hiervoor beoordeelde bedragen ook een bedrag van € 50.000,- ontvangen op haar rekening. Hoewel in het afschrift van de rekening van [geïntimeerde] Ltd. (van 10 mei 2006) niet staat van wie dat “deposit” afkomstig is, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat hij dit bedrag van hem afkomstig is. [appellant] heeft op 2 maart 2006 een bedrag van € 50.000,- opgenomen dat niet correspondeert met de hiervoor beoordeelde bedragen (zie 6.21.1). [appellant] heeft gesteld dat hij dat bedrag in Hong Kong in contanten heeft gestort op een privérekening bij de Bank of China en vanuit daar op 13 april 2006 heeft overgemaakt naar de rekening van [geïntimeerde] Ltd., en dat hij niet in staat is om van de Bank of China een kopie te krijgen van het afschrift waaruit een en ander zou blijken. De omstandigheid dat de koopsom van het onroerende goed binnen enkele dagen na de ontvangst van € 50.000,- is betaald vanaf dezelfde rekening als waarop dit bedrag is ontvangen, is een sterke aanwijzing dat ook dit bedrag bedoeld was voor de koop van het onroerend goed. [geïntimeerde] Ltd. heeft ook geen andere verklaring gegeven voor de ontvangst van dit bedrag van € 50.000,- op haar rekening. Gezien de volgtijdelijkheid van de transacties en de omstandigheid dat voldoende is komen vast te staan dat de eerder door [geïntimeerde] Ltd. ontvangen bedragen van € 74.994,64 en € 68.000,- leningen van [appellant] zijn geweest die zijn aangewend om het onroerend goed te kopen, neemt het hof aan dat ook dit bedrag van € 50.000,- door [appellant] is geleend. Steun hiervoor kan ook worden gevonden in de schriftelijke verklaring van [naam 2] van 11 augustus 2016, waarin staat dat het geld dat is gebruikt voor de aankoop van het onroerend is geleend van [appellant]. [naam 2] heeft de juistheid van deze verklaring op 13 december 2016 bevestigd, nadat hij een dag eerder had verklaard niet bekend te zijn met de aankoop van het onroerend goed en de financiering daarvan. Volgens [naam 2] heeft hij die verklaring van 12 december 2016 onder dwang van [naam 4] en tegen zijn zin in getekend en is de inhoud in strijd met de waarheid.
6.22
Het hof volgt [appellant] aldus voorshands – behoudens tegenbewijs – in zijn stelling dat hij een bedrag van € 192.994,61 heeft geleend aan [geïntimeerde] Ltd., dat wil zeggen dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt en dat de gelden in de macht van [geïntimeerde] Ltd. zijn gekomen en zij hiervan het genot heeft gehad.
6.23
Overeenkomstig haar (tegen)bewijsaanbod zal [geïntimeerde] Ltd. worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door [appellant] bewezen geachte feit dat een geldleningsovereenkomst is gesloten voor een bedrag van € 192.994,61.
Afgifte van de administratie
6.24
De vraag of [appellant] heeft voldaan aan de door de rechtbank aan hem opgelegde veroordeling om de volledige administratie, in ieder geval vanaf 27 mei 2009, af te geven aan [geïntimeerde] Ltd. en of hij dwangsommen heeft verbeurd, ligt niet aan dit hof ter beoordeling voor. Die vraag dient immers door de executierechter te worden beantwoord. Als [appellant] meent dat hij niet aan de veroordeling kan voldoen, omdat hij niet over meer stukken beschikt dan hij al heeft afgeven, dan moet hij zich op grond van artikel 611d Rv wenden tot de rechter die de dwangsom heeft opgelegd. Aan het hof ligt uitsluitend de vordering tot afgifte ter beoordeling voor. Indien het hof de toewijzing daarvan in stand laat, dan heeft het de bevoegdheid om de door rechtbank opgelegde dwangsom te verlagen of te verhogen of om geen dwangsom op te leggen. [4] Volgens [appellant] moet de vordering tot afgifte alsnog worden afgewezen, althans worden beperkt tot de stukken die hij tot nu toe heeft verstrekt aan [geïntimeerde] Ltd. en moet de dwangsom worden gematigd tot € 50,- per dag met een maximum van € 2.000,-.
6.25
Het hof volgt [appellant] niet in zijn bezwaar dat de vordering tot afgifte niet had mogen worden toegewezen. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] Ltd. belang had en nog steeds heeft bij afgifte van haar administratie en dat ook aan de overige vereisten van artikel 843a Rv is voldaan. Zij moet met het oog op eventuele vorderingen van derden kunnen nagaan wat zich onder het beheer van [appellant] heeft afgespeeld en waar haar vermogen zich bevindt. [appellant] was in elk geval van 27 mei 2009 tot 11 maart 2020 formeel bestuurder van [geïntimeerde] Ltd. Het is onduidelijk wanneer hij zich heeft laten uitschrijven. Het hof stelt vast dat [appellant] in het door hem overgelegde uittreksel uit het handelsregister van 28 april 2021 nog steeds als bestuurder van [geïntimeerde] Ltd. staat vermeld. Aangenomen moet worden dat [appellant] gedurende ten minste tien jaar over de administratie van [geïntimeerde] Ltd. heeft beschikt. Vaststaat dat [appellant] in de procedure bij de rechtbank niet alle bescheiden uit de administratie heeft afgeven aan [geïntimeerde] Ltd. Niet alleen erkende hij bij de rechtbank dat hij nog meer facturen zou kunnen overleggen dan hij al had gedaan, maar na het vonnis is gebleken dat er ook nog andere stukken waren. Op 4 oktober 2022 heeft de advocaat van [appellant] immers nog diverse stukken aan de advocaat van [geïntimeerde] Ltd. toegezonden, waaronder de aangifte vennootschapsbelasting 2019, de kolommenbalansen over de jaren 2016 tot en 2018, belastingaanslagen en een facturenoverzicht. Dit terwijl [appellant] naar eigen zeggen de volledige administratie al had overgelegd (en hij de aangifte voor de vennootschapsbelasting 2019 niet had gedaan).
6.26
De veroordeling van [appellant] tot afgifte van de volledige administratie, in elk geval vanaf 27 mei 2009, is ook niet onvoldoende bepaald of onduidelijk. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] Ltd. het totale beheer van de vennootschap aan hem in handen gegeven. Uit de eigen opgave van [appellant] volgt dat hij maandelijks een bedrag van € 200,- aan “administratie kosten directie” en een bedrag van € 75,- aan “boekhoudkosten/Overige kosten” in rekening heeft gebracht aan [geïntimeerde] Ltd. Aangenomen mag worden dat [appellant] daarom de beschikking heeft (gehad) over de administratie. Indien hierbij ook nog in aanmerking wordt genomen dat [appellant] als bestuurder van [geïntimeerde] Ltd. de verplichting had om de volledige administratie geduurde minimaal de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar te bewaren, kan niet worden aangenomen dat [appellant] niet veroordeeld had mogen worden tot afgifte van de volledige administratie. Indien [appellant] in een executiegeschil kan aantonen dat hij bepaalde stukken echt niet (meer) onder zich heeft, kan hij op die grond aanvechten dat hij dwangsommen heeft verbeurd.
6.27
Als het gaat om de dwangsomveroordeling volgt uit de beoordeling hiervoor onder 6.26 dat [geïntimeerde] Ltd. daar voldoende belang bij had. Het hof ziet wel aanleiding om het aan de opgelegde dwangsom verbonden maximum bedrag te verlagen tot € 25.000,-. Daarbij weegt het hof mee dat [appellant] op 4 oktober 2022 van [geïntimeerde] Ltd. wilde weten of hij had voldaan aan het bestreden vonnis, maar dat [geïntimeerde] Ltd. hem hierover vijf maanden in onzekerheid heeft gelaten. Op 5 oktober 2022 had zij toegezegd dat zij zou terugkomen op de vraag van [appellant], maar dat heeft zij pas op 7 maart 2023 gedaan. Voor een verdergaande vermindering van de hoogte van de dwangsom ziet het hof geen aanleiding, mede in aanmerking genomen dat de bescheiden waarvan het verstrekken wordt bevolen voldoende zijn bepaald.
Conclusie
6.28
Het hof zal [geïntimeerde] Ltd. toelaten tot het leveren van tegenbewijs en houdt iedere verdere beslissing aan.

7.Beslissing

Het hof:
  • laat [geïntimeerde] Ltd. toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stellingen van [appellant] dat hij een bedrag van € 192.994,61 heeft geleend aan [geïntimeerde] Ltd. en dat de verbintenis tot terugbetaling van die lening een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW Pro;
  • bepaalt dat, indien [geïntimeerde] Ltd. getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 in Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. H.M.H. Speyart van Woerden, op een nader vast te stellen datum en tijdstip;
  • verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2026 voor opgave door partijen van hun respectieve verhinderdata over de maanden april tot en met september 2026 en de namen van de te horen getuigen;
  • verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, J.E.H.M. Pinckaers en E. Boot en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012
2.HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1536 en HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR: 2025:1737.
3.Vgl. HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213.
4.HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1530.