ECLI:NL:GHDHA:2026:144

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
22-003455-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 lid 2 WVW 1994Art. 179 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 5a WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens roekeloos rijgedrag met dodelijk verkeersongeval in Alphen aan den Rijn

Op 8 juli 2022 veroorzaakte de verdachte in Alphen aan den Rijn een dodelijk verkeersongeval door met een personenauto met zeer hoge snelheid een kruispunt over te steken en een fietsster aan te rijden. De verdachte reed daarbij tussen de 122 en 134 km/u waar 70 km/u was toegestaan, negeerde een rood verkeerslicht, haalde rechts in en nam een bocht met te hoge snelheid.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 3 jaar gevangenisstraf en 5 jaar rijontzegging, maar zowel verdachte als het Openbaar Ministerie gingen in hoger beroep. Het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het de gedragingen voorafgaand aan het ongeval meeweegt in de beoordeling van roekeloosheid.

Het hof oordeelde dat de verdachte opzettelijk en in ernstige mate de verkeersregels heeft overtreden, waardoor een zeer ernstig gevaar is veroorzaakt dat leidde tot de dood van het slachtoffer. Gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden, legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar en een rijontzegging van 5 jaar op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf en 5 jaar rijontzegging wegens roekeloos rijgedrag met dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Rolnummer: 22-003455-22
Parketnummer: 09-171903-22
Datum uitspraak: 27 januari 2026
TEGENSPRAAK
arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 november 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juli 2022 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de kruising tussen/van de Oranje Nassausingel en de Thorbeckestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend als volgt te handelen:
hij, verdachte, aldaar,
- heeft gereden terwijl hij drugs, te weten cannabis, had gebruikt en/of (vervolgens)
- tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans met een mobiele telefoon een verbinding met een andere telefoon tot stand heeft gebracht, althans (een) handeling(en) met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of
- gedurende langere periode heeft gereden met een (zeer) hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan en/of
- voorafgaand aan het naderen van voornoemd kruispunt, rijdend op de N207, met zeer hoge snelheid de bocht heeft genomen en/of
- ( vervolgens) een aldaar voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of (vervolgens)
- terwijl hij met (zeer) hoge snelheid reed andere voertuigen zowel rechts als links heeft ingehaald en/of (vervolgens)
- zonder zijn snelheid te verminderen heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 122 km/uur en 134 km/u, althans een snelheid hoger dan de toegestane maximum snelheid ter plaatse van 70 km/uur
- waarna hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met een aldaar overstekende fietsster,
waardoor een ander, te weten voornoemde fietsster genaamd [slachtoffer]werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 WVW Pro 1994.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks8 juli 2022 te Alphen aan den Rijn
, in elk geval in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de kruising
tussen/van de Oranje Nassausingel en de Thorbeckestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos
, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettendals volgt te handelen:
hij, verdachte,
aldaar,
- heeft gereden terwijl hij drugs, te weten cannabis, had gebruikt en/of (vervolgens)
- tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, althans met een mobiele telefoon een verbinding met een andere telefoon tot stand heeft gebracht, althans (een) handeling(en) met of aan een mobiele telefoon heeft verricht en/of
- gedurende langere periode heeft gereden met een
(zeer
)hoge snelheid
, althans een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaanen
/of
- voorafgaand aan het naderen van voornoemd kruispunt, rijdend op de N207, met zeer hoge snelheid de bocht heeft genomen en
/of
-
(vervolgens)een
aldaarvoor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en
/of (vervolgens)
- terwijl hij met
(zeer
)hoge snelheid reed andere voertuigen zowel rechts als links heeft ingehaald en
/of (vervolgens
)
-
zonder zijn snelheid te verminderenheeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 122 km/uur en 134 km/u
, althans een snelheid hoger dan de toegestane maximum snelheid ter plaatse van 70 km/uur
- waarna hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met een aldaar overstekende fietsster,
waardoor een ander, te weten voornoemde fietsster genaamd [slachtoffer] werd gedood
, terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere overwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir aangevoerd dat het hoger beroep is gericht tegen de bewijsmotivering van de rechtbank, die volgens haar ten onrechte het verkeersgedrag dat aan het ongeval voorafging (anders dan het gedurende langere tijd met een zeer hoge snelheid rijden) niet heeft meegewogen in haar oordeel over de roekeloosheid.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW Pro in de gradatie van roekeloosheid dient te komen en dat daarbij - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - ook de
gedragingen voorafgaand aan het ongeval meegewogen dienen te worden in de
mate van schuld. De advocaat-generaal heeft daarbij gesteld dat dit tevens van belang is voor de op te leggen straf.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Causaliteit
Aan de verdachte is overtreding van artikel 6 WVW Pro ten laste gelegd. Op grond van dit
wetsartikel is het eenieder die aan het verkeer deelneemt onder meer verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood.
Dit betekent dat er een tweeledig causaal verband moet worden vastgesteld: ten eerste dat
een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van de gedragingen van de verdachte
en ten tweede dat als gevolg van dat ongeval een ander is gedood.
Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat als (primaire) oorzaak van het ongeval moet worden aangemerkt dat de verdachte de maximumsnelheid fors heeft overschreden bij het naderen en oprijden van het kruispunt Oranje Nassausingel - Thorbeckestraat. De verdachte heeft daardoor de overstekende [slachtoffer] over het hoofd gezien en/of niet tijdig voor haar kunnen remmen en is met haar in botsing gekomen. Uit het vermijdbaarheidsonderzoek blijkt dat [slachtoffer] de overzijde van de weg had kunnen halen als de verdachte zich aan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid had gehouden. Het ontstaan van het ongeval is daarom toe te rekenen aan de forse snelheidsovertreding van de verdachte. Hoewel het ongeval evenmin zou hebben plaatsgevonden als [slachtoffer] niet door rood zou zijn gereden, staat deze omstandigheid niet aan de redelijke toerekening in de weg. Daarbij betrekt het hof dat de door de verdachte (ook) op de plaats van het ongeval in zeer forse mate overschreden maximumsnelheid er juist (mede) toe strekt tijdig te kunnen anticiperen en reageren op het gedrag van andere verkeersdeelnemers.
De mate van schuld
Het hof stelt voorop dat in het algemeen geldt dat onder schuld als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan, die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.1).
Hierbij moet worden opgemerkt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de schuldvorm “roekeloosheid” moet worden aangemerkt als “de zwaarste vorm van het culpose delict”.
Roekeloosheid
Op 1 januari 2020 is de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten in werking getreden. Daarbij heeft de wetgever nader omschreven waarin de roekeloosheid bij ernstige verkeersdelicten kan bestaan. Daartoe is het bestaande begrip roekeloosheid in artikel 175 lid Pro 2, laatste zin, WVW 1994 gekoppeld aan de strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag (zonder gevolgen) in het bij deze wet ingevoerde artikel 5a WVW 1994 (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rechtsoverweging 2.7.1).
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van die wet kan worden afgeleid dat met het toevoegen van de slotzin van artikel 175 lid 2 in Pro samenhang met de invoering van artikel 5a WVW 1994 is beoogd een nadere invulling te geven aan het begrip roekeloosheid voor die gevallen waarin een verdachte wordt vervolgd voor overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994 en de schuld volgens de tenlastelegging bestaat in roekeloosheid. Als de betreffende tenlastelegging is toegesneden op een of meer van de in artikel 5a lid 1 WVW 1994 omschreven gedragingen, verdient bij zo’n vervolging aandacht dat niet alleen overtreding van artikel 5a WVW 1994 uit de bewijsvoering moet blijken, maar dat daaruit ook moet blijken dat ten aanzien van de in artikel 6 WVW Pro 1994 gestelde vereisten, in het bijzonder ten aanzien van de schuld aan het verkeersongeval en de gevolgen daarvan ook de overige delictsbestanddelen van de overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994 zijn vervuld (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rechtsoverweging 2.7.2).
Verder kan uit die totstandkomingsgeschiedenis worden afgeleid dat ook na de inwerkingtreding van die wet roekeloosheid in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft behouden, die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat daaronder in het normale taalgebruik in de betekenis van ‘onberaden’ moet worden verstaan. De wetgever heeft niet een definitie van roekeloosheid willen introduceren, maar heeft wel via artikel 5a WVW 1994 een omschrijving van gevallen willen geven waarin roekeloosheid in ieder geval kan worden vastgesteld als ook aan de overige in die bepaling gestelde eisen, waaronder opzet op de in die bepaling genoemde gedraging(en), is voldaan. Ook buiten die gevallen kan de rechter tot het oordeel komen dat sprake is van roekeloosheid. Daarbij heeft de wetgever onder meer voor ogen gestaan dat “
in duidelijk meer gevallen dan enkel bij kat-en-muisspellen, vlucht en snelheidswedstrijden roekeloosheid kan (en dient te) worden aangenomen” (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rechtsoverweging 2.7.3).
Gelet op het voorgaande moet onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in Pro samenhang met artikel 6 WVW Pro 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft niet uitputtend een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die
zicht bieden op “
de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft” (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rechtsoverweging 2.7.4).
In artikel 5a WVW 1994 zijn zoals gezegd gedragingen benoemd die kunnen worden aangemerkt als het schenden van de verkeersregels in ernstige mate, waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Het gevaarlijk inhalen wordt uitdrukkelijk genoemd in het eerste lid van dit artikel onder b, het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid in het eerste lid van dit artikel onder g, en het door rood licht rijden in het artikellid onder i.
Uit de memorie van toelichting op de eerdergenoemde wet leidt het hof af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het (meermalen) schenden van meerdere verkeersregels. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is dus niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling en/of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. In de memorie van toelichting bij artikel 5a WVW is opgenomen dat het voor een langere periode met een hoge snelheid rijden het schenden van een verkeersregel in ernstige mate kan opleveren. Ook wordt daarin overwogen dat wanneer de verdachte tijdens één rit meermalen ernstig verkeergevaarlijk gedrag vertoont het niet anders kan zijn dan dat hij de verkeersregels opzettelijk heeft geschonden en dat zijn opzet was gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
Het verkeersgedrag van verdachte op 8 juli 2022
Het hof stelt - grotendeels gelijk de rechtbank - vast dat de verdachte in de avond van 8 juli 2022 in een personenauto van Boskoop naar Alphen aan den Rijn is gereden. De verdachte heeft tijdens zijn rit aanhoudend gereden met een zeer hoge snelheid. Zo heeft hij op diverse kruispunten op zijn route waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur was toegestaan, gereden met een snelheid van tussen de 75 en 135 kilometer per uur. Ook heeft de verdachte tijdens zijn rit met (te) hoge snelheid een bocht genomen, heeft hij (met hoge snelheid) rechts ingehaald en heeft hij op in ieder geval één eerder kruispunt dan waar het ongeval plaatsvond een rood verkeerslicht genegeerd. De verdachte is vervolgens het kruispunt Oranje Nassausingel - Thorbeckestraat genaderd met een snelheid van tussen de 122 tot 134 kilometer per uur. Op het kruispunt is hij in botsing gekomen met [slachtoffer], die op een elektrische fiets het kruispunt opreed. [slachtoffer] is ten gevolge daarvan ter plaatse overleden. Uit de gegevens van de airbagmodule leidt het hof af dat de verdachte op het moment van de botsing met een snelheid van ongeveer 132 kilometer per uur reed, waar op voornoemd kruispunt maximaal 70 kilometer per uur was toegestaan.
Het hof acht dan ook – anders dan de rechtbank - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de gedragingen genoemd in de tenlastelegging onder het derde tot en met zevende gedachtestreepje voorafgaand aan de botsing heeft begaan.
Omdat de wetgever met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten nadrukkelijk ook heeft beoogd een nadere invulling te geven aan het begrip roekeloosheid voor die gevallen, waarin een verdachte wordt vervolgd voor overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994, dient naar het oordeel van het hof het geheel van de verkeersgedragingen van de verdachte, en dus ook de verkeersgedragingen voorafgaande aan de botsing, bij de beoordeling van de mate van schuld van de verdachte te worden betrokken. Dat alleen de ten tijde van het ongeval gereden snelheid als (primaire) oorzaak van het ongeval dient te worden beschouwd, staat daar niet aan in de weg.
In ernstige mate?
De eerste vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft overtreden.
In de memorie van toelichting bij eerdergenoemde wet wordt onder meer overwogen dat als is komen vast te staan dat verdachte een of meer verkeersovertredingen heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en bijgevolg door de verdachte onaanvaardbare risico’s zijn genomen, dat gedrag welhaast per definitie het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels oplevert.
In deze zaak gaat het, zoals hiervoor is overwogen, om één gedraging die in direct oorzakelijk verband staat tot het ongeval, namelijk het overschrijden van de maximumsnelheid. Het gaat hier om een voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregel, die de verdachte in aanzienlijke mate heeft overschreden: hij reed 132 kilometer per uur, waar maximaal 70 kilometer per uur was toegestaan. Dit rechtvaardigt het oordeel dat ten aanzien van deze gedraging op zichzelf beschouwd al sprake was van het in ernstige mate schenden van een verkeersregel.
Bovendien heeft de verdachte, zoals hiervoor is vastgesteld, tijdens de voorafgaande rit bij voortduring dan wel bij herhaling (veel) te hard gereden, rechts ingehaald en is hij door rood licht gereden. Dit gedrag vond plaats op een weg met veel gelijkvloerse kruisingen, voorzien van verkeerslichten, op een tijdstip dat er ook andere verkeersdeelnemers waren.
Het is evident dat wanneer tijdens een rit de verkeersregels voortdurend en/of bij herhaling worden overtreden de kans op een (ernstig) verkeersongeluk toeneemt.
Het hof is van oordeel dat er voorafgaand aan het ongeval sprake is van een samenstel van gedragingen waardoor de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden.
Opzettelijk?
Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen (zoals bij een overschrijding van de maximumsnelheid) niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn.
Gelet op alle feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat de verdachte, mede gelet op zijn uit zijn verkeersgedrag blijkende algehele instelling waar het zijn deelname aan het verkeer betreft, opzettelijk de verkeersregels heeft overtreden, ook het opzet had dit in ernstige mate te doen en dat hij zich met zijn handelen buiten de orde van het normale verkeer heeft geplaatst. Het hof betrekt daarbij de wijze waarop de verdachte zijn voertuig gedurende langere tijd en over langere afstand heeft bestuurd, door de verdachte tegenover de rechter-commissaris omschreven als dat hij “als een mongool is gaan rijden”.
Gevaar te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen?
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. In zijn algemeen acht het hof het voorzienbaar dat door het verkeersgedrag van verdachte zoals dat hiervoor is benoemd, gevaar voor lichamelijk letsel en levensgevaar te duchten was. Dat die situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt al wel uit het feit dat de verdachte een dodelijk ongeval heeft veroorzaakt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WWV Pro 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval
veroorzaakt, ten gevolge waarvan een jonge vrouw is komen te overlijden. De verdachte is
met een veel te hoge snelheid, ongeveer 132 kilometer per uur waar een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur gold, een kruispunt overgereden en heeft het slachtoffer aangereden, terwijl zij met haar fiets dit kruispunt overstak. Als gevolg van het bij die aanrijding door haar opgelopen ernstig schedel- en hersenletsel is zij ter plekke overleden. Door zijn roekeloze rijgedrag heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico's genomen voor de verkeersveiligheid en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd, met fatale gevolgen.
Het slachtoffer was een jonge vrouw van 20 jaar die aan het begin stond van haar volwassen
leven. De onomkeerbare gevolgen van het ongeval hebben niet alleen haar nabestaanden
maar ook vele anderen in hun omgeving en de samenleving als geheel ernstig geschokt. Het leed en het gemis door haar overlijden voor haar dierbaren is enorm, zoals ook is
gebleken uit de slachtofferverklaring die door haar moeder op de zitting is voorgedragen. Ook de verdachte zelf zal verder moeten leven met de wetenschap van de dramatische gevolgen van zijn roekeloze rijgedrag.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Zijn rijbewijs was ongeldig verklaard omdat hij niet tijdig de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer had gevolgd. Het CBR had hem deze maatregel opgelegd omdat hij zich onverantwoord had gedragen in het verkeer: hij nam een bocht te ruim en reed met een te hoge snelheid.
Gelet op de aard en de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan
met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur en een langdurige
ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof heeft daarbij aansluiting gezocht bij hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd en in dat licht bezien is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf te hoog is.
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij, nadat zijn voorlopige hechtenis op 7 juli 2024 werd geschorst, lange tijd dakloos is geweest en dat hij sinds kort met hulp van de gemeente [gemeente] op het gebied van huisvesting en dagbesteding zijn leven weer op de rit probeert te krijgen. Ook heeft hij naar voren gebracht dat hij in verband met de gevolgen van het feit waarvoor hij in deze zaak wordt vervolgd onder behandeling staat van een psycholoog. Tot slot heeft de verdachte gedurende de behandeling van zijn zaak in hoger beroep niet alleen zijn proceshouding gewijzigd, maar ook er blijk van gegeven in te zien welke verstrekkende gevolgen zijn verkeersgedrag voor anderen heeft gehad en nog steeds heeft.
Het hof is - alles afwegende en met de rechtbank - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.
Het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van het feit en anderzijds om de veiligheid van overige verkeersdeelnemers te beschermen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door
mr. B.P. de Boer, als voorzitter,
mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden,
in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 januari 2026.