Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1570

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
200.366.889/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 lid 1 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 376 FwArt. 228 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging intrekking voorlopige surseance van betaling wegens onduidelijkheden en schuldeisersbenadeling

OSS heeft in eerste aanleg voorlopige surseance van betaling gekregen, maar deze werd door de rechtbank Rotterdam ingetrokken wegens meerdere intrekkingsgronden. De curator stelde dat OSS onvoldoende medewerking verleende, met name door het niet direct verlenen van toegang tot de digitale administratie en het verrichten van betalingen aan gelieerde partijen die schuldeisers benadeelden.

De rechtbank oordeelde dat OSS haar informatieplicht niet nakwam, dat er sprake was van vermoedelijke schuldeisersbenadeling door verpanding van de debiteurenportefeuille en betalingen aan de moedermaatschappij CC-Group, en dat het ontwerpakkoord onvoldoende realistisch was. Hierdoor was voortzetting van de surseance niet in het belang van de schuldeisers.

In hoger beroep voerde OSS aan dat de feiten anders lagen, met terugbetalingen door CC-Group en een aangepast surseance-akkoord. Het hof stelde echter vast dat er nog steeds aanzienlijke onduidelijkheden zijn over de financiële verhoudingen en dat een rechtmatigheidsonderzoek noodzakelijk blijft. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de intrekking van de voorlopige surseance bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de intrekking van de voorlopige surseance van betaling en verklaart het hoger beroep van OSS ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.366.889/01
Zaak- en rekestnummers rechtbank : C/09/26/8 S en C/09/26/83 F
Beschikking van 7 mei 2026
in de zaak van
ONESTOPSOURCING B.V.,
gevestigd in Utrecht,
verzoekster,
hierna te noemen: OSS,
advocaat: mr. E.S. Ebels, kantoorhoudend in Den Haag,

1.Procesverloop

1.1
OSS heeft op l januari 2026 een startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw Pro gedeponeerd (de Whoa-procedure) en heeft op 14 januari 2026 ex artikel 376 Fw Pro een afkoelingsperiode verzocht. Op 19 januari 2026 is een tijdelijke afkoelingsperiode afgekondigd en op 24 februari 2026 is het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode door de rechtbank Gelderland afgewezen.
1.2
Op 25 februari 2026 heeft OSS bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, een verzoek tot verlening van surseance tot betaling ingediend. Bij beschikking van 26 februari 2026 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, is OSS voorlopig surseance van betaling verleend, met benoeming van mr. N.E.M. de Coninck, lid van de rechtbank Den Haag, als rechter-commissaris en mr. S. El Hadouchi, advocaat te Den Haag, als bewindvoerder.
1.3
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2026 is de aan OSS voorlopig verleende surseance van betaling ingetrokken en is OSS in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. N.E.M. de Coninck tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. S. El Hadouchi tot curator (hierna: de curator).
1.4
Bij het op 27 maart 2026 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties) heeft OSS tegen de beschikking van 19 maart 2026 hoger beroep ingesteld. Op 17 april 2026 heeft mr. M. Haasjes, advocaat te Den Haag, namens de curator een verweerschrift ingediend. Daarnaast heeft het hof nog kennis genomen van door OSS en de curator overgelegde producties.
1.5
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • [naam], indirect bestuurder van OSS, bijgestaan door mr. Ebels en
  • de curator, bijgestaan door mr. Haasjes en vergezeld van mr. A. El Ouhath (faillissementsmedewerker).
1.6
Mr. Ebels heeft de zaak bepleit aan de aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

2.Procedure bij de rechtbank

2.1
De curator, toen nog in zijn hoedanigheid van bewindvoerder, heeft op 9 maart 2026 de rechtbank Rotterdam verzocht de voorlopige surseance van betaling van OSS in te trekken, onder het gelijktijdig uitspraken van haar faillissement. Daarbij is - samengevat - het volgende aangevoerd.
- De intrekkingsgrond van artikel 242 lid 1 onder Pro 4 Fw doet zich voor. Ondanks herhaalde verzoeken heeft de bewindvoerder geen directe toegang gekregen tot de digitale financiële administratie (Minox) van OSS, waardoor hij de door het bestuur verstrekte informatie niet zelfstandig kan verifiëren. OSS voldoet daarmee niet aan haar informatieplicht en aan de door de bewindvoerder gegeven instructies.
- Verder doet de intrekkingsgrond van artikel 242 lid 1 onder Pro 2 Fw zich voor. Er bestaat een sterk vermoeden bestaat dat schuldeisers van OSS zijn benadeeld. Zo is kort voor de Whoa-startverklaring de debiteurenportefeuille van OSS aan een gelieerde partij (CC-Group) verpand. Daarnaast heeft OSS tijdens de Whoa-afkoelingsperiode per saldo circa € 2.3 miljoen aan haar moedermaatschappij
CC-Group betaald, terwijl schulden aan andere crediteuren onbetaald zijn gebleven. Ook zijn er diverse interne rekening-couranttransacties binnen de groep die vragen oproepen, zodat een rechtmatigheidsonderzoek noodzakelijk is.
- Ook de intrekkingsgrond van artikel 242 lid 1 onder Pro 5 Fw is aan de orde. Het concept ontwerpakkoord is onvoldoende onderbouwd en niet realistisch. De debiteurenportefeuille is niet onafhankelijk gevalideerd en een aanzienlijk deel van die portefeuille is reeds onderwerp van cessie of verrekening. Daarnaast bestaat er onduidelijkheid over de schuldenlast en komt de aandeelhoudersbijdrage pas beschikbaar bij totstandkoming van het akkoord. Volgens de bewindvoerder bestaat geen reëel vooruitzicht dat schuldeisers via een akkoord zullen worden voldaan.
2.2
OSS heeft de rechtbank verzocht het intrekkingsverzoek van de bewindvoerder af te wijzen en heeft daartoe – samengevat - het volgende aangevoerd.
- Het heeft ernstig geschort aan de communicatie tussen OSS en de bewindvoerder. De bewindvoerder verricht zijn taak in samenspraak met OSS en had OSS in de gelegenheid moeten stellen haar standpunt kenbaar te maken op het voornemen tot indiening van een intrekkingsverzoek.
- Het is aantoonbaar onjuist is dat de bewindvoerder geen toegang is gegeven tot het digitale administratiesysteem (Minox). Op 5 maart 2026 is de door de bewindvoerder opgevraagde informatie verstrekt. Die informatie is op 3 maart 2026 verzocht, terwijl de surseance op 26 februari 2026 is verleend. Het verstrekken van toegang tot het digitale administratiesysteem had wat voeten in aarde omdat OSS deel uitmaakt van een groep die allemaal in hetzelfde systeem administreren en er een manier gevonden moest worden waarop de bewindvoerder alleen toegang heeft tot de administratie van sursiet.
- Er is geen sprake van schuldeisersbenadeling. De overboeking van € 2.3 miljoen betrof geen betaling aan een crediteur maar het op advies van de toenmalige advocaat veiligstellen van gelden, zodat deze niet vatbaar zouden zijn voor verhaal van individuele schuldeisers. De doorbelasting van € 8.0 miljoen is eveneens gedaan op advies van de toenmalige advocaat en betreft een administratieve vastlegging van eerder gemaakte afspraken over kosten van de moedervennootschap. Oss heeft open kaart gespeeld en er is geen sprake van kwade trouw of onmiskenbaar benadelend handelen.
- OSS betwist dat de boedel erodeert of dat er geen uitzicht is op bevrediging van schuldeisers. De kosten voor de surseanceperiode zijn volledig gedekt door een derde partij. Bovendien heeft deze derde toegezegd eventuele toekomstige tekorten aan te vullen. Hoewel het voorstel moet worden aangepast aan de gewijzigde omstandigheden, stelt OSS dat het aan de schuldeisers is, en niet aan de bewindvoerder, om over dit akkoord te oordelen.
2.3
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de bewindvoerder aangevoerde intrekkingsgronden zich voordoen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de schuldeisers niet zijn gediend met voortzetting van surseance. De zich voordoende intrekkingsgronden - zeker tezamen bezien - rechtvaardigen de intrekking. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.
Artikel 242 lid 1 onder Pro 4 Fw.
2.4
Op grond van artikel 242 lid 1 onder Pro 4 Fw. kan de surseance worden ingetrokken indien sursiet nalaat te doen wat naar het oordeel van de bewindvoerder door hem in het belang van de boedel moet worden gedaan.
Artikel 228 lid 1 Fw Pro. brengt mee dat sursiet de bewindvoerder naar behoren moet informeren omtrent hetgeen van belang is voor het beheren van de boedel. Zeker wanneer sursiet de surseance van betaling heeft verzocht omdat zij (nog steeds) perspectief ziet voor een schuldeisersakkoord en sursiet aldus verdere mogelijkheden voor het aanbieden van een akkoord met een aan te stellen bewindvoerder wenst te verkennen, moet daarbij van sursiet een actieve rol worden verlangd. Ook mag daarbij worden verwacht dat het sursiet duidelijk is dat de bewindvoerder direct over een bijgewerkte administratie moet kunnen beschikken. OSS voert aan dat het onjuist is dat zij de bewindvoerder geen toegang tot het administratiesysteem heeft verschaft. Het heeft echter tot 13 maart 2026 moeten duren voordat de bewindvoerder volledige toegang tot de digitale administratie van OSS had. Dit is echter niet voldoende. OSS had ervoor moeten zorgen dat de bewindvoerder direct bij zijn benoeming op 26 februari 2026 toegang tot de volledige administratie had. Dat de vertraging is veroorzaakt doordat OSS deel uitmaakt van een groep die allemaal in hetzelfde administratiesysteem administreren en er een manier moest worden gevonden waarop de bewindvoerder alleen toegang had tot de administratie van OSS, komt voor rekening van OSS. De rechtbank stelt dan ook vast dat OSS heeft nagelaten te doen wat naar het oordeel van de bewindvoerder door haar, in het belang van de boedel, redelijkerwijs moest worden gedaan, namelijk het direct en onbeperkt toegang verlenen tot haar administratie. Gezien hetgeen in de eerdere Whoa-procedure is overwogen is het daarbij overigens ook nog de vraag of OSS haar administratie in voldoende mate op orde heeft, dan wel genegen is het achterste van haar financiële tong te laten zien.
Artikel 242 lid 1 onder Pro 2 Fw.
2.5
Op grond van artikel 242 lid Pro l onder 2 Fw kan de surseance worden ingetrokken indien sursiet zijn schuldeisers tracht te benadelen. De rechtbank gaat uit van het volgende.
- De debiteurenportefeuille van OSS is kort vóór de Whoa-startverklaring, op 12 december 2025 aan CC-Group verpand. De aldus gesecureerde vordering van CC-Group op OSS bedroeg op 9 januari 2026 € 16.053,51 en is inmiddels opgelopen tot circa € 1.0 miljoen.
- OSS heeft na het deponeren van de Whoa-startverklaring op 1 januari 2026 en hangende de afkoelingsperiode in januari en februari 2026 per saldo nog ruim € 2.3 miljoen aan CC-Group betaald.
- Uit de jaarrekeningen en de cijfers van 2025 volgt dat in 2025 de vorderingen op groepsmaatschappijen van € 1.6 miljoen zijn opgelopen naar € 3.3 miljoen eind 2025. De vorderingen op participanten - met name aandeelhouder Bricklane Group B.V, en indirect aandeelhouder CC-Group - zijn opgelopen naar € 9.5 miljoen eind 2024. In 2025 nemen die vorderingen van € 9.5 miljoen af naar € 1.5 miljoen.
- Door de bewindvoerder is ontvangen een “Concept d.d. 6 maart 2026, uitsluitend bestemd voor discussiedoeleinden”, een ontwerpakkoord dat is gebaseerd op een debiteurenportefeuille van € 4.952.202,52 en een inbreng van € 1.0 miljoen door CC-Group. Echter, geen melding wordt gemaakt van andere activa van OSS zoals rekening-courantvorderingen op gelieerde partijen van ongeveer € 4.7 miljoen en het hiervoor vermelde bedrag van € 2.3 miljoen dat hangende de afkoelingsperiode in januari en februari 2026 aan CC-Group is betaald en waarvan ter zitting door OSS is gezegd dat dit geld van OSS bij CC-Group “is geparkeerd” om buiten bereik van schuldeisers van OSS te brengen.
2.6
Door dit alles worden volgens de rechtbank de ‘gewone’ concurrente schuldeisers in de surseance van betaling in hun verhaal benadeeld:
- Door de verpanding van de debiteurenportefeuille is indirect aandeelhouder CC-Group van concurrente crediteur gepromoveerd tot separatist, terwijl haar gesecureerde vordering op OSS sinds 9 januari 2026 is opgelopen van € 16.053,51 naar circa € 1.0 miljoen.
- De in januari en februari 2026, hangende de Whoa-afkoelingsperiode, aan CC-Group gedane betalingen van ruim € 2.3 miljoen hebben de financiële spoeling voor de andere schuldeisers dunner gemaakt.
- Van een dergelijke verhaalsbenadeling is ook sprake bij het afboeken in 2025 van circa € 8.0 miljoen van vorderingen van OSS op participanten. OSS voert in dat verband aan dat de participanten verrekenbare vorderingen op OSS hadden, maar ziet hierbij klaarblijkelijk over het hoofd dat zonder die verrekening de volledige vordering van € 8.0 miljoen ten behoeve van alle schuldeisers zou kunnen worden aangewend en in een akkoord zou kunnen worden meegenomen.
- Het in een ontwerpakkoord buiten beschouwing laten van activa kan evenmin anders worden gekenmerkt dan als poging tot benadeling, ook indien de bewindvoerder ten onrechte stelt dat dit - en de betalingen van € 2.3 miljoen - enkel dankzij zijn eigen onderzoek bekend is geworden.
2.7
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat OSS haar schuldeisers tracht of zal trachten te benadelen door vermindering van de mogelijkheden tot verhaal. Het hiervoor vermelde handelen van OSS maakt dat die benadeling van de schuldeisers met een voldoende mate van waarschijnlijkheid was te verwachten. Het voortduren van de surseance van betaling verdraagt zich daarom niet met het karakter van de surseance van betaling. De - verder niet onderbouwde - verklaring van OSS dat zij op advies van haar adviseurs heeft gehandeld, doet hier niet aan af. Voldoende is dat OSS begreep of behoorde te begrijpen dat benadeling van de schuldeisers het te verwachten gevolg van haar gedragingen was. Dat is hier het geval.
Artikel 242 lid Pro i onder 5 Fw
2.8
Op grond van artikel 242 lid 1 onder Pro 5 Fw kan de surseance worden ingetrokken indien tijdens de surseance de staat van de boedel zodanig blijkt te zijn, dat handhaving van de surseance niet langer wenselijk is of het vooruitzicht dat de schuldenaar na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen niet blijkt te bestaan.
2.9
De bij de beoordeling van het verzoek tot intrekking van de surseance te maken belangenafweging, maakt dat slechts in drie gevallen het gerechtvaardigd is dat sursiet wordt onderwerpen aan de surseanceregels die minder stringent zijn dan de faillissementsregels: (i) wanneer het vooruitzicht bestaat dat hij 100% zal uitkeren, (ii) wanneer het vooruitzicht bestaat dat de schuldeisers binnen redelijke tijd door een onderhands of een dwangakkoord bevredigd zullen worden, en (iii) het geval dat het vooruitzicht bestaat op een Whoa-akkoord. Duidelijk is dat (i) en (iii) zich hier niet voordoen. Resteert dus de vraag of het vooruitzicht bestaat dat de schuldeisers – binnen redelijke tijd - door een onderhands of een dwangakkoord bevredigd zullen kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag ontkennend te worden beoordeeld. Gezien de passiviteit van en gebrekkige informatievoorziening door OSS, voornoemde benadelingshandelingen en de bedragen waarvan OSS in het ontwerp-akkoord uitgaat, is onvoldoende aannemelijk dat OSS binnen redelijke tijd haar schuldeisers zal kunnen bevredigen door middel van een akkoord waarbij voldoende oog is voor de belangen van de schuldeisers.
2.1
Het vorenstaande maakt dat de rechtbank van oordeel dat de hiervoor vermelde intrekkingsgronden zich voordoen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat daardoor de belangen van de schuldeisers niet zijn gediend met voortzetting van surseance. De zich voordoende intrekkingsgronden - zeker tezamen bezien - rechtvaardigen de intrekking van de surseance van betaling.

3.Procedure in hoger beroep

3.1
OSS verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de bewindvoerder tot intrekking van de voorlopige surseance van betaling te weigeren. OSS heeft in aanvulling op haar stellingen in eerste aanleg, welke zij ook in hoger beroep handhaaft, nog het volgende aangevoerd.
3.2
Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de vordering van moedervennootschap CC-Group sinds 9 januari 2026 niet opgelopen van € 16.053,51 naar circa € 1 mio. OSS heeft juist een vordering op CC-Group van circa € 950.000,-. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de debiteurenportefeuille op 12 december 2025 aan CC-Group is verpand. De op die datum gevestigde pandrechten zijn verstrekt aan zuster-vennootschappen van OSS. De verplichting tot verpanding vloeit voort uit een clearings overeenkomst uit 2022 en betrof derhalve een verplichte rechtshandeling.
3.3
De betaling van € 2.3 mio aan de CC-Group – bedoeld voor het veiligstellen van gelden – bedroeg in werkelijkheid € 2.057.531,82. Van dit bedrag heeft CC-Group inmiddels
€ 1.418.381,44 terugbetaald aan (de boedel van) OSS. Met het restantbedrag van
€ 639.150,38 heeft CC-Group betalingen ten behoeve van OSS verricht. De curator betwist de rechtsgeldigheid van deze betalingen tot een hoogte van € 405.181,55. In het kader van een eventueel surseanceakkoord zal dit bedrag door derden ten behoeve van dit akkoord op een derdengeldrekening worden gestort met de onherroepelijke opdracht dat geld aan de boedel te betalen bij de homologatie van het surseanceakkoord.
3.4
Tot slot heeft OSS aangevoerd dat er inmiddels een aangepast concept surseance-akkoord ligt, dat zij wil voorleggen aan haar schuldeisers. Daarbij heeft OSS aangevoerd dat een akkoord uit een surseance-situatie gunstiger is voor de schuldeisers, dan bij een akkoord uit een faillissements-situatie.
3.5
De curator heeft verweer gevoerd en heeft het hof verzocht het verzoek van OSS af te wijzen. Hij heeft daarbij verklaard dat hij sinds de faillietverklaring nader zicht heeft gekregen op de administratie en de onderliggende transacties, maar dat het onderzoek naar de geparkeerde gelden, de onderlinge rekening-courantverhoudingen, de doorbelasting van kosten en de geclaimde pandrechten nog loopt. Juist voor dat noodzakelijke onderzoek biedt de faillissementssituatie het geëigende wettelijke kader. Een terugkeer naar surseance zou dat onderzoek compliceren, terwijl nog steeds geen perspectief bestaat op voortzetting van de onderneming of op voldoening van de schuldeisers via een surseanceakkoord. Om die reden zijn de belangen van de gezamenlijke schuldeisers niet gediend met vernietiging van de intrekkingsbeschikking en herstel van de surseance.

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat zich de intrekkingsgronden zoals bedoeld in artikel 242 lid Pro 1, onder 2, 4 en 5 Fw zich voordoen en dat de intrekking van de voorlopig verleende surseance van betaling op zijn plaats is. Hetgeen door OSS in hoger beroep is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. Weliswaar heeft OSS in hoger beroep nadere stukken en informatie aan de curator verstrekt, maar daarmee is nog geen afdoende verklaring gegeven voor de wisselende mededelingen die zij tijdens de voorlopige surseance aan de bewindvoerder heeft gedaan. Ook in hoger beroep is gebleken dat er nog steeds sprake is van aanzienlijke onduidelijkheden over de geparkeerde gelden - al dan niet - op een advies van een derde, de onderlinge rekening-courantverhoudingen tussen OSS en de aan haar gelieerde vennootschappen, de doorbelasting van kosten en de geclaimde pandrechten. Deze onduidelijkheden roepen de vraag op of het vermogen van OSS op juiste wijze is beheerd en of de schuldeisers daardoor mogelijk zijn benadeeld. Naar het oordeel van het hof heeft de curator voldoende toegelicht dat een rechtmatigheidsonderzoek noodzakelijk is.
4.2
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van OSS niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen.

5.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. van Coevorden, mr. R.G.C. Veneman en mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.