Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1587

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
BK-24/963
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar invorderingsrente naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2012 opgelegd en betaalde deze niet tijdig, waarna invorderingsrente werd berekend. Tegen de beschikking invorderingsrente maakte belanghebbende bezwaar, dat door de ontvanger niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege te late indiening. Belanghebbende stelde dat het bezwaar tijdig was ingediend via e-mail aan de inspecteur, die het echter niet hoefde door te sturen omdat het bezwaarschrift al aan het bevoegde bestuursorgaan was gericht.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar te laat was ontvangen en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat belanghebbende niet tijdig actie had ondernomen na vernieling van de brievenbus en geen contact had gezocht met de ontvanger. Het beroep werd ongegrond verklaard.

In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof wees het beroep op ontvankelijkheid af omdat de inspecteur niet hoefde door te sturen en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Wel werd het beroep op betalingsonmacht inzake het griffierecht toegewezen vanwege procedurele omstandigheden, ondanks dat het toetsingskader aanvankelijk onjuist was toegepast. Het hoger beroep werd verder ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bevestigd, met toewijzing van het beroep op betalingsonmacht griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/963

Uitspraak van 23 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M. van Hecke)
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 oktober 2024, nummer SGR 23/7716.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag).
1.2.
Omdat het bedrag van de naheffingsaanslag op de uiterste betaaldatum niet was betaald is bij beschikking € 122 invorderingsrente in rekening gebracht (de beschikking invorderingsrente).
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking invorderingsrente bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht gedaan. Dit beroep op betalingsonmacht is door de griffier voorlopig toegewezen. Belanghebbende heeft op 18 december 2024, 3 juni 2025 en 26 juni 2025 nadere stukken ingediend. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft op 10 maart 2026 een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Met dagtekening 21 november 2022 is aan belanghebbende bij beschikking € 122 invorderingsrente in rekening gebracht ter zake van het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag.
2.2.
Op 31 december 2022 heeft belanghebbende een e-mail met als bijlage een bezwaarschrift tegen de beschikking invorderingsrente verstuurd aan een ambtenaar van de Belastingdienst (de inspecteur). De tekst van de e-mail luidt als volgt:
“ter uwer (datum) registratie…
en Uw eventuele interesse.”
2.3.
Het als bijlage bij de in 2.2 genoemde e-mail gevoegde bezwaarschrift tegen de beschikking belastingrente is geadresseerd aan:
“Belastingdienst Centrale Administratie Processen
(De ontvanger)
[postadres] ”
2.4.
Op 19 januari 2023 antwoordt de inspecteur als volgt op de e-mail van belanghebbende:
“Ook onderstaand bericht neem ik ter kennisgeving aan. Zoals op het geschrift te zien is, is de brief terecht gericht aan de Ontvanger.
Ik kan daarin verder ook niets voor u betekenen, zodat mij een afschrift mailen geen
opgevoerde waarde heeft.”
2.5.
Het bezwaarschrift tegen de beschikking invorderingsrente is op 14 juni 2023 door de Ontvanger ontvangen. Bij het bezwaarschrift zit een op 7 januari 2023 gedagtekende brief van belanghebbende waarin, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende is opgenomen:
“Heden, bijgaand retour ontvangen (06-11-2023) van de Post.NL
(Mijns inziens mankeert er dus helemaal niets aan!)
Gepost: ’s avonds op na lichting ca. 18.00) 30-12-20222
Mij is wel bekend; dat de postbus, waarin dit is gedeponeerd; daarna dus, is opgeblazen. Gesloopt door vandalen/ al dan niet door vuurwerk? oid. Dat is mij verder onbekend. )
Ivm ontvankelijkheid.
Niet geheel ontoevallig; (mede om die reden; want het komt namelijk meer voor bij de jaarwisselingen; is er 31-12-2022 (zelfs 2x) kopie verstuurd, per e-mail (de volgende ochtend; op 31-12-2022, aan 2 ambtenaren belastingdienst, Kantoor Amsterdam; [namen van 2 inspecteurs]). Desgewenst is daarvan verzend/ ontvangst OK. Bewijs voorhanden.”
2.6.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger het bezwaar tegen de beschikking invorderingsrente kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Ontvanger als verweerder:
“10. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag nadat het besluit is bekendgemaakt.[1] Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door het bestuursorgaan is ontvangen. Als het bezwaarschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door verweerder is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn.[2] Is het bezwaarschrift bij een onbevoegd bestuursorgaan ingediend, dan is dat bestuursorgaan gehouden het zo spoedig mogelijk door te zenden aan het bevoegde orgaan en is voor de ontvankelijkheid bepalend op welk moment het bij het onbevoegde orgaan is ingediend.[3] Is een bezwaarschrift te laat ingediend, dan moet het bestuursorgaan het niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift de belanghebbende niet is aan te rekenen.[4] In dat geval laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring achterwege wegens verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
11. De dagtekening van de mededeling verrekening is 21 november 2022, waarmee de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 3 januari 2023. Het bezwaarschrift is bij verweerder ontvangen op 14 juni 2023. Nu dat ruim meer is dan een week na de laatste dag van de termijn, is het bezwaarschrift te laat ontvangen. Dat eiseres op 31 december 2022 per mail afschrift van het bezwaarschrift heeft verstuurd aan de inspecteur, maakt dit niet anders. De doorzendplicht van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geldt namelijk alleen als het bezwaarschrift is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake, nu het bezwaarschrift is gericht aan verweerder en de inspecteur daarvan slechts een afschrift heeft ontvangen.
12. Uit de brief van 7 januari 2023 volgt dat eiseres het bezwaarschrift op 30 december 2022 na de laatste lichting op de bus heeft gedaan en dat zij kort daarop bekend raakte met de vernieling van betreffende brievenbus. Hoewel dat op haar weg lag, heeft zij toen niet het bezwaarschrift op een van de eerste drie dagen van januari 2023, nog binnen de termijn, opnieuw aan verweerder toegezonden.
Wel heeft zij in haar e-mail van 31 december 2022 kopie van het bezwaarschrift aan de inspecteur gezonden. In die e-mail heeft zij niets vermeld over een vernielde brievenbus of anderszins laten weten reden te hebben voor twijfel of het bezwaarschrift verweerder wel zou bereiken. De inspecteur had dan ook geen aanleiding te veronderstellen het bezwaarschrift anders dan ter kennisgeving te hebben ontvangen, en heeft dat met de e-mail van 19 januari 2023 met zoveel woorden aan eiseres laten weten. Hoewel dat op haar weg lag, heeft eiseres niet naar aanleiding van deze reactie van de inspecteur contact met verweerder gezocht.
Volgens de brief van 7 januari 2023 zou het bezwaarschrift op die dag opnieuw ter post zijn bezorgd. Hoe het kan zijn dat deze brief verweerder eerst op 14 juni 2023 heeft bereikt, is zonder verklaring gebleven. Het had op de weg van eiseres gelegen navraag te doen over het uitblijven van een ontvangstbevestiging, maar ook dat heeft zij niet gedaan.
Nu eiseres op drie momenten heeft nagelaten te doen wat op haar weg lag, is de termijnoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank niet verschoonbaar.
13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
[2] Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
[3] Artikel 6:15, eerste en derde lid, van de Awb.
[4] Artikel 6:11 van Pro de Awb,”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of het bezwaar tegen de beschikking invorderingsrente terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Ontvanger bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de uitspraak op bezwaar.
4.3.
De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Beroep betalingsonmacht griffierecht
5.1.
De griffier heeft het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht ter zake van het in hoger beroep verschuldigde griffierecht bij brief van 27 januari 2025 voorlopig toegewezen. Daarbij is de griffier uitgegaan van een onjuist toetsingskader. Bij toepassing van het juiste toetsingskader zou het beroep op betalingsonmacht moeten worden afgewezen. Het Hof heeft belanghebbende eerst ter zitting op de hoogte gesteld van de toepassing van het verkeerde toetsingskader en het gevolg daarvan voor het beroep op betalingsonmacht. Belanghebbende heeft daardoor niet meer de gelegenheid gehad met nadere stukken te onderbouwen dat zij wel terecht een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Schorsing van het onderzoek ter zitting om belanghebbende daar alsnog de gelegenheid toe te bieden acht het Hof om redenen van proceseconomie niet gewenst. Onder deze specifieke omstandigheden acht het Hof het gerechtvaardigd dat het beroep op betalingsonmacht wordt toegewezen.
Ontvankelijkheid bezwaar
5.2.
De termijn voor indiening van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Een niet per post verzonden bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter griffie is ontvangen (artikel 6:9, lid 1, Awb). Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 2, Awb). Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkheidsverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb Pro). Indien een bezwaarschrift is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender (artikel 6:15, lid 1, Awb). Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde bestuursorgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht (artikel 6:15, lid 3, Awb). In artikel 22j, aanhef en onderdeel a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is voor zover hier van belang bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in afwijking van artikel 6:8 Awb Pro aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van de voor bezwaar vatbare beschikking.
5.3.
De dagtekening van de beschikking invorderingsrente is 21 november 2022. De bezwaartermijn vangt aan op 22 november 2022 en loopt af op 2 januari 2023.
5.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat als datum van indiening van het bezwaarschrift 31 december 2022 heeft te gelden, de datum waarop zij het bezwaarschrift per e-mail naar de inspecteur heeft gestuurd (zie 2.2). De inspecteur had het bezwaarschrift op grond van artikel 6:15, lid 1, Awb moeten doorsturen naar de Ontvanger, aldus belanghebbende. Subsidiair stelt belanghebbende, naar het Hof begrijpt, dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
5.5.
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar stelling dat op grond van artikel 6:15, lid 1, Awb als tijdstip van indiening van het bezwaarschrift 31 december 2022 heeft te gelden. Uit de summiere tekst van de begeleidende e-mail (zie 2.2) kon en hoefde de inspecteur niet op te maken dat belanghebbende bij haar een bezwaarschrift indiende. Ook uit het bij de e-mail gevoegde bezwaarschrift hoefde de inspecteur niet op te maken dat belanghebbende bij haar een bezwaarschrift indiende. Het bij de e-mail gevoegde bezwaarschrift was immers gericht aan het bevoegde bestuursorgaan (zie 2.3), zodat de inspecteur ervan mocht uitgaan dat het bezwaarschrift ook bij dat bestuursorgaan was ingediend en zij het niet hoefde door te zenden.
5.6.
Het beroep van belanghebbende dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding wijst het Hof af. Belanghebbende was er op 31 december 2022 van op de hoogte dat er (mogelijk) iets mis was met de verzending van het bezwaarschrift. Het had op haar weg gelegen daarna actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat de stukken zo spoedig mogelijk alsnog bij de Ontvanger zouden aankomen. Dat heeft belanghebbende onvoldoende gedaan. De e-mail van 31 december 2022 aan de inspecteur maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, omdat belanghebbende de inspecteur niet informeert dat zij de stukken bij haar indient ter voorkoming van termijnoverschrijding; had zij dat wel gedaan, dan had de inspecteur de stukken kunnen doorsturen naar de Ontvanger. Verder blijkt uit niets dat belanghebbende zo spoedig als mogelijk daarna de stukken alsnog per post naar de Ontvanger heeft verzonden. Dat de stukken op 7 januari 2023 zouden zijn verstuurd is niet aannemelijk gemaakt. Daarmee blijft de termijnoverschrijding voor rekening van belanghebbende en is deze niet verschoonbaar.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.