Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1598

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
BK-25/701
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 Wet IB 2001Art. 3.90 Wet IB 2001Art. 9.6 lid 5 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aftrek verlies investering in handelsbot wegens gebrek aan objectieve voordeelsverwachting

Belanghebbende, een ondernemer in zorg en coaching, investeerde in 2022 in een handelsbot die door A werd aangeboden. Na vermoedens van oplichting en een strafrechtelijke veroordeling van A, betwistte belanghebbende de afwijzing van aftrek van verliezen uit deze investering door de Belastingdienst.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de investering verband hield met zijn onderneming of dat sprake was van een werkzaamheid in de zin van de Wet IB 2001. Belanghebbende stelde dat hij met de investering kennis wilde opdoen voor het ontwikkelen van cursussen over cryptocurrency, maar kon dit niet concreet onderbouwen.

Het Hof bevestigt dit oordeel en stelt dat hoewel belanghebbende deelnam aan het economische verkeer en subjectief voordeel nastreefde, objectief gezien geen redelijkerwijs te verwachten voordeel bestond. De beweringen van A waren ongefundeerd en belanghebbende kreeg geen inzicht in de werking van de bot. Het verlies uit de investering is daarom niet aftrekbaar in box 1.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aftrek van het verlies uit de investering bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/701

Uitspraak van 13 mei 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N.E. El Haddioui)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 augustus 2025, nummer SGR 25/1053.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft op grond van artikel 9.6, lid 5, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bij beschikking het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering van zijn aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022 afgewezen (de verminderingsbeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de verminderingsbeschikking beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 53 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 17 maart 2026 een nader stuk ingediend.
1.4.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende drijft in 2022 een eenmanszaak onder de naam “ [naam eenmanszaak] ”. In zijn aangifte IB/PVV 2022 omschrijft hij zijn ondernemingsactiviteiten als “Zorg, coaching, training, therapie en muziek”. De SBI-codes die zijn geregistreerd in de Kamer van Koophandel sluiten hierbij aan. Belanghebbende organiseerde onder de naam [naam eenmanszaak] evenementen en bood cursussen aan, bijvoorbeeld over teambuilding en persoonlijke ontwikkeling.
2.2.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 114.481, bestaande uit belastbare winst uit onderneming.
2.3.
De aanslag IB/PVV 2022 is opgelegd, in afwijking van de aangifte van belanghebbende, naar een verzamelinkomen van € 115.263 door naast de belastbare winst uit onderneming ook rekening te houden met een bedrag van € 782 aan belastbaar loon.
2.4.
Belanghebbende heeft een herziene aangifte IB/PVV 2022 ingediend, welke door de Inspecteur als verzoek om een ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2022 in behandeling is genomen. In zijn herziene aangifte heeft belanghebbende € 63.871 aan “Kosten van grond- en hulpstoffen inkoopprijs van de verkopen” en € 3.765 aan additionele “Verkoopkosten” in aftrek gebracht op zijn box 1 inkomen.
2.5.
De Inspecteur heeft belanghebbende vragen gesteld over voornoemde kosten. Op basis van de reactie van belanghebbende heeft de Inspecteur een bedrag van in totaal € 6.765 aan (additionele) kosten in aftrek toegestaan en bij de verminderingsbeschikking het verzamelinkomen van belanghebbende nader vastgesteld op € 109.455. De Inspecteur heeft een bedrag van € 60.871 aan “Kosten van grond- en hulpstoffen inkoopprijs van de verkopen” niet in aftrek toegestaan omdat dit volgens hem verband houdt met investeringen in een handelsbot die geen bron van inkomen in box 1 vormen.
2.6.
Volgens het proces-verbaal van 30 september 2023 van een aangifte door belanghebbende bij de politie van beleggingsfraude heeft belanghebbende, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende over zijn investeringen in een handelsbot en zijn contact met [A] (A) verklaard:
“Ik doe aangifte van oplichting. Met aan samenweefsel van verdichtsels heeft [A] mij bewogen tot het afgeven van een goed, namelijk geld.
(…)
[A] kende ik tot 2 jaar geleden niet, totdat een goede vriendin van mij en businesspartner aangaf dat zij iemand kende die in bots handelde. Ik heb zelf de opleiding blockchain professional gedaan en was al ruim 5 jaar actief met crytpo, trading. Ik heb er tot nog toe meer geld mee verloren dan gewonnen. De bot zou vertraagd maar wel stabiel zijn.
(…)
Ik heb een eigen onderneming en voor events nodig ik mensen uit om hun bedrijf te promoten. Daar is [A] ook geweest om zijn verhaal te vertellen. Zo is het ontstaan. (…)
Het verhaal van de bot werd als volgt geschetst. Je ligt minimaal 1000 euro in en er word een winst marge van 10 t/m 20 procent beloofd. Later werd dit teruggeschroefd naar 5 tot 10 procent. Als bedankje voor de mogelijkheid kocht ik 2 bots in voor 1000 euro. 1 voor mezelf en 1 voor mijn businesspartner.
In ruim 7 maanden had ik zover ik kan herinneren al 3000 euro verdiend, dit gaf [A] middels een app zelf aan. Ik had tot dan toe geen intensief contact met [A].
Ik had zelf toen geld in crypto en geloofde er nog steeds meer in dan in de bot. Nadat de markt van crypto inzakte en de bot nog steeds op het oog goed draaide koos ik ervoor om iets meer geld in de bot te stoppen. Ik raakte meer in gesprek met [A] middels de whatsapp en stelde vragen die ook leerde vanuit mijn opleiding zodat ik het product goed kon snappen en beoordelen.
Ik heb er voor gekozen om met [A] face to face te meeten in [woonplaats 1] omdat ik meer van de bot wilde snappen. Ik wilde de ins en out kennen. Ik liet wel al doorschemeren dat ik wat crypto over had die ik eventueel in de bot wilde zetten. [A] overtuigde me en gaf aan dat crypto niet handig was en onzeker was. De bot zou stabieler zijn en wellicht trager lopen maar wel met een constante flow.
Ik begon vanaf dat moment grotere porties geld over te maken in de veronderstelling dat mijn bot zou groeien. (…)
[A] vertelde dat hij met key users werkte en dat wilt zeggen dat als jij iemand aandraagt hij liever heeft dat jij de communicatie verzorgt omdat hij daar niet goed in is. Ik ben dus hoofdzakelijk verantwoordelijk geweest om het geld te ontvangen van de mensen die ik heb aangeleverd (broertjes, neven en vrienden) en door te sturen naar [A]. Voor deze rol is er geen extra afspraak gemaakt, wel heb ik onderschat wat zo een rol met zich meebrengt. [A] liet regelmatig steekjes vallen zoals de stand niet updaten, of te laat reageren op vragen van klanten waardoor ik tussen wal en schip zat. (…)
Na een etentje mij [A] en ik bij […] in [woonplaats 2] heeft hij mij in de parkeergarage vertelt dat hij een minimale procent toevoegt aan de winst als je meer mensen bleef brengen en met hen in gesprek bleef. Ik heb zelf geen financieel doel gehad omdat het vrienden betrof en ik zelf genoeg geld te besteden had om te kunnen profiteren van de bot (als die echt zou bestaan). Maar ik nooit geld gekregen van A voor het aanbrengen van mensen. (…)
[A] heeft gezegd dat het hem 8 jaar heeft gekost om de bot te ontwikkelen, dat […] een bot bij hem had, politie agenten uit [woonplaats 3] , zijn kinderen, ouders en vrienden. Oftewel een heel overtuigende verhaal. Hij stond iedereen netjes te woord na afloop en dit heeft bijna iedereen doen besluiten om in de bot te gaan. (…)
Door het verhaal persoonlijk te maken, elke dag bereikbaar te zijn te praten over zijn familieleden. Door met mij af te spreken in [woonplaats 1] 3x en 1x in [woonplaats 2] groeide het vertrouwen. [A] heeft in het begin opnames van derden netjes betaald waardoor er nog meer vertrouwen ontstond. (…)
Lange tijd heeft [A] een goede act opgehouden totdat ik op 5 juli mijn geld wilde opnemen en [A] steeds met een smoes kwam. (…) In augustus heb ik besloten de leden die ik diende op de hoogte te stellen dat wij met z’n allen uit de bot gaan omdat ik het niet meer vertrouw.
(…)
- Ik ben gek van crypto. Ik wilde graag weten hoe het werkte. Gewoon omdat ik er interesse in had. Hij had een PDF gemaakt. Whitepaper [document 1] dat stuurde hij in juli 2022. Toen ik begon was het tussen de 10 en 20 procent en later werd het tussen de 5 en 10 procent winst per maand. (…)
Werden er nog documenten overhandigd door [A] met uitleg over zijn onderneming?
- Alleen die [document 1] Whitepaper, hij had wel iets gestuurd over hoe zijn bot eruit ziet als verdiensten. Dat is niet zoiets als de whitepaper hoor.
Ik wilde wel inzage in die bot en heb dat ook wel paar keer aan het gevraagd maar ik heb nooit inzage gehad. Hij liet weleens wat berekening zien wat hij dan voor bedrijven zou gaan doen.
Van een andere benadeelde heb ik een document ontvangen. Dit was een Whitepaper met de title [document 2] . Ken je dit document?
- Ja wat ik zojuist heb uitgelegd.”
2.7.
Bij uitspraak van de strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2025 is A onder andere veroordeeld voor oplichting met een niet bestaande handelsbot.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Winst uit onderneming
12. Nu eiser het verlies uit de investering als negatief ondernemingsresultaat in aftrek wil laten komen, rust op hem de last aannemelijk te maken dat dit verlies daarvoor voldoende verband houdt met zijn onderneming.
13. Eiser heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. Hij heeft A leren kennen via iemand uit zijn zakelijke netwerk en heeft hem op enig moment uitgenodigd als spreker bij een van de bijeenkomsten die hij in het kader van zijn onderneming organiseert. Eiser was al langere tijd bezig wetenschap te vergaren omtrent cryptocurrency- en Forex-handel met het idee daarover cursussen te gaan verzorgen. Hij zag in een samenwerking met A een kans zijn kennis omtrent handel in cryptocurrencies te vergroten en is daarom overgegaan tot de investering. Die investering vond plaats in tranches.
14. Door eiser is niet geconcretiseerd hoe de investering via A zou bijdragen aan vergroting van zijn kennis omtrent cryptocurrency. Uit de door hem overgelegde stukken komt niet naar voren dat hij zich voorafgaand of gaandeweg het doen van de investering door A heeft laten informeren over de werking van de bot die hij beweerde te gebruiken. Blijkens het proces-verbaal van de aangifte van 30 september 2023 bij de politie heeft eiser bij die gelegenheid verklaard dat hij wel een paar keer aan A had gevraagd om inzage in de werking van de bot, maar dat heeft hij niet gekregen. Naar eiser ter zitting heeft verklaard, bleek er uiteindelijk helemaal geen bot te zijn geweest. Ook anderszins blijkt niet dat A eiser deelgenoot heeft gemaakt van enig nuttig inzicht in de werking van de markt van cryptocurrency.
15. Eiser heeft het door hem gestelde voornemen zijn ondernemingsactiviteiten uit te bereiden tot het geven van cursussen omtrent cryptocurrency niet op enige wijze onderbouwd. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat hij het voornemen daartoe had, is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende last aannemelijk te maken dat de investering in de handel in cryptocurrency via A een zodanig verband houdt met dat voornemen dat zij geacht kan worden als ondernemingshandeling te zijn verricht.
Werkzaamheid
16. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de investering via A, op zichzelf beschouwd, heeft te gelden als een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat daarvan sprake is, nu hij het verlies uit de investering als resultaat uit werkzaamheid in aftrek wil laten komen.
17. Volgens eiser werd met de investering uitgegaan boven normaal vermogensbeheer. Hij heeft echter niet gesteld dat met de investering voor hem enige werkzaamheid was gemoeid. Dat de investering volgens eiser niettemin als werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001 heeft te gelden, berust op zijn stelling dat door te handelen met een bot voorzienbaar voordeel te behalen valt. Of dat zo is, hangt af van de wijze waarop de desbetreffende bot functioneert. Aan die vraag wordt evenwel niet toegekomen, reeds omdat er in casu geen bot is geweest (zie r.o. 14 hiervoor).
19. Op grond van het voorgaande is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende last aannemelijk te maken dat zijn investering via A een werkzaamheid vormt in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001.
Slotsom
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is de vraag of de investeringen van belanghebbende in de handelsbot in 2022 een bron van inkomen vormen, en meer specifiek of sprake is geweest van een objectieve voordeelsverwachting. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend. Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, is tevens in geschil of belanghebbende (additionele) kosten ten bedrage van € 60.871 in aftrek kan brengen op zijn box 1 inkomen.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2022, naar een verzamelinkomen van € 57.233.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Het Hof zal allereerst de vraag beantwoorden of in dit geval sprake is van een bron van inkomen. Bij die beoordeling dient aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden getoetst of een activiteit de kenmerken van een bron van inkomen omvat. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een bron van inkomen indien is voldaan aan de volgende drie voorwaarden (zie onder meer HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390, r.o. 3.1.3.):
  • de belastingplichtige neemt deel aan het economische verkeer;
  • met die deelname beoogt de belastingplichtige geldelijk voordeel te behalen (het subjectieve element); en
  • dat voordeel kan naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs worden verwacht (het objectieve element).
5.2.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende in 2022 met zijn investeringen in de handelsbot deelnam aan het economische verkeer en daarmee tevens (subjectief) geldelijk voordeel beoogde te behalen, resteert het antwoord op de vraag of met de investeringen naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs (objectief) een voordeel kon worden verwacht.
5.3.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende die kosten in aftrek wil brengen, feiten en omstandigheden moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de investeringen in 2022 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.
5.4.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient in dat kader te worden onderzocht of met betrekking tot de investeringen van belanghebbende redelijkerwijs kon worden verwacht dat deze, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren of voorzienbaar blijvend verlieslatend zouden zijn (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).
5.5.
Belanghebbende meende dat hij, door zelf te investeren in de handelsbot, naast het effectief beheren van zijn bedrijfsvermogen, specifieke kennis kon opdoen die hij kon gebruiken bij het ontwikkelen en aanbieden van cursussen over handelen in crypto valuta, al dan niet met behulp van een handelsbot. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht waarom redelijkerwijs kon worden verwacht dat zijn investeringen in de handelsbot in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren. Ten eerste vond hij de presentatie die A over de handelsbot had gegeven zeer overtuigend en kwam A betrouwbaar over. Ten tweede liet A aan belanghebbende (via, naar later bleek gefingeerde, schermafbeeldingen) resultaten van de bot zien, waardoor belanghebbende dacht dat zijn investering winstgevend zou zijn. Tot slot stelt belanghebbende dat het feit dat er 65 andere mensen door A zijn opgelicht met de (niet bestaande) handelsbot, bewijst dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.
5.6.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat zijn investeringen in de handelsbot positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren, en dus een bron van inkomen konden vormen. Doorslaggevend acht het Hof dat belanghebbende, ook nadat hij A hier verschillende malen naar had gevraagd, op geen enkele wijze inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van A, hoe overtuigend die voor belanghebbende ook hebben mogen zijn, maken niet dat een geldelijk voordeel naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon worden verwacht.
5.7.
Voor zover belanghebbende meent dat zijn investeringen in de handelsbot verband hielden met zijn bestaande onderneming [naam eenmanszaak] , verwerpt het Hof die stelling. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat het aannemelijk is dat het investeren van geld en crypto’s in de handelsbot verband hield met de activiteiten van de onderneming [naam eenmanszaak] , bestaande uit het geven van cursussen en het organiseren van evenementen. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat hij middels de investeringen kennis over crypto’s wilde opdoen, om over dit onderwerp cursussen te kunnen ontwikkelen en aanbieden. Hij heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Ook belanghebbendes stelling dat hij met de investeringen probeerde het ondernemingsvermogen van [naam eenmanszaak] te laten groeien is zonder onderbouwing dat die investeringen zijn gedaan met tot het vermogen van de onderneming [naam eenmanszaak] behorende gelden (en crypto’s), die ontbreekt, onvoldoende om een verband tussen die investeringen en die onderneming aannemelijk te achten.
5.8.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de (additionele) kosten ten bedrage van € 60.871 niet in box 1 in aftrek kunnen worden gebracht.
Slotsom
5.9.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, T.A. de Hek en M.J.M van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.
De griffier, de voorzitter,
Y. Postema P.C. van den Brink
De beslissing is op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.