ECLI:NL:GHDHA:2026:170

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.337.329/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 FwArt. 288 FwArt. 51f SvArt. 361 lid 3 SvArt. 356 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van schone lei en schuldsaneringsregeling bij strafrechtelijk gerelateerde vordering

In deze civiele zaak staat centraal of een vordering van [geïntimeerde] op [appellant], die voortvloeit uit een strafrechtelijke veroordeling voor poging tot doodslag, na afloop van de wettelijke schuldsaneringsregeling nog afdwingbaar is. [Appellant] was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, maar de vraag was of de schuld aan [geïntimeerde] onder de schone lei valt op grond van art. 358 lid 4 Faillissementswet Pro.

De rechtbank had geoordeeld dat de vordering niet onder de schone lei valt omdat deze voortkomt uit dezelfde feiten als de strafrechtelijke veroordeling. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst het standpunt van [appellant] af dat de toelating tot de schuldsaneringsregeling automatisch betekent dat de schuld onder de schone lei valt. Ook het argument dat de vordering niet door de benadeelde partij in het strafproces is ingebracht, wordt verworpen.

Het hof benadrukt dat de uitzondering in art. 358 lid 4 Fw Pro juist bedoeld is om te voorkomen dat strafrechtelijk gerelateerde schulden oninbaar worden en dat dit het maatschappelijk draagvlak van de schuldsaneringsregeling kan aantasten. De vordering van [geïntimeerde] blijft dus afdwingbaar. Daarnaast wijst het hof het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] af dat betrekking had op de proceskostenverdeling. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd en partijen worden veroordeeld in hun respectievelijke proceskosten.

Uitkomst: De vordering van [geïntimeerde] valt niet onder de schone lei en blijft afdwingbaar na afloop van de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.337.329/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/641230 / HA ZA 23-65
Arrest van 17 februari 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[appellant],
woonplaats kiezend in [plaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. de Jongh, kantoorhoudend in Leiden,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.A. Korver, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] is in 2006 strafrechtelijk veroordeeld voor een poging tot doodslag op het ruim drie maanden oude kind van partijen. In 2009 heeft [geïntimeerde] bij de burgerlijke rechter schadevergoeding gevorderd. In die procedure hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt, die zijn vastgelegd in het vonnis van 28 juli 2010 van de rechtbank Den Haag. De overeengekomen schadevergoeding betrof zowel een vergoeding voor de schade van het kind als voor die van [geïntimeerde] . Het kind is in 2015 overleden. Het afgesproken bedrag was toen nog maar gedeeltelijk door [appellant] voldaan. [appellant] is in april 2021 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In deze zaak gaat het om de vraag of de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] na afloop van de schuldsaneringsregeling nog afdwingbaar is in verband met het bepaalde in art. 358 lid 4 Faillissementswet Pro (Fw).
1.2
Het hof heeft partijen bij tussenarrest in de gelegenheid gesteld om het hof te informeren over het verloop van de schuldsaneringsprocedure. In dit eindarrest komt het hof tot het oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] niet valt onder de aan [appellant] verleende schone lei en dus nog afdwingbaar is.

2.Het verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de akte overleggen stukken en uitlaten van de zijde van [appellant] van 11 november 2025, met bijlagen;
  • de akte uitlaten partijen van de zijde van [geïntimeerde] van 11 november 2025, met bijlagen;
  • de antwoordakte naar aanleiding akte uitlaten van de zijde van [appellant] van 9 december 2025.
2.2
Partijen hebben na het wisselen van de hiervoor genoemde stukken wederom een uitspraak gevraagd.

3.De verdere beoordeling in hoger beroep

3.1
Uit de door partijen overgelegde stukken volgt dat bij uitspraak van 30 april 2024 van de rechtbank Zeeland-West Brabant aan [appellant] de schone lei is verleend. [geïntimeerde] is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft het hof ’sHertogenbosch deze uitspraak bekrachtigd. Dat hof oordeelde in die uitspraak, samengevat, dat met het verlenen van de schone lei aan [appellant] géén oordeel is gegeven over de vraag of de vordering van [geïntimeerde] valt onder de uitzondering van art. 358 lid 4 Fw Pro. Met andere woorden, het verlenen van de schone lei brengt niet zonder meer mee dat [geïntimeerde] haar vordering op [appellant] niet meer kan innen. In de woorden van het hof ’sHertogenbosch:
“De (onderhavige) beslissing over wel of geen schone lei, staat los van ieder oordeel van welke rechter dan ook over de vraag of de vordering van [geïntimeerde] onder de van de schone lei uitgezonderde schulden van art. 358 lid 4 Fw Pro valt. Die vraag ligt niet ter beoordeling aan de rechter die moet beslissen over het al dan niet verlenen van de schone lei. Die vraag komt, behalve in de procedure in de door [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 november 2023 ingestelde hoger beroep, (mogelijk) aan de orde indien [geïntimeerde] na afloop van de schuldsanering wenst door te gaan met executie van het eerder gewezen civiele vonnis waarin [appellant] is veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en [appellant] zich vervolgens beroept op de schone lei en een executiegeschil ontstaat (…)”
3.2
[appellant] heeft, ook nu de schuldsaneringsregeling tot een einde is gekomen, belang bij een oordeel over de vraag of de schuld aan [geïntimeerde] onder de schone lei valt. Het is niet nodig dat dit in een executiegeschil wordt beoordeeld. Het hof zal deze vraag daarom hieronder beantwoorden.
Het oordeel van de rechtbank
3.3
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde] valt onder de uitzondering van art. 358 lid 4 Fw Pro en dat het verlenen van de schone lei dus niet in de weg staat aan het innen van de vordering. De rechtbank motiveerde dit oordeel door te wijzen op de parlementaire geschiedenis van het artikel, waaruit volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om buiten de ‘schone lei’ te houden “
a; die vorderingen die voortvloeien uit een strafrechtelijke veroordeling tot betaling van (…) een schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer”. De door de burgerlijke rechter toegewezen vordering van [geïntimeerde] is op exact dezelfde feiten gegrond als de strafrechtelijke veroordeling van [appellant] voor het schudden van het kind. Aan het uitzonderen van een door de burgerlijke rechter toegewezen vordering van de werking van de schone lei, moet geen andere voorwaarde worden gesteld dan dat deze voortvloeit uit dezelfde feiten die ten grondslag liggen aan de strafrechtelijke veroordeling. Het is volgens de rechtbank daarom niet van belang of de benadeelde partij al dan niet de mogelijkheid heeft gehad om de vordering op de voet van art. 51f Sv aan de strafrechter voor te leggen. De rechtbank voegde daar ten overvloede nog aan toe dat als onweersproken vaststaat dat in 2006 niemand [geïntimeerde] heeft gewezen op de mogelijkheid om zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Bovendien geldt, zo vervolgde de rechtbank, dat als zij dat zou hebben gedaan, de strafrechter met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had geoordeeld dat de vordering te complex was om te beoordelen binnen het strafproces. Van een slachtoffer van een misdrijf kan niet worden verlangd dat deze een complexe schadevergoedingsvordering – die naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard op grond van art. 361 lid 3 Sv Pro – toch aan de strafrechter voorlegt enkel om een verwijzing naar de burgerlijke rechter te verkrijgen en aldus te bewerkstelligen dat aan de letterlijke tekst van de laatste zin van art. 358 lid 4 Fw Pro wordt voldaan. Dat geldt te minder in het onderhavige geval, omdat art. 358 lid 4 Fw Pro pas in werking is getreden op 1 januari 2008 en [geïntimeerde] daar dus in 2006 geen rekening mee kon houden, zo oordeelde de rechtbank.
3.4
De rechtbank verwierp verder het standpunt van [appellant] dat de vordering onder de schone lei valt, omdat deze voor het overgrote deel bestaat uit schadevergoeding voor het kind en slechts voor een klein deel uit schadevergoeding voor [geïntimeerde] zelf. De vordering van het kind is op grond van vererving overgegaan op [geïntimeerde] . Noch uit de tekst van art. 358 lid 4 Fw Pro, noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat een vordering als bedoeld in art. 358 lid 4 Fw Pro anders moet worden behandeld als deze door vererving is overgegaan op een derde, aldus de rechtbank.
De grieven van [appellant] in het principale appel
3.5
[appellant] heeft drie grieven (bezwaren) geformuleerd tegen het hierboven samengevatte oordeel van de rechtbank. Met grief 1 voert [appellant] aan dat alleen al de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling meebrengt dat de vordering van [geïntimeerde] op hem onder de werking van de schone lei zal vallen. Grief 2 houdt in dat de uitzondering van art. 358 lid 4 Fw Pro alleen geldt voor vorderingen die door het slachtoffer zijn ingediend in het strafproces. Met grief 3 brengt [appellant] naar voren dat de rechtbank ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen vorderingen voor [geïntimeerde] zelf en vorderingen die zijn verkregen door erfopvolging.
Met de toelating tot de schuldsaneringsregeling is geen oordeel gegeven over de schone lei
3.6
De toelating tot de schuldsaneringsregeling is geregeld in art. 288 Fw Pro. In het hiernavolgende gaat het hof uit van het artikel zoals dat gold ten tijde van de toelating van [appellant] in 2021. Art. 288 Fw Pro bevat drie voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het verzoek te kunnen toewijzen. Daartoe behoort de voorwaarde dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Er zijn, naast de toelatingsvoorwaarden, ook vier afwijzingsgronden. Eén daarvan bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen als de schuldenaar schulden heeft die voortvloeien uit een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling ter zake van een of meer misdrijven in de periode van vijf jaar voor de dag van indiening van het verzoek. De rechter die oordeelt over het verzoek tot toelating zal toetsen of aan de drie toelatingsvoorwaarden is voldaan en of de verplichte afwijzingsgronden afwezig zijn.
3.7
De vraag of (één of meer van) de schulden op de schuldenlijst na afloop van de schuldsaneringsregeling onder de schone lei vallen, maakt geen onderdeel uit van de toetsing bij toelating tot de (wettelijke) schuldsaneringsregeling. Die vraag komt, zoals ook het hof ’sHertogenbosch in zijn uitspraak van 25 juli 2024 heeft overwogen (rov. 3.8.4), (mogelijk) aan de orde indien een schuldeiser na afloop van de schuldsaneringsregeling wenst door te gaan met het innen van of de executie van een vordering. Degene die de schuldsaneringsregeling heeft doorlopen kan dan in een executiegeschil (of een procedure als de onderhavige) een beroep doen op de schone lei.
3.8
[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op een brief van de Minister van Justitie van 18 april 2002 in het kader van de evaluatie van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. In die brief wordt onder meer beschreven dat het onwenselijk is dat de schuldsanering leidt tot het oninbaar worden van strafrechtelijk gerelateerde schulden:
“Dit heeft dan tot gevolg dat een in het schuldenpakket begrepen strafrechtelijke boete of schadevergoedingsmaatregel niet meer kan worden geïnd, en dat deze na een (zeer) gedeeltelijke aflossing in het wettelijk saneringstraject voor het restant wordt omgezet in een natuurlijke verbintenis, de zogenaamde schone lei. Hiermee komt de handhaving van het strafrecht en de positie van het slachtoffer in geding. Dit is met name waar de boete of schadevergoedingsmaatregel gebaseerd is op ernstige misdragingen, uit maatschappelijk oogpunt ongewenst.”
3.9
In de desbetreffende brief wordt verder besproken dat nog onderzocht zal worden of het mogelijk zal worden gemaakt om een schuldenaar slechts met een deel van zijn schuldenpakket toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De uitzondering voor strafrechtelijk gerelateerde schulden is echter terechtgekomen in art. 358 Fw Pro, dat betrekking heeft op het ná het doorlopen van de regeling verlenen van de schone lei. Daarmee is, waar het gaat om schulden ouder dan vijf jaar, dus niet gekozen voor een toetsing ter gelegenheid van de toelating. Dit volgt uit de memorie van toelichting op art. 358 Fw Pro, zoals dat in 2008 is gaan gelden (Kamerstukken II 2004-2005, 29942, nr. 3):
“Het nieuwe vierde lid voegt een regeling toe voor het uitzonderen van de schone lei van vorderingen uit schulden die voortvloeien uit strafrechtelijke boetes. Schuldenaren met dergelijke boetes uit misdrijven die niet langer dan vijf jaar vóór indiening van het verzoekschrift zijn opgelegd, wordt de toegang tot de schuldsaneringsregeling geweigerd, aldus artikel 288, tweede lid, onder b. Is de veroordeling tot betaling van de boete of de schadevergoeding ouder dan vijf jaar, dan kan de schuldenaar wel worden toegelaten, maar blijven de daaruit voortvloeiende vorderingen bij afsluiting van de schuldsaneringsregeling buiten de schone lei. Zowel in de brief van 27 februari 2002 (TK 2001/02, 28 258, nr. 1, p. 5 en p. 17) als in de brief van 18 april 2002 (TK 2001/02, 28 258, nr. 2) is door de toenmalige Minister van Justitie het voornemen geuit door de strafrechter opgelegde sancties van de Wsnp dan wel de schone lei uit te sluiten. In een algemeen overleg met de vaste commissies voor Justitie en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vervolgens groen licht gegeven voor de uitvoering van dit voornemen (Kamerstukken II 2001/02, 28 258, nr. 3). Naar aanleiding van beleidsaanbevelingen die voortvloeiden uit de evaluatie van de Wsnp in 2001 werd door het kabinet geconcludeerd (zie het kabinetsstandpunt in TK 2001/02, 28 258, nr. 1, p. 17–18) dat de omstandigheid dat soms ook schuldenaren met strafrechtelijk gerelateerde vorderingen tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten, het maatschappelijk draagvlak van de Wsnp kan aantasten. Door het omzetten van strafrechtelijk opgelegde boetes in natuurlijke verbintenissen komt de handhaving van het strafrecht in het geding en ontstaat rechtsongelijkheid ten opzichte van diegenen die hun boetes wel betalen. De schuldsanering zou dan een manier zijn om onder een boete uit te komen. Vooral waar de boete is gebaseerd op ernstige misdragingen – misdrijven – is dit uit maatschappelijk oogpunt ongewenst. Daarom wordt voorgesteld om die boetes uit misdrijven van de schone lei uit te sluiten, die op het moment van het verzoekschrift waarbij de schuldenaar om toepassing van de schuldsaneringsregeling had verzocht ouder waren dan vijf jaar (en dus geen reden hoefden te vormden om de schuldenaar krachtens artikel 288, tweede lid, onder b, Fw de toegang tot de schuldsaneringsregeling te ontzeggen) en die na afronding van de schuldsaneringsregeling nog bestaan.”
3.1
De stelling van [appellant] dat zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling al betekent dat de schuld aan [geïntimeerde] onder de schone lei valt, is dus onjuist. Dit wordt niet anders doordat de toelatingsrechter in rov. 3.2 van het vonnis van 26 april 2021 – ten overvloede – heeft opgemerkt dat de schuld van [geïntimeerde] níet is uitgesloten van de schone lei. Zoals hiervoor overwogen is het niet de toelatingsrechter die daarover beslist. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat het ongelukkig is geweest dat de toelatingsrechter op dit punt een andere indruk heeft gewekt bij [appellant] . Aangezien de schuldeisers geen rol hebben bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling en tegen die toelating – in beginsel – ook niet kunnen opkomen, is [geïntimeerde] echter niet gebonden aan deze overweging ten overvloede. Als [appellant] met zijn verwijzing naar het rechtszekerheidsbeginsel een beroep bedoelt te doen op het gezag van gewijsde van deze beslissing, gaat dat beroep niet op.
3.11
Grief 1 slaagt dus niet.
De schuld aan [geïntimeerde] valt niet onder de schone lei
3.12
Grief 2 heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat de schuld van [appellant] aan het kind en [geïntimeerde] niet onder de schone lei valt, ook al heeft [geïntimeerde] zich niet (voor zichzelf en namens het kind) gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. Het hof acht dit oordeel van de rechtbank (rov. 5.5 tot en met 5.12 van het bestreden vonnis) juist en maakt dit tot het zijne.
3.13
Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Volgens [appellant] kan uit het feit dat de wetgever ervan heeft afgezien om “andere schadevergoeding met een vergelijkbaar ernstige achtergrond” van de schone lei uit te zonderen, worden afgeleid dat art. 358 lid 4 Fw Pro betrekking heeft of een beperkte groep van gevallen, die niet kan worden uitgebreid (TK vergaderjaar 2004-2005, 29 942, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 38). Dit standpunt wordt verworpen. Volgens de memorie van toelichting is de categorie van vermogenssancties die niet onder de schone lei vallen vanwege het voorkomen van afbakeningsproblemen beperkt tot die sancties die rechtstreeks voortvloeien uit een strafrechtelijke veroordeling. De schuld van [appellant] aan [geïntimeerde] moet aan die laatste categorie worden gelijkgesteld, omdat deze voortvloeit uit exact dezelfde feiten die ten grondslag liggen aan de strafrechtelijke veroordeling. Als [geïntimeerde] zich had gevoegd in het strafproces en de strafrechter haar, wegens de complexiteit van de vordering, niet-ontvankelijk had verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter, was dezelfde vordering op dezelfde grondslag bij de burgerlijke rechter aan de orde gekomen als nu het geval is geweest. Van een moeilijk af te bakenen categorie is dus geen sprake bij vorderingen als in deze zaak aan de orde. Er is ook geen goede reden te bedenken waarom de vordering van [geïntimeerde] wat de werking van de schone lei betreft anders behandeld moet worden dan wanneer zij via de strafrechter bij de burgerlijke rechter terecht was gekomen. Die reden is er te minder, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, omdat [geïntimeerde] nooit is gewezen op de mogelijkheid zich als benadeelde in het strafproces te voegen en de regeling van art. 358 lid 4 Fw Pro ten tijde van de veroordeling van [appellant] nog niet bestond, zodat [geïntimeerde] daar ook geen rekening mee kon houden.
3.14
Grief 2 slaagt dus evenmin.
Het is niet relevant dat [geïntimeerde] de vordering van het kind heeft verkregen door vererving
3.15
Zoals hiervoor is geoordeeld, valt de vordering van [geïntimeerde] niet onder de schone lei omdat deze feitelijk voortvloeit uit een strafrechtelijke veroordeling. In de tekst van art. 358 lid 4 Fw Pro wordt niet de voorwaarde gesteld dat de vordering wordt geïnd door het slachtoffer zelf. Ook uit de parlementaire geschiedenis van art. 358 lid 4 Fw Pro kan die voorwaarde niet worden afgeleid. De ratio van art. 358 lid 4 Fw Pro, dat het uit maatschappelijk oogpunt ongewenst is als strafrechtelijk gerelateerde schulden onder de schone lei vallen en dat dit het draagvlak van de Wsnp kan aantasten, geldt ook als het slachtoffer van het misdrijf is overleden. Grief 3 slaagt dus ook niet.
De grief van [geïntimeerde] in het incidentele hoger beroep
3.16
[geïntimeerde] eist in incidenteel hoger beroep dat het hof ten aanzien van de proceskosten alsnog beslist dat deze niet op enigerlei wijze ten laste komen van het ten behoeve van [geïntimeerde] in de schuldsaneringsregeling gespaarde bedrag. [geïntimeerde] voert aan dat uit het overzicht van mutaties van de boedelrekening blijkt dat het griffierecht voor het voeren van de onderhavige procedure en ook de proceskosten van de eerste aanleg, waartoe [appellant] jegens [geïntimeerde] is veroordeeld, zijn betaald uit de boedelrekening. Volgens [geïntimeerde] had het hele boedelactief aan haar moeten toekomen en hadden deze kosten daaruit niet voldaan mogen worden.
3.17
Deze grief wordt verworpen. Hoe het in de schuldsaneringsregeling gespaarde bedrag wordt verdeeld, blijkt uit de slotuitdelingslijst van de schuldsaneringsregeling (art. 356 lid 1 Fw Pro). [geïntimeerde] kan niet langs de weg van het hoger beroep in deze procedure opkomen tegen de slotuitdelingslijst. Voor zover [geïntimeerde] bedoelt op te komen tegen door de rechter-commissaris gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling gegeven beslissingen, geldt evenzeer dat daartegen geen hoger beroep (meer) openstaat, en al helemaal niet bij wege van incidenteel hoger beroep in deze procedure.
Conclusie en proceskosten
3.18
De conclusie is dat het principale hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Hetzelfde geldt voor het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] . Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank van 1 november 2023 bekrachtigen.
3.19
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principale hoger beroep (inclusief nakosten). Het hof begroot de proceskosten in het principale hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 349,-
salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 1.828,-
3.2
Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten van het incidentele hoger beroep (inclusief nakosten). Het hof begroot de proceskosten in het incidentele hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:
salaris advocaat € 645,- ( ½ punt × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 834,-

4.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 november 2023;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van het principale hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.828,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidentele hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 834,-;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de kostenveroordelingen betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, R.G.C. Veneman en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.