Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Het verdere procesverloop in hoger beroep
- de akte overleggen stukken en uitlaten van de zijde van [appellant] van 11 november 2025, met bijlagen;
- de akte uitlaten partijen van de zijde van [geïntimeerde] van 11 november 2025, met bijlagen;
- de antwoordakte naar aanleiding akte uitlaten van de zijde van [appellant] van 9 december 2025.
3.De verdere beoordeling in hoger beroep
a; die vorderingen die voortvloeien uit een strafrechtelijke veroordeling tot betaling van (…) een schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer”. De door de burgerlijke rechter toegewezen vordering van [geïntimeerde] is op exact dezelfde feiten gegrond als de strafrechtelijke veroordeling van [appellant] voor het schudden van het kind. Aan het uitzonderen van een door de burgerlijke rechter toegewezen vordering van de werking van de schone lei, moet geen andere voorwaarde worden gesteld dan dat deze voortvloeit uit dezelfde feiten die ten grondslag liggen aan de strafrechtelijke veroordeling. Het is volgens de rechtbank daarom niet van belang of de benadeelde partij al dan niet de mogelijkheid heeft gehad om de vordering op de voet van art. 51f Sv aan de strafrechter voor te leggen. De rechtbank voegde daar ten overvloede nog aan toe dat als onweersproken vaststaat dat in 2006 niemand [geïntimeerde] heeft gewezen op de mogelijkheid om zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Bovendien geldt, zo vervolgde de rechtbank, dat als zij dat zou hebben gedaan, de strafrechter met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had geoordeeld dat de vordering te complex was om te beoordelen binnen het strafproces. Van een slachtoffer van een misdrijf kan niet worden verlangd dat deze een complexe schadevergoedingsvordering – die naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard op grond van art. 361 lid 3 Sv Pro – toch aan de strafrechter voorlegt enkel om een verwijzing naar de burgerlijke rechter te verkrijgen en aldus te bewerkstelligen dat aan de letterlijke tekst van de laatste zin van art. 358 lid 4 Fw Pro wordt voldaan. Dat geldt te minder in het onderhavige geval, omdat art. 358 lid 4 Fw Pro pas in werking is getreden op 1 januari 2008 en [geïntimeerde] daar dus in 2006 geen rekening mee kon houden, zo oordeelde de rechtbank.
griffierecht € 349,-
salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 1.828,-
salaris advocaat € 645,- ( ½ punt × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 834,-
4.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 november 2023;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het principale hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.828,-;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidentele hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 834,-;
- bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de kostenveroordelingen betreft;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.