Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1752

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.359.623/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering gedetineerde tot verwijdering van GVM-lijst wegens liquidatiegevaar

De gedetineerde [appellant] stond sinds juli 2022 op de GVM-lijst vanwege een hoog risico op liquidatie of bedreiging in detentie, gebaseerd op informatie over betrokkenheid bij een ripdeal en een aanslag op zijn gezin.

Ondanks zijn bezwaar en eerdere afschaling van de status van 'hoog' naar 'verhoogd', handhaafde de selectiefunctionaris de plaatsing op de lijst. Het hof toetste de meest recente beslissing van december 2025 en concludeerde dat het liquidatiegevaar nog steeds latent aanwezig is.

De gedetineerde voerde aan dat de Staat onvoldoende actuele informatie had om het risico te onderbouwen, maar het hof oordeelde dat de selectiefunctionaris in redelijkheid tot zijn besluit kon komen, mede gezien de ernst van het risico en het feit dat het gevaar ook van buiten de inrichting kan komen.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de gedetineerde in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot verwijdering van de GVM-lijst af wegens latent liquidatiegevaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.359.623/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/687582 / KG ZA 25-631
Arrest in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellant],
momenteel verblijvend in de PI [verblijfplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. Y. Bouchikhi, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T.J. Crom, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] is gedetineerd. Hij staat sinds 13 juli 2022 (met een korte onderbreking) op de zogeheten GVM-lijst (lijst van gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico). [appellant] vindt dat zijn plaatsing op deze lijst onrechtmatig is omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Hij vordert dat hij van de GVM-lijst wordt verwijderd.
1.2
De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 september 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2025, en waarin grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen;
  • de memorie van antwoord van de Staat;
  • de e-mail van [appellant] van 23 maart 2026, met een bijlage;
  • de e-mail van de Staat van 30 maart 2026, met bijlagen.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De rechtbank Midden-Nederland heeft [appellant] op 5 juli 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar en zes maanden vanwege de voorbereiding van een liquidatie en medeplichtigheid aan het medeplegen van een andere liquidatie. Het Openbaar Ministerie en [appellant] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. [appellant] verbleef sinds 23 juni 2022 in voorlopige hechtenis in deze strafzaak.
3.2
Bij besluit van 13 juli 2022 heeft de selectiefunctionaris, namens de Minister van Justitie en Veiligheid, [appellant] geplaatst op de hierboven onder 1.1. al genoemde GVM-lijst. De voor plaatsing geldende criteria waren op dat moment opgenomen in de circulaire Beleid gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico van 8 juli 2021 (hierna: de GVM-Circulaire 2021). De selectiefunctionaris heeft [appellant] geplaatst in de categorie ‘hoog’, op grond van (het risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde (criterium C). De selectiefunctionaris heeft daartoe besloten na advies van het Operationeel Overleg (hierna: het OO), een landelijk samenwerkingsverband van bij het gevangeniswezen betrokken partijen, onder wie de selectiefunctionaris, een directeur van een penitentiaire inrichting (PI), een operationeel specialist van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) en vertegenwoordigers van het OM. In het OO-verslag van 13 juli 2022 staat, onder verwijzing naar rapporten van het GRIP van 30 juni 2022, onder meer het volgende:
  • Bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is in juni 2022 de informatie binnengekomen dat [appellant] en twee anderen enkele weken eerder een partij coke hebben geript, dat de eigenaar van deze partij coke naar hen op zoek is en dat in het criminele circuit niet ondenkbaar is dat, wanneer men onvindbaar is, de dreiging zich richt op hun naaste familie.
  • In het weekend vóór het in 3.1. genoemde vonnis is de voorgevel van de woning waar de echtgenote en kinderen van [appellant] verbleven, eruit geblazen. Vermoed wordt dat dit verband houdt met de betrokkenheid van [appellant] bij een ripdeal.
3.3
Op 11 januari 2023 is [appellant] opnieuw besproken in het OO. Het OO adviseerde om aan de plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst in de categorie ‘hoog’ criterium E uit de GVM-Circulaire 2021 (ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting) toe te voegen. Dit was gebaseerd op, kort gezegd, een in het voedsel van [appellant] aangetroffen telefoon en oplader, door middel van een positieve urinecontrole (UC) vastgesteld drugsgebruik, een poging tot invoer van contrabande en het voeren van een (niet toegestaan) telefoongesprek via een kaart van een medegedetineerde. De selectiefunctionaris heeft dit advies opgevolgd.
3.4
In het kader van het hoger beroep tegen het in 3.1 genoemde vonnis heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de voorlopige hechtenis van [appellant] met ingang van 19 mei 2023 geschorst. Deze schorsing heeft voortgeduurd tot 11 december 2023. Tijdens de periode van schorsing van de voorlopige hechtenis is de plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst komen te vervallen. Nadat de schorsing van de voorlopige hechtenis was beëindigd en [appellant] weer in hechtenis was genomen op de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) van de PI Krimpen aan den IJssel, is zijn plaatsing op de GVM-lijst met het risicoprofiel ‘hoog’ op advies van het OO van 13 december 2023 herleefd op basis van de criteria C en E.
3.5
In een GRIP-rapport van 20 december 2023 is onder meer opgenomen:
Het Meldpunt GRIP heeft onderstaande informatie ontvangen.
Via het Landelijk parket is medio december de navolgende informatie van Team Criminele Inlichtingen binnengekomen:
Er is een serieuze dreiging op het leven van [naam][ [appellant] , toevoeging hof]
. De reden hiervan is dat er binnen het criminele milieu wordt gezegd dat [naam] een verklaring heeft afgelegd bij de politie.
3.6
Op 10 januari 2024, 10 juli 2024 en 8 januari 2025 is [appellant] opnieuw besproken in het OO, waarna de selectiefunctionaris telkens heeft besloten om de plaatsing in de categorie ‘hoog’ op basis van de criteria C en E te verlengen voor 6 maanden.
3.7
Op 12 februari 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [appellant] in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaar en zes maanden vanwege (opnieuw) voorbereiding van een liquidatie en medeplichtigheid aan het medeplegen van een andere liquidatie. [appellant] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
3.8
In een eerdere kortgedingprocedure bij de rechtbank Den Haag heeft [appellant] gevorderd om zijn plaatsing op de GVM-lijst te beëindigen, althans af te schalen naar de status ‘verhoogd’. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen bij vonnis van 14 april 2025 afgewezen, omdat (samengevat) de selectiefunctionaris op basis van de bespreking van [appellant] in het OO van 8 januari 2025 in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de GVM-status van [appellant] te verlengen. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen:
4.12
Aan [appellant] moet wel worden toegegeven dat de enkele verwijzing naar de GRIP-rapporten van 30 juni 2022 en 30 december 2022, de explosie op 3 juli 2022 en de overige in de beschikbare verslaglegging van het OO genoemde incidenten op enige moment door tijdsverloop een onvoldoende basis zullen vormen voor handhaving van de GVM-status (‘hoog’) van [appellant] vanwege liquidatiegevaar. Bij een volgend evaluatiemoment kan daartoe niet meer volstaan worden met de enkele opmerking dat het liquidatiegevaar nog steeds actueel is en mag op dit punt een concrete motivering worden verwacht. De stelling van de Staat dat tot nu toe geen informatie beschikbaar is gekomen waaruit blijkt dat het liquidatiegevaar er niet meer zou zijn, is daartoe in ieder geval onvoldoende.
3.9
Op 1 mei 2025 heeft de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de PI Krimpen aan den IJssel (hierna: de beklagcommissie) naar aanleiding van het beklag van [appellant] tegen de op 9 januari 2025 door de directeur van de PI Krimpen aan den IJssel aan hem opgelegde toezichtmaatregelen geoordeeld dat die maatregelen niet opgelegd hadden mogen worden wegens (samengevat) het ontbreken van actuele informatie met betrekking tot het liquidatiegevaar. Daarbij heeft de beklagcommissie onder meer vastgesteld dat zij zich in het kader van eerder aan [appellant] opgelegde maatregelen al kritisch had uitgelaten over de summiere informatie met betrekking tot de actualiteit van het liquidatiegevaar en dat zij daarbij had benoemd dat het op de weg van de directeur van de PI had gelegen om een nadere rapportage op te laten stellen waaruit blijkt dat de informatie nog steeds actueel is. Verder heeft de beklagcommissie overwogen dat uit de bestreden beslissing van 9 januari 2025 niet blijkt dat sprake is van nieuwe informatie of een aanvullende rapportage waaruit de actualiteit van die informatie blijkt en dat vanwege het tijdsverloop en het ontbreken van nieuwe (actuele) informatie niet kan worden geoordeeld dat het liquidatiegevaar nog actueel is. Daarbij heeft de beklagcommissie betrokken dat de voorlopige hechtenis van [appellant] gedurende zeven maanden geschorst is geweest en dat zich in die periode geen incidenten rond [appellant] of zijn omgeving hebben voorgedaan.
3.1
Op 13 mei 2025 is [appellant] vanuit de AIT in de PI Krimpen aan den IJssel overgeplaatst naar een reguliere gevangenisafdeling in de PI Lelystad. Op dat moment zijn aan [appellant] geen toezichtmaatregelen opgelegd.
3.11
Op 11 juni 2025 is [appellant] weer besproken in het OO, waarna is besloten om zijn GVM-status af te schalen naar ‘verhoogd’ en om criterium E te laten vervallen. In het verslag van het OO is opgenomen:
Informatie vanuit de PI Krimpen a/d IJssel
Betrokkene heeft zich het afgelopen half jaar beter gedragen. Hij had eind 2024 nog een probleem met drugs, gezien de positieve UC’s maar de laatste UC’s laten een negatief resultaat zien. Ondermijning gezag ziet de PI niet langer dus indicatie E komt te vervallen. Daarnaast wordt de GVM-status ‘hoog’ van betrokkene afgeschaald naar ‘verhoogd’. Het OO heeft geoordeeld dat het liquidatiegevaar latent aanwezig zal blijven gezien de antecedenten van betrokkene. Het OO heeft kennisgenomen van de uitkomsten van het KG en de uitspraak van de CvT, maar is van mening dat direct volledig afschalen niet verantwoord is. Betrokkene heeft gedurende langere tijd verbleven op een zeer kleinschalige setting (AIT) en is in die periode ook beveiligd vervoerd. Dit heeft de liquidatiedreiging geminimaliseerd. Nu betrokkene wordt afgeschaald, moet verantwoordelijkheid worden genomen voor de veiligheid van betrokkene op een grootschalige reguliere setting. Het OO stelt dat hiervoor nog enige tijd monitoring nodig is.
3.12
De directeur van de PI Lelystad heeft deze beslissing op 13 juni 2025 schriftelijk aan [appellant] meegedeeld, waarbij ook is meegedeeld dat aan [appellant] een aantal toezichtmaatregelen zal worden opgelegd. In die mededeling is onder meer vermeld:
Beschrijving van de beschikbare informatie, waarop onderstaande maatregelen zijn gebaseerd:
U bent op 11 juni 2025 besproken in het Operationeel Overleg (OO). In dit overleg heeft men besloten de indicatie HOOG af te schalen naar VERHOOGD. Het liquidatiegevaar is nog steeds latent aanwezig. U bent betrokken geweest bij het rippen van een partij coke waarna de eigenaar van de coke naar u op zoek is gegaan. Het is onbekend hoe deze kwestie is opgelost. Ook is er op uw gezin een aanslag geweest middels een aanslag op een chalet wat zij bewoonden. U heeft twee en een half jaar verbleven in de AIT van Krimpen aan de IJssel. De AIT is een zeer kleine overzichtelijke setting waarbij u volledig in bescherming genomen kunt worden, dat is in de setting van de PI Lelystad waar u nu verblijft anders. Het is dus in ons en uw belang noodzakelijk u goed te blijven volgen.
Ik heb alle informatie die ik tot mijn beschikking heb in overweging genomen. Ik heb u gehoord op 12 juni 2025 en heb u verteld dat ik voornemens ben u de onderstaande toezichtsmaatregelen op te leggen om uw gedrag en uw contacten met de buitenwereld te monitoren. Dit om het risico op liquidatie te minimaliseren. (…) Ik heb u verteld dat de afweging opnieuw is gemaakt in het OO (het eerste OO na de beslissing van de kort gedingrechter) en dat de stap van het regime AIT naar een regulier gevangenisregime erg groot is. U geeft aan het te begrijpen dat er een nieuwe afweging is gemaakt waarbij is gekeken naar de setting, nieuwe omgeving van PI Lelystad, maar dat u vanuit uw perspectief het hier niet mee eens bent. Ik heb de maatregelen met u doorgenomen en heb u verteld dat de maatregel visitatie na bezoek en op indicatie niet aan u zal worden opgelegd. Ik heb u gewezen op uw juridische mogelijkheden. (…)
(…) Ik realiseer me wat de impact van deze maatregelen is voor u en uw contacten. Ik ben echter van mening dat ik op dit moment meer waarde moet hechten aan uw veiligheid en de veiligheid van het personeel in de inrichting. Het risicoprofiel dat door het OO is opgesteld is voor mij een gegeven waar ik mijn individuele belangenafweging op moet baseren. Ik erken het risico zoals dat door het OO wordt benoemd en ben van mening dat uw gedrag zal moeten worden gemonitord.
3.13
In een uitspraak van 20 juni 2025 heeft de voorzitter van de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) (hierna: de voorzitter) het verzoek van [appellant] tot schorsing van de door de directeur van de PI Lelystad aan hem opgelegde maatregelen afgewezen. Daarbij heeft de voorzitter – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
Uit de stukken volgt dat verzoeker op de GVM-lijst is geplaatst met de status ‘verhoogd’ in verband met de indicatie ‘(risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde’. Op 11 juni 2025 is verzoeker besproken in het Operationeel Overleg. Daarin is besloten om de GVM-status ‘hoog’ af te schalen naar ‘verhoogd’. Het liquidatiegevaar is, zo volgt uit de bestreden beslissing, nog steeds latent aanwezig, omdat verzoeker in het verleden betrokken is geweest bij een ripdeal en de betrokken persoon op zoek is gegaan naar verzoeker. Het is onduidelijk of en hoe deze situatie is opgelost. Wel is er een aanslag geweest op het chalet waar verzoekers gezin woonde. Gelet op het voorgaande, en mede omdat verzoeker gedurende tweeënhalf jaar verbleef op de kleine en beschermde setting van de Afdeling Intensief Toezicht binnen de PI Krimpen aan den IJssel, terwijl hij zich nu op een grotere, reguliere afdeling bevindt van de PI Lelystad, acht de directeur het noodzakelijk om aan verzoeker toezichtsmaatregelen op te leggen.
Naar het oordeel van de voorzitter wordt uit de bestreden beslissing de noodzaak voor het opleggen van toezichtsmaatregelen voldoende aannemelijk. Uit de stukken volgt dat de directeur na binnenkomst van verzoeker in de inrichting een risico-inschatting heeft gemaakt met betrekking tot het verblijf op een reguliere afdeling. Daarbij geldt dat goed gedrag van verzoeker op de afdeling niet betekent dat een risico op liquidatiegevaar van buitenaf niet meer aanwezig is. Uit de bestreden beslissing blijkt ook dat verzoeker is gehoord voordat de beslissing is genomen en dat dit heeft geleid tot concrete afspraken over het bellen. Daarnaast heeft de directeur een eigen belangenafweging gemaakt bij het nemen van zijn beslissing. De voorzitter merkt daarbij op dat de directeur niet alle mogelijke maatregelen heeft opgelegd. De beslissing tot het opleggen van de toezichtsmaatregelen is gelet hierop niet zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom afwijzen.
3.14
Op 24 juli 2025 is [appellant] overgeplaatst naar de PI [verblijfplaats] . De directeur van de PI [verblijfplaats] heeft toen besloten om (het merendeel van) de toezichtmaatregelen over te nemen vanuit de PI Lelystad. In de schriftelijke mededeling van de directeur van de PI [verblijfplaats] aan [appellant] (van 22 december 2025) is hierover het volgende vermeld:
De Directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] heeft u medegedeeld de toezichtsmaatregelen over te nemen vanuit de Penitentiaire Inrichting te Lelystad. De Directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] realiseert zich terdege, wat de impact van deze toezichtsmaatregelen zijn voor u en uw contacten. De directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] is echter van mening dat zij dit moment meer waarde moeten hechten aan uw veiligheid en de veiligheid van het personeel in de inrichting. Het risicoprofiel dat door het operationeel overleg is opgesteld is voor de directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] een gegeven waarbij zij de individuele belangenafweging op moet baseren.
De directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] erkent het risico zoals dat door het Operationeel Overleg wordt benoemd en ben is[het hof neemt aan dat hier “ik” had moeten staan]
van mening van uw gedrag en veiligheid zal moeten worden gemonitord. Gezien dit alles neemt de directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] de onderstaande toezichtsmaatregelen ter bescherming van de orde, rust en veiligheid van de inrichting, over van de Penitentiaire Inrichting te Lelystad.
3.15
Op 1 november 2025 is de GVM-Circulaire 2021 vervangen door een deels aangepaste circulaire, gedateerd 23 september 2025 (hierna: de GVM-Circulaire 2025). Een van de wijzigingen is dat GVM-gedetineerden voortaan worden onderscheiden in twee categorieën, te weten risicogedetineerden (RG) en hoogrisicogedetineerden (HRG). De criteria voor de categorie RG zijn dezelfde als die onder het oude recht voor plaatsing op de GVM-lijst (A tot en met F), met dien verstande dat de omschrijving van criterium D is aangepast, en er een criterium G aan is toegevoegd, maar dat is niet relevant voor de beoordeling in deze zaak. Bij wijze van overgangsrecht is bepaald dat gedetineerden die op 1 november 2025 in een normaal beveiligde inrichting verbleven en onder het oude recht de GVM-status ‘verhoogd’ of ‘hoog’ hebben, worden aangemerkt als risicogedetineerde (RG).
3.16
Op 16 december 2025 is [appellant] besproken in het Overleg Risicogedetineerden (ORG), een landelijk adviesorgaan, dat evenals voorheen het OO, onder meer de taak heeft om de selectiefunctionaris te adviseren over plaatsing dan wel handhaving van een (RG) gedetineerde op de GVM-lijst. Het ORG adviseerde om [appellant] (voor een periode van 6 maanden) aan te merken als RG op grond van criterium C ((risico op) liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde). De selectiefunctionaris heeft dit advies opgevolgd. In het verslag van het ORG valt onder meer het volgende te lezen:
Gelet op het feit dat betrokkene nog altijd verantwoordelijk wordt gehouden voor de ripdeal en er een aanslag is gepleegd op zijn gezin, bestaat er volgens het ORG nog altijd een reële en aannemelijke kans/risico op liquidatie of bedreiging in detentie van of door betrokkene. Daar er geen nieuwe informatie is dat de dreiging weg is (of is toegenomen), wordt uitgegaan van een latente dreiging. Gelet hierop is het advies vanuit het ORG om betrokkene aan te merken als risicogedetineerde met indicatie C.
3.17
Op 22 december 2025 heeft de directeur van de PI [verblijfplaats] aan [appellant] schriftelijk medegedeeld dat hij (nog steeds) op de GVM-lijst staat (in de categorie RG) en dat aan hem (opnieuw) toezichtmaatregelen zijn opgelegd. De directeur van de PI [verblijfplaats] acht de maatregelen nodig vanwege de aanwezigheid van het latente liquidatierisico. In de schriftelijke mededeling staat onder meer het volgende:
De directeur van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] volgt hierin het advies van het ORG. (…) De directie van Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] heeft u[het hof neemt aan dat hier “uw” had moeten staan]
belangen afgewogen tegen de belangen van de inrichting en zijn van oordeel dat de eerder/huidige opgelegde toezichtsmaatregelen niet onredelijk of onbillijk zijn. (…) Gelet op de onderliggende informatie, in combinatie met mijn verantwoordelijkheid voor uw veiligheid en de veiligheid binnen de inrichting, heb ik besloten aan om u de volgende maatregelen op te leggen, dit voor een periode tot de eerstvolgende toetsing van uw risicoprofiel in het Overleg Risico-gedetineerden. Zoals in deze beschikking vermeld, bent u voor een periode van 6 maanden aangemerkt als risicogedetineerde. Binnen mijn verantwoordelijkheid kan ik ook tussentijds de maatregelen die in deze beslissing staan vermeld aanpassen.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
[appellant] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd dat hij van de GVM-lijst wordt verwijderd.
4.2
[appellant] heeft daartoe aangevoerd dat de Staat onrechtmatig handelt door hem op de GVM-lijst te plaatsen, en die plaatsing te handhaven. Volgens hem was niet aan criterium C voldaan. Op basis van zijn GVM-status zijn aan [appellant] allerlei beperkende maatregelen opgelegd. Hij heeft daarom groot belang bij verwijdering van de GVM-lijst.
4.3
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en heeft [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellant] , mede gelet op zijn antecedenten, geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat het risico van liquidatiegevaar inmiddels zodanig is verminderd dat een onmiddellijke verwijdering van [appellant] van de GVM-lijst gerechtvaardigd is. De beslissing van de selectiefunctionaris om de GVM-status van [appellant] af te schalen van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’ is overeenkomstig het beleid van de Staat en is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de situatie van [appellant] niet onbegrijpelijk of onredelijk.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] is in hoger beroep gekomen, omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij heeft acht bezwaren (grieven) tegen het vonnis aangevoerd. [appellant] vordert hetzelfde als bij de voorzieningenrechter.
5.2
Samengevat houden de grieven het volgende in. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat het aan [appellant] is om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die de conclusie rechtvaardigen dat het risico op liquidatiegevaar inmiddels zodanig is verminderd dat een onmiddellijke verwijdering van de GVM-lijst gerechtvaardigd is (grief 5). Op de Staat rust de stelplicht en bewijslast dat wordt voldaan aan criterium C. [appellant] betwist dat aan dit criterium wordt voldaan. Het criterium ziet op (risico op) liquidatie of bedreiging
in detentievan of door de gedetineerde en niet om het risico van liquidatie
van buitende inrichting (grief 2). [appellant] betwist ook dat hij betrokken is geweest bij een ripdeal (grief 4). Hij is hiervan nooit verdacht geweest en is hiervoor ook niet veroordeeld. Verder blijft de Staat zich op dezelfde oude informatie beroepen, maar gelet op het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 april 2025 kan hij daarmee niet volstaan en moet hij met een concrete motivering komen. Uit het uitblijven van incidenten tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis en in de eerste maand van [appellant] in de PI Lelystad, het rapport voor de Raad voor de Kinderbescherming en de (na het vonnis in kort geding van 14 april 2025 gedane) uitspraak van de beklagcommissie volgt dat geen sprake is van actueel en concreet liquidatiegevaar (grief 1). Ook na het advies van het OO van 11 juni 2025 zijn er geen ernstige wanordelijkheden geweest, zoals een poging tot liquidatie of een bedreiging van [appellant] en/of zijn omgeving, zodat geen gewicht mag toegekend aan dat advies, te meer omdat niet is gebleken dat de informant sinds 2023 is bevraagd over de vermeende dreiging en of deze nog actueel is (grief 3). De Staat heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het beleid is om de GVM-status stapsgewijs af te schalen (grief 7). Het gestelde beleid is nergens terug te vinden, zodat niet kan worden aangenomen dat afschalen van de GVM-status van [appellant] van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’ hiermee in lijn is (grief 6). Gelet op dit alles is de beslissing om [appellant] op de GVM-lijst te handhaven in de categorie ‘verhoogd’ onrechtmatig (grief 8).

6.Beoordeling in hoger beroep

Ontvankelijkheid en belang [appellant]

6.1
stelt belang te hebben bij verwijdering van de GVM-lijst vanwege de zwaarte van de toezichtmaatregelen die aan hem zijn opgelegd in verband met zijn GVM-status. Volgens [appellant] komt hij door die maatregelen niet in aanmerking voor gezamenlijke (religieuze) activiteiten, bezoek zonder toezicht, beeldbellen met zijn naasten en een vader-kind-dag met zijn zoon.
6.2
De beslissing over de vraag welke maatregelen aan een gedetineerde worden opgelegd, is aan de directeur van de penitentiaire inrichting. De gedetineerde kan tegen de beslissing over het opleggen van concrete maatregelen opkomen in een procedure bij de RSJ. Dat is naar vaste rechtspraak een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Het hof kan daarom in deze procedure de aan [appellant] opgelegde maatregelen niet beoordelen. Dat betekent echter niet dat [appellant] geen belang heeft bij zijn vordering in kort geding om hem te verwijderen van de GVM-lijst. Het moge zo zijn dat de GVM-status van RG er niet toe hoeft te leiden dat toezichtmaatregelen worden getroffen, zoals de Staat stelt, maar dat neemt niet weg dat die status daartoe wel kán leiden en dit bij [appellant] ook het geval is. Voor [appellant] staat geen andere rechtsgang open om de door hem beoogde verwijdering van de GVM-lijst te bewerkstelligen, zodat hij in dit kort geding ontvankelijk is in zijn vordering en ook voldoende belang heeft bij een beslissing op zijn vordering.
Toetsingskader
6.3
[appellant] heeft terecht niet bestreden dat de civiele rechter in kort geding de beslissing van de selectiefunctionaris om een gedetineerde op de GVM-lijst te plaatsen, respectievelijk de beslissing om die plaatsing te handhaven, slechts marginaal kan toetsen omdat de selectiefunctionaris daarbij beoordelingsruimte toekomt. Dat betekent dat het hof in dit geding moet nagaan of de selectiefunctionaris in redelijkheid tot de beslissing om de plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst te handhaven, heeft kunnen komen.
6.4
Verder is het zo dat het hof
ex nuncde meest recente bij het hof bekende verlengingsbeslissing van de selectiefunctionaris moet toetsen. Dat is in dit geval de beslissing van de selectiefunctionaris van 16 december 2025. De selectiefunctionaris heeft toen besloten om [appellant] te handhaven op de GVM-lijst en hem aan te merken als RG op grond van criterium C.
Liquidatiegevaar (criterium C); toetsing beslissing 16 december 2025
6.5
Criterium C gaat om “(risico op) liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde”. De woorden “in detentie” houden niet in dat het criterium beperkt is tot gevaren die zich geheel afspelen binnen de penitentiaire inrichting. Een gedetineerde kan in detentie immers ook worden bereikt door de buitenwereld. [appellant] miskent met zijn uitleg dat een risico op liquidatie dat van buiten afkomstig is ook onder criterium C valt.
6.6
In juli 2022 is voor het eerst liquidatiegevaar aangenomen en is [appellant] in verband hiermee op de GVM-lijst geplaatst. Deze indicatie was destijds gebaseerd op de bij het TCI in juni 2022 binnengekomen informatie dat [appellant] verantwoordelijk werd gehouden voor een ripdeal enkele weken eerder, dat de eigenaar van de geripte cocaïne op zoek was naar [appellant] en dat niet ondenkbaar was dat de dreiging zich richtte op zijn naaste familie wanneer hij onvindbaar was. Het feit dat [appellant] betwist dat hij betrokken is geweest bij een ripdeal en dat geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling of formele verdenking op dit punt, maakt niet dat de selectiefunctionaris deze TCI-informatie niet mocht meewegen. De selectiefunctionaris mag ook ‘zachte’ informatie zoals TCI-meldingen meewegen, en dat geldt zeker als het gaat om het voorkomen van een liquidatie. Daarbij komt dat de TCI-informatie is getoetst en als betrouwbaar is beoordeeld en dat korte tijd later een aanslag is gepleegd op de woning van [appellant] . Dit bevestigt de betrouwbaarheid van de TCI-informatie. Bovendien is [appellant] zelf veroordeeld voor het voorbereiden van een liquidatie en medeplichtigheid aan het medeplegen van een andere liquidatie, wat erop wijst dat hij zich in een gewelddadig milieu bevindt. De selectiefunctionaris kon daarom in juli 2022 in redelijkheid besluiten om [appellant] op de GVM-lijst met risicoprofiel hoog te plaatsen in verband met liquidatiegevaar.
6.7
In december 2023 heeft het TCI verdere informatie verstrekt inhoudend dat sprake was van een serieuze dreiging voor het leven van [appellant] vanwege het gerucht dat hij een verklaring zou hebben afgelegd bij de politie. Deze (als betrouwbaar beoordeelde) informatie bevestigde dat [appellant] op dat moment nog altijd het risico liep om slachtoffer te worden van een liquidatie. [appellant] verbleef in december 2023 weer in detentie. Reeds daarom kan uit de omstandigheid dat zich tijdens de eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis van [appellant] geen incidenten hebben voorgedaan, niet worden afgeleid dat geen gevaar voor liquidatie (meer) dreigt.
6.8
De Staat heeft niet gesteld dat na december 2023 sprake is geweest van nieuwe incidenten of nieuwe TCI-informatie over een actuele en concrete dreiging voor het leven van [appellant] . In het algemeen geldt dat naarmate de informatie waarop de plaatsing op de GVM-lijst is gebaseerd ouder wordt, een mogelijke verlichting van de positie van de gedetineerde op enig moment in beeld komt. In dit geval is al sprake geweest van enige verlichting. Na het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 april 2025 en na de uitspraak van de beklagcommissie van 1 mei 2025, is [appellant] vanuit de AIT overgeplaatst naar een reguliere gevangenisafdeling en op 11 juni 2025 is besloten om de GVM-status van [appellant] af te schalen van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’.
6.9
Naar het oordeel van het hof mocht de selectiefunctionaris het belang om [appellant] (en zijn contacten met de buitenwereld) nog een tijd te kunnen monitoren, ook in december 2025 nog zwaar laten wegen. In 2022 was sprake van een concrete bedreiging voor het leven van [appellant] en medio december 2023 werd dit risico opnieuw gesignaleerd. Dat er vervolgens geen aanvullende informatie naar boven is gekomen die het bestaan van de liquidatiedreiging bevestigt en dat geen ernstige wanordelijkheden hebben plaatsgevonden, maakt niet dat het liquidatiegevaar daarom niet langer door de selectiefunctionaris zou mogen worden aangenomen. Ook na het verstrijken van een langere tijd kan in het criminele milieu immers wraak worden genomen. De informatie is ook niet weer zo oud dat hieraan geen waarde meer mag worden toegekend, zeker gelet op de ernst van het risico (gevaar voor het leven van [appellant] ) en het feit dat het in dit geval niet alleen gaat om een dreiging, maar er ook daadwerkelijk sprake is geweest van een aanslag. Handhaving van [appellant] op de GVM-lijst stelt de directeur van de penitentiaire inrichting in staat om [appellant] , aan de hand van op maat gesneden maatregelen, nog een tijd te monitoren en zijn veiligheid (en die van zijn medegedetineerden en het personeel van de penitentiaire inrichting) te waarborgen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de selectiefunctionaris in december 2025 in redelijkheid kon besluiten dat het nog te prematuur is om [appellant] van de GVM-lijst te verwijderen.
6.1
Het hof tekent hierbij aan dat de informatie uit 2022 en 2023 bij gebrek aan nieuwe informatie, incidenten of meldingen niet zonder meer tot aan het einde van de detentie van [appellant] voldoende basis kan blijven vormen om hem in verband met liquidatiegevaar op de GVM-lijst te handhaven. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden, kan de informatie op enig moment door tijdsverloop mogelijk niet meer als voldoende actueel en zwaarwegend worden aangemerkt.
Conclusie en proceskosten
6.11
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.12
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.306,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2025;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 2.306,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, E.M. Dousma-Valk en R.J.J. Aerts en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.