Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 3 september 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2025, en waarin grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen;
- de memorie van antwoord van de Staat;
- de e-mail van [appellant] van 23 maart 2026, met een bijlage;
- de e-mail van de Staat van 30 maart 2026, met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
- Bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is in juni 2022 de informatie binnengekomen dat [appellant] en twee anderen enkele weken eerder een partij coke hebben geript, dat de eigenaar van deze partij coke naar hen op zoek is en dat in het criminele circuit niet ondenkbaar is dat, wanneer men onvindbaar is, de dreiging zich richt op hun naaste familie.
- In het weekend vóór het in 3.1. genoemde vonnis is de voorgevel van de woning waar de echtgenote en kinderen van [appellant] verbleven, eruit geblazen. Vermoed wordt dat dit verband houdt met de betrokkenheid van [appellant] bij een ripdeal.
. De reden hiervan is dat er binnen het criminele milieu wordt gezegd dat [naam] een verklaring heeft afgelegd bij de politie.
van mening van uw gedrag en veiligheid zal moeten worden gemonitord. Gezien dit alles neemt de directie van de Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats] de onderstaande toezichtsmaatregelen ter bescherming van de orde, rust en veiligheid van de inrichting, over van de Penitentiaire Inrichting te Lelystad.
belangen afgewogen tegen de belangen van de inrichting en zijn van oordeel dat de eerder/huidige opgelegde toezichtsmaatregelen niet onredelijk of onbillijk zijn. (…) Gelet op de onderliggende informatie, in combinatie met mijn verantwoordelijkheid voor uw veiligheid en de veiligheid binnen de inrichting, heb ik besloten aan om u de volgende maatregelen op te leggen, dit voor een periode tot de eerstvolgende toetsing van uw risicoprofiel in het Overleg Risico-gedetineerden. Zoals in deze beschikking vermeld, bent u voor een periode van 6 maanden aangemerkt als risicogedetineerde. Binnen mijn verantwoordelijkheid kan ik ook tussentijds de maatregelen die in deze beslissing staan vermeld aanpassen.
4.Procedure bij de voorzieningenrechter
5.Vordering in hoger beroep
in detentievan of door de gedetineerde en niet om het risico van liquidatie
van buitende inrichting (grief 2). [appellant] betwist ook dat hij betrokken is geweest bij een ripdeal (grief 4). Hij is hiervan nooit verdacht geweest en is hiervoor ook niet veroordeeld. Verder blijft de Staat zich op dezelfde oude informatie beroepen, maar gelet op het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 april 2025 kan hij daarmee niet volstaan en moet hij met een concrete motivering komen. Uit het uitblijven van incidenten tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis en in de eerste maand van [appellant] in de PI Lelystad, het rapport voor de Raad voor de Kinderbescherming en de (na het vonnis in kort geding van 14 april 2025 gedane) uitspraak van de beklagcommissie volgt dat geen sprake is van actueel en concreet liquidatiegevaar (grief 1). Ook na het advies van het OO van 11 juni 2025 zijn er geen ernstige wanordelijkheden geweest, zoals een poging tot liquidatie of een bedreiging van [appellant] en/of zijn omgeving, zodat geen gewicht mag toegekend aan dat advies, te meer omdat niet is gebleken dat de informant sinds 2023 is bevraagd over de vermeende dreiging en of deze nog actueel is (grief 3). De Staat heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het beleid is om de GVM-status stapsgewijs af te schalen (grief 7). Het gestelde beleid is nergens terug te vinden, zodat niet kan worden aangenomen dat afschalen van de GVM-status van [appellant] van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’ hiermee in lijn is (grief 6). Gelet op dit alles is de beslissing om [appellant] op de GVM-lijst te handhaven in de categorie ‘verhoogd’ onrechtmatig (grief 8).
6.Beoordeling in hoger beroep
Ontvankelijkheid en belang [appellant]
ex nuncde meest recente bij het hof bekende verlengingsbeslissing van de selectiefunctionaris moet toetsen. Dat is in dit geval de beslissing van de selectiefunctionaris van 16 december 2025. De selectiefunctionaris heeft toen besloten om [appellant] te handhaven op de GVM-lijst en hem aan te merken als RG op grond van criterium C.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2025;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 2.306,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.