Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1756

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.342.847/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 BWArt. 6:166 BWArt. 7 lid 1 sub a Brussel I bis-Vo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident in hoger beroep over actio pauliana en vermogensoverdracht

In deze civiele zaak staat een bevoegdheidsincident centraal in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam. Appellanten vorderen onder meer de vernietiging van diverse rechtshandelingen die zij zien als frauduleus om verhaal te frustreren op een rekening-courantschuld en een lening die onbetaald zijn gebleven. De rechtbank had zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van bepaalde vorderingen tegen enkele geïntimeerden, wat in hoger beroep wordt bestreden.

Het hof overweegt dat appellanten niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep voor zover dit is ingesteld tegen geïntimeerden die geen partij waren in het bevoegdheidsincident. Daarnaast wordt een grief over de vraag of de rechtbank terecht geen vrijwillige verschijning van een geïntimeerde aannam, niet-ontvankelijk verklaard omdat deze grief niet ten grondslag ligt aan een beslissing die de rechtbank heeft genomen jegens die geïntimeerde.

Het hof verwijst de zaak naar een rolzitting voor het nemen van akten waarin partijen zich kunnen uitlaten over het belang bij de beoordeling van deze grief. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen enkele geïntimeerden en de zaak wordt aangehouden voor nadere processtukken.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.342.847/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/652405 / HA ZA 23-133
Arrest van 26 mei 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] B.V. ,

gevestigd in Rotterdam,
2. Bladi International N.V.,
gevestigd in Willemstad (Curaçao),
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.C.J. van de Rakt, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen

2.[geïntimeerde 1] ,

wonend in [woonplaats] (Denemarken),
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. W.A. Vader, kantoorhoudend in Amsterdam (voorheen mr. F. Eikelboom),

3.[geïntimeerde 2] ,

wonend in [woonplaats] (Denemarken),
4. [geïntimeerde 3],
wonend in [woonplaats] (Denemarken),
5. Luckey Establishment,
gevestigd in Vaduz (Liechtenstein),
6. LMLCO LTD,
gevestigd in Belfast (Noord-lerland),
in hoger beroep niet verschenen.
Het hof noemt appellanten hierna [appellant 1] , Bladi en gezamenlijk [appellant 1] c.s. Het hof noemt geïntimeerden hierna [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , Luckey , en LMLCO , en gezamenlijk [geïntimeerden]

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant 1] c.s. hebben diverse vorderingen tegen [geïntimeerden] ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Aan deze vorderingen hebben [appellant 1] c.s. – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] en Dorbat Treuhand – und Verwaltungsanstalt (een rechtspersoon naar buitenlands recht, gevestigd te Liechtenstein, hierna: Dorbat ) hebben meegewerkt aan de overdracht van vermogensbestanddelen van [geïntimeerde 2] om te frustreren dat [appellant 1] c.s. zich daarop zouden kunnen verhalen voor hun vorderingen op [geïntimeerde 2] .
1.2
In door [geïntimeerde 1] en Dorbat opgeworpen incidenten heeft de rechtbank zich deels onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van [appellant 1] c.s. In principaal hoger beroep komen [appellant 1] c.s. daartegen op. [geïntimeerde 1] bestrijdt in incidenteel hoger beroep de overwegingen van de rechtbank die gaan over de vraag of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de actio pauliana-vordering van [appellant 1] c.s.
1.3
Het hof zal partijen de gelegenheid geven zich bij akte uit te laten over de vraag in hoeverre [appellant 1] c.s. belang hebben bij de behandeling van grief 1, omdat zij met die grief opkomen tegen overwegingen van de rechtbank die niet ten grondslag zijn gelegd aan enige beslissing op de vorderingen van [geïntimeerde 1] in het door haar opgeworpen incident.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 20 maart 2024, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2023 (hierna: het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van [appellant 1] c.s. ;
  • de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van (deels voorwaardelijke) grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] ;
  • de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van [appellant 1] c.s. ;
  • de bijlagen nrs. 76-85 die [appellant 1] c.s. ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
2.2
[appellant 1] c.s. hebben in eerste instantie ook Dorbat betrokken in hun hoger beroep. Dorbat heeft vervolgens incidenteel hoger beroep ingesteld. Op gezamenlijke instructie van [appellant 1] c.s. en Dorbat is tijdens de mondelinge behandeling het geschil tussen [appellant 1] c.s. en Dorbat doorgehaald, zowel het principale als incidentele hoger beroep. Het gevolg daarvan is dat Dorbat niet langer een partij is in deze zaak.
2.3
Op 3 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
2.4
De uitspraak van het arrest is aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald op 16 juni 2026. Het hof heeft in het hiernavolgende aanleiding gezien om (bij vervroeging) dit tussenarrest te wijzen.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
In het arrest van 29 maart 2022 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het arrest van Hof Den Bosch) is geoordeeld dat [geïntimeerde 2] uit hoofde van een rekening-courantverhouding met [appellant 1] aan [appellant 1] (als lasthebber van Bladi ) een bedrag van € 5.280.667,82 verschuldigd is, te vermeerderen met 5% rente per jaar vanaf 31 december 2010 (hierna: de rekening-courantvordering).
3.2
Over de achtergrond van de rekening-courantvordering is in het arrest van Hof Den Bosch overwogen als volgt:
“Bestaan en omvang
3.63
Het hof overweegt dat in het rapport van de Belastingdienst van 14 oktober 2011 is vermeld dat [geïntimeerde 2] in een gesprek met de Belastingdienst op 4 maart 2011 heeft aangegeven dat hij de rekening-courantvordering van [appellant 1] ter hoogte van afgerond € 5.280.668 per 31 december 2010 in zijn geheel in 2011 zal aflossen […]. Het exacte bedrag van de rekening-courantschuld per 31 december 2010 bedroeg kennelijk € 5.280.667,82 […]. In artikel 5 van Pro de SA [Settlement Agreement, toevoeging hof] is [geïntimeerde 2] c.s. met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overeengekomen dat zij het ertoe zullen leiden dat [appellant 1] een bedrag van € 3.850.000 aan nettoloon zal toekennen aan [geïntimeerde 2] zodat hij daarmee in zoverre de debetstand van zijn rekening-courantschuld kan aflossen (artikel 5 sub Pro 1 SA). Zij zijn hierbij verder overeengekomen dat het resterende bedrag van de debetstand van de rekening-courant, ter hoogte van € 2.068.000, door [appellant 1] zal worden gecedeerd aan Bladi (artikel 5 sub Pro 2 SA). Uitvoering van deze afspraken zou ertoe leiden dat [geïntimeerde 2] geen rekening-courantschuld meer zou hebben aan [appellant 1] (artikel 5 sub Pro 3 SA). Het bij de Belastingdienst opgegeven bedrag aan openstaande schuld op 31 december 2010, vermeerderd met 5% rente per jaar, was op of rond de datum van het aangaan van de SA (3 mei 2013) nagenoeg gelijk aan het totaal van de in artikel 5 sub Pro 1 en 2 SA genoemde bedragen. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 2] c.s., gelet op de inhoud van deze documenten die betrekking hebben op verklaringen die door [geïntimeerde 2] zelf zijn gedaan, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat tussen [geïntimeerde 2] en [appellant 1] een rekening-courantverhouding heeft bestaan uit hoofde waarvan hij op 31 december 2010 een schuld had aan [appellant 1] van € 5.280.667,82.
De vordering van [appellant 1] gaat uit van een verschuldigd bedrag per 31 december 2010 van € 5.443.281,68, waarbij zij verwijst naar het rekening-courantoverzicht overgelegd als productie 12 bij conclusie van antwoord / eis in reconventie. [appellant 1] heeft echter niet uitgelegd hoe dit bedrag zich verhoudt tot het bedrag genoemd in het rapport van de Belastingdienst, waarop [appellant 1] zich in dit verband eveneens beroept. Voor zover de vordering van [appellant 1] uitgaat van een bedrag hoger dan € 5.280.667,82 per 31 december 2010 heeft zij de vordering daarom onvoldoende onderbouwd.
3.64
De in de SA genoemde bedragen bevestigen tevens dat over de rekening-courantschuld een rente van 5% per jaar is verschuldigd. Dit volgt ook uit het door [geïntimeerde 2] c.s. overgelegde rekening-courantoverzicht dat een bijlage is bij een concept-akte van cessie tussen [appellant 1] en Bladi , welke stukken door [betrokkene 3] aan onder meer [geïntimeerde 2] werden gestuurd ten behoeve van de RvC-vergadering van 8 december 2010 […]. Het hof is daarom tevens van oordeel dat [geïntimeerde 2] c.s., in het licht van de inhoud van deze documenten, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat over het debetsaldo van de rekening-courant een rente van 5% per jaar verschuldigd is.
3.65
Het voorgaande voert tot de conclusie dat [geïntimeerde 2] uit hoofde van de rekening-courantverhouding aan [appellant 1] verschuldigd is een bedrag van € 5.280.667,82 te vermeerderen met 5% per jaar vanaf 31 december 2010, behoudens het slagen van verweren van [geïntimeerde 2] c.s. daartegen.”
3.3
Vervolgens heeft Hof Den Bosch geoordeeld dat de verweren van [geïntimeerde 2] falen (rov. 3.88). In het arrest van Hof Den Bosch is verder geoordeeld dat [geïntimeerde 2] op grond van zijn (hoofdelijke) aansprakelijkheid voor de nakoming van de schuld van Oy-Nut I/S (een vennootschap naar Deens recht, hierna: Oy Nut ) uit hoofde van de geldleningsovereenkomst aan [appellant 1] (als lasthebber van Bladi ) verschuldigd is een bedrag van USD 4.730.711,- te vermeerderen met 4% rente per jaar vanaf 30 juni 2015 (hierna: de vliegtuiglening).
3.4
Over de achtergrond van de vliegtuiglening is in het arrest van Hof Den Bosch overwogen:
“Bestaan en omvang lening
3.9
Multiveer heeft op 1 december 2005 aan [eenmanszaak] (hierna: [eenmanszaak] ) een bedrag van € 2.393.065,- geleend tegen een rente van 4% per jaar, ten behoeve van de koop van een vliegtuig door [eenmanszaak] (een groene Pilatus, later vervangen door een lichtblauwe). [eenmanszaak] is een eenmanszaak naar Deens recht van [geïntimeerde 2] . De vennootschap Oy-Nut is bij een op 15 december 2009 gesloten overeenkomst, met ingang van 1 september 2008 in de plaats getreden van [eenmanszaak] met betrekking tot de geldlening, waarbij de hoofdsom van de lening is omgezet naar USD 3.230.638,-. Oy-Nut is een personenvennootschap naar Deens recht (‘Interessentskab’) waarvan [geïntimeerde 2] en de Deense rechtspersoon Nordisk Saenksmedie Industri A/S leden zijn. [geïntimeerde 2] is hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van Oy-Nut . De vordering van Multiveer op Oy-Nut uit hoofde van de geldleningsovereenkomst is bij akte van 6 juli 2015 aan [appellant 1] overgedragen. Van deze overdracht is op dezelfde datum mededeling gedaan aan [geïntimeerde 2] . De omvang van de vordering, bestaande uit de hoofdsom en verschenen rente, bedroeg op 30 juni 2015 USD 4.730.711,-.”
3.5
Het Hof Den Bosch heeft [geïntimeerde 2] veroordeeld tot betaling van de bedragen van € 5.280.667,82 en USD 4.730.711,- (te vermeerderen met rente) aan [appellant 1] . Het arrest van Hof Den Bosch is inmiddels onherroepelijk geworden. Het tegen het arrest van Hof Den Bosch ingestelde cassatieberoepen heeft de Hoge Raad verworpen (ECLI:NL:HR:2023:1134 en ECLI:NL:HR:2023:1133). [geïntimeerde 2] heeft niet voldaan aan zijn veroordeling tot betaling van deze bedragen.
3.6
In de hoofdzaak in eerste aanleg – waarvan de behandeling is aangehouden in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep – verwijten [appellant 1] c.s. [geïntimeerde 2] dat hij zich stelselmatig is gaan ontdoen van vermogensbestanddelen, onder meer door deze onverplicht te vervreemden (of te bezwaren met zekerheidsrechten) en op onzakelijke voorwaarden onder controle te brengen van (onder meer) [geïntimeerde 1] – zijn echtgenote – en zijn zoon [geïntimeerde 3] . Op deze wijze probeert [geïntimeerde 2] te voorkomen dat [appellant 1] c.s. verhaal kunnen vinden voor hun vorderingen op hem, aldus [appellant 1] c.s.
3.7
De verwijten van [appellant 1] c.s. betreffen in het bijzonder de volgende rechtshandelingen.
1. De (beweerdelijke) overdracht van de roerende zaken van [geïntimeerde 2] die in zijn villa in België (‘ [villa] ’) aanwezig waren aan [geïntimeerde 3] ;
2. De vestiging van een hypotheek op het aandeel van [geïntimeerde 2] in een appartement, inclusief drie parkeerplaatsen en een opslagruimte in Spanje (hierna: het Spaanse OG), ten gunste van [geïntimeerde 1] ;
3. De vervreemding van een voorheen in Malta geregistreerd en aan [geïntimeerde 2] in eigendom toebehorend jacht (hierna: [jacht] ) aan [geïntimeerde 3] ;
4. De cessies van de ‘ Bladi -vordering’ (een vordering uit de nalatenschap van de in april 1999 overleden vader van [geïntimeerde 2] ) door [geïntimeerde 2] aan [geïntimeerde 1] ;
5. De beweerdelijke overdracht aan [geïntimeerde 1] van aan [geïntimeerde 2] toebehorende vermogensrechten in Luckey .
3.8
Bij brief van 11 juli 2022 hebben [appellant 1] c.s. aan de advocaat van [geïntimeerde 2] en Luckey geschreven de rechtshandelingen die verband houden met de bovengenoemde gebeurtenissen met een beroep op artikel 3:45 BW Pro (actio pauliana) buitengerechtelijk te vernietigen.
3.9
Op 21 en 22 juli 2022 zijn twee onderhandse cessie-aktes aan Bladi betekend, beide gedateerd op 15 juli 2022. De eerste akte vermeldt dat (i) [geïntimeerde 1] de ‘ultimate beneficial owner’ is van 2.533 aandelen in het kapitaal van Bladi , welke door Luckey worden gehouden voor [geïntimeerde 1] , en (ii) het de wens is van [geïntimeerde 1] om de relatie op grond waarvan Luckey de aandelen houdt voor [geïntimeerde 1] te beëindigen. De tweede akte vermeldt dat [geïntimeerde 1] de 2.533 aandelen in het kapitaal van Bladi heeft verkregen van Luckey en als een agiostorting inbrengt in LMLCO .

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellant 1] c.s. hebben bij de rechtbank gevorderd, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling in dit hoger beroep van belang, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
( i) primair, voor recht verklaart dat de aandelen in Bladi nimmer het vermogen van Luckey hebben verlaten;
subsidiair [geïntimeerden] (en Dorbat ) beveelt de aandelen in Bladi terug te (doen)leveren aan Luckey ;
(hierna: zowel primair als subsidiair: Vordering I),
(ii) primair, voor recht verklaart dat de rechtshandelingen verband houdende met de hiernavolgende transacties rechtsgeldig zijn vernietigd:
a. de overdrachtsovereenkomst van 8 juni 2019 (roerende zaken van [villa] );
b. het bepaalde in (artikel 15 lid 1 van Pro) de huurovereenkomst met betrekking tot [villa] ;
c. de hypotheekvestiging van 4 maart 2021 (op het Spaanse OG);
d. de overdracht van [jacht] (datum onbekend);
e. de cessies verband houdende met de Bladi -vordering van 18 juni 2020 en 16 januari 2021;
f. de overdracht van de vermogensrechten in Luckey (datum onbekend);
subsidiair, de voornoemde rechtshandelingen vernietigt;
(hierna, zowel primair als subsidiair: Vordering II)
(iii) voor recht verklaart dat [geïntimeerden] (en Dorbat ) afzonderlijk en als een groep onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant 1] c.s. (in de zin van artikel 6:166 BW Pro);
(hierna: Vordering III).
4.2
[geïntimeerde 1] en Dorbat hebben ieder een bevoegdheidsincident opgeworpen. Daarin heeft [geïntimeerde 1] de rechtsmacht betwist voor zover het betreft Vordering I en Vordering III. [geïntimeerde 1] heeft niet de rechtsmacht betwist ten aanzien van Vordering II. Dorbat heeft de rechtsmacht betwist voor alle vorderingen van [appellant 1] c.s. ingesteld tegen haar.
4.3
De rechtbank heeft zich in de bevoegdheidsincidenten van zowel [geïntimeerde 1] als Dorbat onbevoegd verklaard om kennis te nemen van Vordering I en Vordering III. De incidentele vordering van Dorbat strekkende tot onbevoegdverklaring om kennis te nemen van Vordering II jegens haar, heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft [appellant 1] c.s. veroordeeld in de proceskosten in de beide bevoegdheidsincidenten van [geïntimeerde 1] en Dorbat .

5.De vorderingen in hoger beroep

in principaal hoger beroep

5.1
[appellant 1] c.s. beogen met hun principaal hoger beroep – samengevat weergegeven – te bewerkstelligen dat de incidentele vordering van [geïntimeerde 1] (de onbevoegdverklaring voor Vordering I en Vordering III) alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten.
5.2
[geïntimeerde 1] concludeert in principaal hoger beroep – samengevat weergegeven – tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant 1] c.s. in kosten.
in incidenteel hoger beroep
5.3
[geïntimeerde 1] concludeert in incidenteel hoger beroep – samengevat weergegeven – tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank zich daarin bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van Vordering II, voor zover Vordering II is gericht tegen [geïntimeerde 1] .
5.4
[appellant 1] c.s. concluderen – samengevat weergegeven – in incidenteel hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten.

6.Beoordeling in hoger beroep

in principaal hoger beroep
- het hoger beroep tegen geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 6
6.1
[appellant 1] c.s. hebben niet alleen [geïntimeerde 1] (en Dorbat ) in hoger beroep gedagvaard, maar ook geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 6. Deze geïntimeerden waren evenwel geen partij in de bevoegdheidsincidenten. Alleen [geïntimeerde 1] en Dorbat hebben ieder een incidentele vordering ingesteld.
6.2
Het hof zal [appellant 1] c.s. niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep voor zover ingesteld tegen geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 6, met veroordeling in de proceskosten, welke worden begroot op nihil (omdat geen van deze geïntimeerden in hoger beroep is verschenen).

Grief 1 (in principaal hoger beroep)
6.3
Grief 1 van [appellant 1] c.s. heeft betrekking op overwegingen van de rechtbank naar aanleiding van de betwisting van de rechtsmacht van de rechtbank door Dorbat om kennis te nemen van Vordering II.
6.4
De rechtbank heeft zich bevoegd geacht om kennis te nemen van Vordering II ingesteld tegen Dorbat . Aan dat oordeel heeft de rechtbank – verkort weergegeven – ten grondslag gelegd dat:
(i) Vordering II van [appellant 1] en Bladi is gegrond op de actio pauliana;
(ii) uit het Feniks-arrest (ECLI:EU:C:2018:805) van het Europese Hof van Justitie volgt dat de actio pauliana onder de regel van internationale bevoegdheid van artikel 7 lid 1 sub Pro a, van de Brussel I bis-Vo valt, waarbij het contractuele karakter van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar bepalend is voor het bepalen van de bevoegdheid en niet het juridische karakter van de benadelende rechtshandeling;
(iii) dit betekent dat de schuldeiser zelf mag kiezen om het geschil voor te leggen aan de rechter in de lidstaat waar de overeenkomst met de schuldenaar is of moet worden uitgevoerd, of in de lidstaat van de verweerder;
(iv) het voorgaande tot gevolg heeft dat de Nederlandse rechter in elk geval jegens [geïntimeerde 1] bevoegd is om van Vordering II kennis te nemen;
(v) gelet op de bevoegdheid om kennis te nemen van Vordering II jegens [geïntimeerde 1] , ook bevoegdheid bestaat om kennis te nemen van Vordering II ten aanzien van Dorbat op grond van artikel 7 lid 1 Rv Pro omdat een zodanige samenhang bestaat tussen deze vordering tegen [geïntimeerde 1] en Dorbat , dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
6.5
Daarnaast heeft de rechtbank overwogen – voor de beoordeling van de incidentele vordering van Dorbat tot onbevoegdverklaring ten aanzien van Vordering II – dat bij het beantwoorden van de vraag of rechtsmacht jegens Dorbat kan worden aangenomen op grond van artikel 7 Rv Pro – zoals [appellant 1] c.s. bepleiten – niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat [geïntimeerde 1] geacht kan worden vrijwillig te zijn verschenen, enkel omdat zij de rechtsmacht niet ook ten aanzien van Vordering II heeft betwist.
Tegen deze overwegingen richt zich grief 1 van [appellant 1] c.s.
6.6
[appellant 1] c.s. betogen in hun grief 1 dat de rechtbank voor Vordering II ten onrechte geen vrijwillige verschijning heeft aangenomen van [geïntimeerde 1] .
6.7
Het hof merkt op dat [geïntimeerde 1] in het door haar bij de rechtbank opgeworpen incident de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van vordering II niet heeft betwist. Gelet daarop valt op voorhand niet in te zien welk belang [appellant 1] c.s. hebben bij beoordeling van hun grief 1. Immers, het oordeel/de overweging die [appellant 1] c.s. met deze grief bestrijden is niet ten grondslag gelegd aan enige beslissing die de rechtbank heeft genomen op de incidentele vordering van [geïntimeerde 1] . De door grief 1 bestreden overwegingen zijn ten grondslag gelegd aan een beslissing op het door Dorbat opgeworpen bevoegdheidsincident ten aanzien van Vordering II. De vraag of de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht om kennis te nemen van Vordering II ingesteld tegen Dorbat ligt in dit hoger beroep niet (meer) ter beoordeling voor, nu Dorbat geen partij meer is.
6.8
In de in hoger beroep gewisselde processtukken hebben partijen het voorgaande niet onderkend. Omdat ook tijdens de mondelinge behandeling het voorgaande niet aan de orde is gekomen, zullen (eerst) [appellant 1] c.s. en (daarna) [geïntimeerde 1] in de gelegenheid worden gesteld bij akte zich nog uit te laten over (alleen) de hiervoor opgeworpen vraag welk belang [appellant 1] c.s. hebben bij beoordeling van hun grief 1. [geïntimeerde 1] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren.
in incidenteel appel
6.9
Het voorgaande regardeert ook de grieven van [geïntimeerde 1] in het incidenteel appel. Gelet daarop zal ook [geïntimeerde 1] bij akte zich nader mogen uitlaten over welk belang zij heeft bij de beoordeling van haar grieven, voor zover zij met haar grieven overwegingen bestrijdt die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan de beoordeling van de incidentele vordering van Dorbat (strekkende tot onbevoegdverklaring ten aanzien van Vordering II). [appellant 1] c.s. zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren.
Het hof:
in principaal hoger beroep
  • verklaart [appellant 1] c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep, voor zover ingesteld tegen geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 6, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten van geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 6, begroot op nihil;
  • verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant 1] c.s. met het doel dat staat vermeld in rechtsoverweging 6.8 van dit arrest;
in incidenteel hoger beroep
- verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] met het doel dat staat vermeld in rechtsoverweging 6.9 van dit arrest;
in principaal en incidenteel hoger beroep
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, H.J. van Kooten en C.W.M. Lieverse en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.