Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1757

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.345.175/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:754 BWArt. 7:760 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ontbinding aannemingsovereenkomst en schadevergoeding kozijnenplaatsing

In deze civiele zaak staat de uitvoering van een aannemingsovereenkomst tot plaatsing van kozijnen centraal. Appellanten ontbonden de overeenkomst buitengerechtelijk wegens ondeugdelijke plaatsing en vorderden schadevergoeding. De kantonrechter oordeelde dat ontbinding terecht was, maar wees de schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing.

In hoger beroep stelt het hof vast dat de kozijnen niet te groot waren en dus geschikt voor plaatsing. De discussie richt zich op de montagewijze, waarbij appellanten stellen dat de kozijnen onherstelbaar beschadigd zijn. Het hof oordeelt dat appellanten onvoldoende hebben onderbouwd dat herstel onmogelijk was en dat zij geen recht hadden op ontbinding zonder hersteltermijn.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis, wijst de vordering van appellanten af, en veroordeelt hen tot betaling van het openstaande bedrag van de aanneemsom met wettelijke rente. Tevens worden zij veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen en tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot schadevergoeding af en veroordeelt appellanten tot betaling van het restant van de aanneemsom en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.175/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10026477 RL EXPL 22-12319
Arrest van 26 mei 2026
in de zaak van
1.
[appellant 1] ,
2.
[appellant 2],
beiden wonend in [woonplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.Z.D. Nasrullah, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde] ,handelend onder de naam
' [bedrijf] ',
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. K.E. Centen-Mölgaard, kantoorhoudend in Uden.
Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en [geïntimeerde] .
1.
De zaak in het kort
1.1 [geïntimeerde] heeft op grond van een aannemingsovereenkomst kozijnen geplaatst in de woning van [appellanten] en daarvoor een bedrag van € 2.907,80 in rekening gebracht. [appellanten] weigerden betaling en hebben de overeenkomst (buitengerechtelijk) ontbonden op de grond dat de plaatsing van de kozijnen niet deugdelijk is uitgevoerd en de kozijnen alle vervangen moeten worden. In deze procedure vorderen zij schadevergoeding. [geïntimeerde] vordert op zijn beurt betaling van de aanneemsom.
1.2 De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellanten] de aannemingsovereenkomst hebben mogen ontbinden, maar heeft hun vordering tot schadevergoeding afgewezen, omdat deze onvoldoende was onderbouwd. Het hof komt tot een ander oordeel. Het oordeelt dat [appellanten] de aannemingsovereenkomst niet hebben mogen ontbinden. De vordering van [appellanten] wordt daarom alsnog afgewezen en de vordering van [geïntimeerde] wordt alsnog toegewezen.
2.
Procesverloop in hoger beroep
2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 9 juli 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 9 april 2024 (hierna: het bestreden vonnis) dat volgde op het tussenvonnis van 11 april 2023 (hierna: het tussenvonnis);
  • het herstelexploot van 13 augustus 2024;
  • het arrest van dit hof van 15 oktober 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • de memorie van grieven van [appellanten] , met bijlagen;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 december 2024;
  • de memorie van antwoord, tevens incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] , met bijlage.
2.2 Op 17 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De advocaat van [geïntimeerde] heeft daarbij gebruik gemaakt van overgelegde pleitaantekeningen.
3.
Feitelijke achtergrond
3.1 In december 2020 is tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen. [geïntimeerde] heeft zich daarbij verplicht tot het plaatsen van door of namens [appellanten] ingemeten en bestelde kozijnen in de woning van [appellanten] , tegen een aanneemsom van € 2.400,- exclusief materialen (hierna: de aannemingsovereenkomst).
3.2 [geïntimeerde] heeft in december 2020 een deel van de kozijnen geplaatst. [appellanten] hebben in verband daarmee een bedrag van € 1.500,- betaald, waarvan een deel groot € 992,20 voor de plaatsing en de rest voor het gebruikte materiaal. [geïntimeerde] heeft de resterende kozijnen op 14 januari 2021 geplaatst.
3.3 Op verzoek van [geïntimeerde] is op 5 februari 2021 door het bedrijf Kozijn Expert (hierna: de Kozijn Expert ) een beoordeling uitgevoerd van de werkzaamheden van [geïntimeerde] bij [appellanten] In de naar aanleiding van dat bezoek aan [geïntimeerde] gerichte ‘terugkoppeling’ staat, onder meer, het volgende.
“Om te beginnen en direct rekening mee te houden is dat de kozijnen door de opdrachtgever/bewoner zelf zijn ingemeten, maar ook zelf de kozijnen heeft besteld en mogen ontvangen. Hier is de maatvoering ten opzichte van de dagmaat van de gevel erg krap gemeten waardoor er weinig ruimte is geweest om de kozijnen volledig haaks en waterpas te kunnen zetten. Dit heeft verder geen directe gevolgen behalve dat het op het oog misschien minder mooi toont.
[…]
Aandachtspuntjes zijn: * Voordeur scharnieren stellen en glas+paneel opnieuw opspannen.
* Kinderslaapkamer stolpdeuren scharnieren stellen + glas opnieuw opspannen.
(Hier is op verzoek van bewoner de kunststof transportbalk aan de onderzijde van de kozijndorpel laten zitten in plaats van dat er een stellat gemonteerd is met lood.)
Conclusie: Er is door de aannemer nog wat detailwerk te doen / te verbeteren maar voor de rest is het gezien het materiaal en de omstandigheden: acceptabel (…)”
3.4 Op verzoek van [appellanten] is op 3 maart 2021 door Het Inspectiehuis B.V. (hierna: Het Inspectiehuis ) een tweede beoordeling uitgevoerd van [geïntimeerde] ’ werkzaamheden. [geïntimeerde] was daarbij niet aanwezig. In het rapport van Het Inspectiehuis staat, onder meer, het volgende.
“BEANTWOORDING ONDERZOEKSVRAGEN
Door Partij 1 zijn de onderstaande onderzoeksvragen gesteld.
01 Zijn de kozijnen goed geplaatst?
02 Wat zijn de kosten voor herstel?

1.Zijn de kozijnen goed geplaatst?

Op basis van de waarnemingen die ondergetekende heeft gedaan tijdens het onderzoek ter plaatse kan worden gesteld dat de kozijnen zelf in de regel goed zijn. Aan de kunststof kozijnen zijn in het algemeen geen gebreken waargenomen.[…]
Wanneer wordt gekeken naar de montage wijze van de kozijnen kan worden gesteld dat deze niet goed gemonteerd zijn. De kozijnen zijn te groot voor de gevelopeningen. Langs de kozijnen is een zeer minimale omtrekspeling waardoor bij thermische werking er problemen en ongewenste spanningen op kunnen treden in het kozijn. Daarnaast zijn de kunststof kozijnen niet gemonteerd op zogenoemde stelkozijnen maar rechtstreeks in de gevel geschroefd. Dit is een montagewijze die niet voldoet aan de voorschriften. Ook zijn er geen deugdelijke tocht[-] en vochtkeringen langs de kozijnen aanwezig. Hierdoor is het goed mogelijk dat Partij 1 tocht ervaart en dat er bij slagregen ook vocht de woning binnen komt.
In het algemeen kan worden gesteld dat aan de kozijnen zelf geen gebreken zijn geconstateerd. Wel blijkt dat aan de montage van de kozijnen gebreken geconstateerd zijn. De montage van de kozijnen is niet volgens de hiervoor geldende richtlijnen uitgevoerd.

2.Wat zijn de kosten van herstel

Gezien de hele situatie is er eigenlijk geen lokaal herstel mogelijk. Wat in houdt dat er nieuwe kozijnen geplaatst dienen te worden die[r] wel volgens de verwerkingsvoorschriften van de leverancier gemonteerd moeten worden.

De kosten voor het herstel worden geraamd op € 17.500.- excl. BTW.”
3.5
Bij brief van 8 juli 2021 heeft de advocaat van [appellanten] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de gestelde schade en de overeenkomst ontbonden. Bij e-mail van 6 september 2021 heeft de advocaat van [appellanten] [geïntimeerde] (nogmaals) gesommeerd om de gestelde schade van € 19.465,- over te maken op zijn derdengeldrekening.
3.6
Bij e-mail van 12 oktober 2021 heeft de jurist van [geïntimeerde] aansprakelijkheid van de hand gewezen. [geïntimeerde] heeft dit bedrag niet betaald.
3.7
Bij e-mail van 4 april 2022 heeft de jurist van [geïntimeerde] [appellanten] gesommeerd tot betaling van het nog resterende gedeelte van de aanneemsom groot € 1.407,80.
3.8
[appellanten] zijn niet tot betaling overgegaan.
4.
Procedure bij de kantonrechter
4.1
[appellanten] hebben [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen € 20.284,- te betalen aan [appellanten] , vermeerderd met rente en kosten. Zij stellen dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door het kozijn niet goed te plaatsen en bij montage te beschadigen. Zij hebben de overeenkomst ontbonden en maken aanspraak op terugbetaling van het betaalde deel van de aanneemsom van € 1.500,-. Daarnaast maken zij aanspraak op schadevergoeding, bestaande uit de kosten voor plaatsing van een nieuw kozijn, welke kosten volgens het rapport van Het Inspectiehuis € 17.500,- bedragen en de kosten voor het opstellen van dit rapport van € 465,-. Ook de door de Raad voor de rechtsbijstand opgelegde eigen bijdrage, is voor rekening van [geïntimeerde] , aldus [appellanten]
4.2
[geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd [appellanten] te veroordelen € 1.618,97 te betalen, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt hij dat [appellanten] in januari 2021 de overige kozijnen heeft geplaatst. Het hiervoor verschuldigde restant van de aanneemsom van € 1.407,80 hebben [appellanten] niet betaald. Ook maakt [geïntimeerde] aanspraak op buitengerechtelijke kosten van € 211,17.
4.3
Bij tussenvonnis van 11 april 2023 heeft de kantonrechter op grond van de overgelegde deskundigenrapporten geoordeeld dat de kozijnen te groot waren voor de gevelopeningen en dus ongeschikt waren. Zij heeft hiertoe overwogen dat dit in beginsel voor rekening van de aannemer ( [geïntimeerde] ) komt, tenzij de ondeugdelijke uitvoering te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever ( [appellanten] ), maar dan alleen in het geval dat de aannemer, voor zover hij de gebreken of ongeschiktheid kende of behoorde te kennen, opdrachtgever hiervoor heeft gewaarschuwd (art. 7:760 leden Pro 1 en 2 jo. art. 7:754 BW Pro). De kantonrechter heeft [geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van het bewijs dat hij voor het plaatsen van de kozijnen [appellanten] heeft gewaarschuwd dat de kozijnen te groot en dus ongeschikt waren. Wat betreft de gestelde ondeugdelijke montage heeft de kantonrechter overwogen, kort gezegd, dat de kozijnen nadat deze door [geïntimeerde] waren gemonteerd, zijn gedemonteerd en opnieuw geplaatst door een derde partij, zodat het werk van [geïntimeerde] niet meer kan worden beoordeeld. Dat betekent dat [appellanten] de overeenkomst alleen hebben kunnen ontbinden wegens de plaatsing van de te grote kozijnen, aldus de kantonrechter en niet omdat deze ondeugdelijk waren geplaatst.
4.4
In het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] niet geslaagd is in zijn bewijsopdracht. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] (in conventie) veroordeeld tot (terug)betaling van het betaalde gedeelte van de aanneemsom van € 1.500,- aan [appellanten] en de reconventionele vordering van [geïntimeerde] tot betaling van het restant van de aanneemsom afgewezen. Zoals aangekondigd in het tussenvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellanten] tot schadevergoeding afgewezen. [geïntimeerde] is veroordeeld in de proceskosten, zowel in conventie als in de reconventie.
5.
Vorderingen in hoger beroep
in principaal hoger beroep
5.1
[appellanten] concluderen tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, en tot alsnog toewijzing van hun vordering tot schadevergoeding. In hoger beroep hebben zij hun eis gewijzigd. Zij vorderen nu dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 33.479,94, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
5.2
[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
in incidenteel hoger beroep
5.3
[geïntimeerde] concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover de vordering van [appellanten] in reconventie is toegewezen en in conventie alleen voor zover [geïntimeerde] is veroordeeld tot terugbetaling van € 1.500,-, tot (alsnog) toewijzing van zijn (reconventionele) vordering tot betaling van het openstaande gedeelte van de aanneemsom van € 1.407,80, met veroordeling van [appellanten] tot terugbetaling van het bedrag van € 1.500,- dat hij heeft betaald ter voldoening aan het vonnis, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten in beide instanties.
5.4
[appellanten] concluderen in incidenteel hoger beroep – zo begrijpt het hof, gelet op wat is aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 – tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, voor zover in reconventie gewezen.
6.
Beoordeling in hoger beroep
in incidenteel hoger beroep
Is [geïntimeerde] in verzuim geraakt?
6.1
Het hof ziet aanleiding eerst de twee grieven van [geïntimeerde] – die zich lenen voor gezamenlijke behandeling – in incidenteel hoger beroep te behandelen.
6.2
[geïntimeerde] komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] de overeenkomst buitengerechtelijk mochten ontbinden. Zijn grieven strekken ertoe dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van [appellanten] tot terugbetaling van het door hen al betaalde deel van de aanneemsom heeft toegewezen en zijn (reconventionele) vordering tot betaling van het restant van de aanneemsom heeft afgewezen. Hij concludeert dan ook tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, zowel in conventie als in reconventie.
6.3
Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat inmiddels beide partijen ervan uitgaan dat de kozijnen niet te groot waren, zodat dit vast staat. In hoger beroep geldt dus als uitgangspunt dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, de kozijnen als zodanig geschikt waren voor plaatsing in de woning van [appellanten]
6.4
Dit betekent dat de vraag die centraal stond in de procedure bij de kantonrechter, namelijk of [geïntimeerde] heeft voldaan aan de in art. 7:754 BW Pro neergelegde waarschuwingsplicht voor het gebruik van ongeschikte zaken afkomstig van de opdrachtgever, voor de verdere beoordeling niet (langer) relevant is.
6.5
Ervan uitgaande dat de kozijnen niet te groot waren – en dus in beginsel geschikt voor gebruik/plaatsing in de woning van [appellanten] – dient (in hoger beroep alsnog) beoordeeld te worden of [appellanten] de aannemingsovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk hebben ontbonden.
6.6
Het hof begrijpt de stellingen van [appellanten] aldus dat zij zich op het standpunt stellen dat sprake is van een blijvende onmogelijkheid voor [geïntimeerde] om de aannemingsovereenkomst deugdelijk na te komen, omdat de kozijnen bij de montage door [geïntimeerde] onherstelbaar zijn beschadigd. Om die reden menen zij direct aanspraak te kunnen maken op aanvullende schadevergoeding, zonder dat zij [geïntimeerde] nog gelegenheid tot herstel hoefden te geven.
6.7
[appellanten] beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt in de eerste plaats op de bevindingen in het rapport van Het Inspectiehuis en het rapport van de Kozijn Expert .
6.8
[appellanten] hebben niet nader toegelicht welke passages/bevindingen in het rapport van de Kozijn Expert hun standpunt onderbouwen, zodat aan dit rapport verder voorbij wordt gegaan. Terzijde wordt opgemerkt dat in het rapport van de Kozijn Expert ervan wordt uitgegaan dat de kozijnen te groot waren en om die reden ongeschikt waren om te plaatsen. Zoals reeds opgemerkt zijn partijen in hoger beroep het erover eens, en staat daarmee vast, dat de kozijnen niet te groot waren.
6.9
[appellanten] voeren, onder verwijzing naar het rapport van Het Inspectiehuis , aan dat de montage gebrekkig is geweest omdat de kozijnen niet zijn gemonteerd op zogenoemde stelkozijnen maar rechtstreeks in de gevel zijn geschroefd. Dit is een montagewijze die niet voldoet aan de voorschriften volgens [appellanten]
6.1
[geïntimeerde] heeft, onderbouwd met stukken, uiteengezet dat de door hem gekozen wijze van montage een gebruikelijke wijze van montage van (deze) kunststof kozijnen is, waarbij een keuze kan worden gemaakt tussen plaatsing op een stelkozijn dan wel ‘stomp’. Hij heeft daarbij ook voor een gebruikelijke wijze van afwerking gekozen (met compriband en purschuim), aldus [geïntimeerde] .
6.11
In het midden kan blijven of de door [geïntimeerde] gekozen wijze van plaatsing als een deugdelijke wijze van plaatsing valt te beschouwen, omdat ook indien dit niet het geval is geweest, [appellanten] onvoldoende hebben toegelicht dat herstel van dit gebrek niet meer mogelijk zou zijn geweest. Een nadere toelichting op dit punt had te meer voor de hand gelegen omdat tijdens de zitting in hoger beroep zijdens [appellanten] is gemeld dat de kozijnen – na uit de gevel te zijn gehaald – weer (opnieuw) zijn teruggeplaatst. In elk geval valt uit het rapport van Het Inspectiehuis niet af te leiden dat de kozijnen onherstelbaar waren beschadigd als gevolg van deze – volgens [appellanten] – onjuiste wijze van montage.
6.12
[appellanten] voeren verder aan dat zij van andere aannemers hebben vernomen dat herstel niet meer mogelijk is omdat de kozijnen direct in de gevel zijn geboord, met als gevolg dat deze onherstelbaar zijn beschadigd. [geïntimeerde] heeft dit betwist en [appellanten] hebben hun standpunt nadien niet meer met andere stukken of argumenten onderbouwd. [appellanten] hadden bijvoorbeeld Het Inspectiehuis – door hen eerder ingeschakeld – of een andere deskundige kunnen verzoeken aanvullend te rapporteren.
6.13
Terzijde wordt verder nog opgemerkt dat het rapport van Het Inspectiehuis ook vermeldt dat geen deugdelijke tocht- en vochtkeringen langs de kozijnen zijn aangebracht. [appellanten] hebben zich hierop niet uitdrukkelijk beroepen, maar voor zover zij ook dit argument aan hun stelling ten grondslag hebben willen leggen, geldt dat zonder nadere toelichting ook niet begrijpelijk is waarom deze tekortkoming zich niet voor herstel zou lenen.
6.14
Tot slot wordt opgemerkt dat ook de foto’s die [appellanten] in eerste aanleg hebben overgelegd geen voldoende onderbouwing vormen voor hun standpunt dat [geïntimeerde] de kozijnen onherstelbaar heeft beschadigd. Dat valt niet met enige mate van duidelijkheid uit deze foto’s af te leiden.
6.15
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat [geïntimeerde] de kozijnen bij de montage onherstelbaar heeft beschadigd.
6.16
Uit het voorgaande vloeit voort dat [appellanten] ook onvoldoende hebben onderbouwd dat [geïntimeerde] – zonder dat hem een termijn voor herstel is gegund – in verzuim is geraakt, met als gevolg dat [appellanten] de aannemingsovereenkomst ook niet (rechtsgeldig) hebben kunnen ontbinden.
6.17
De daarop gerichte grieven van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep slagen.
6.18
Omdat [geïntimeerde] niet in verzuim is geraakt, is ook zijn (reconventionele) vordering tot betaling van het onder de aannemingsovereenkomst nog onbetaald gebleven bedrag van € 1.407,80 alsnog toewijsbaar.
6.19
[appellanten] hebben in hun conclusie van antwoord ook nog naar voren gebracht dat de vordering van [geïntimeerde] strijdig is met een behoorlijke procesorde en dat sprake is van misbruik van recht. [appellanten] hebben verder niet toegelicht waarom daarvan sprake zou zijn – behoudens dat [geïntimeerde] pas bij conclusie van antwoord met zijn vordering is gekomen, wat geen voldoende onderbouwing betreft – zodat hier verder aan voorbij wordt gegaan.
Buitengerechtelijke kosten
6.2
[geïntimeerde] vordert verder een bedrag van € 211,17 voor buitengerechtelijke incassokosten, berekend conform het Besluit buitengerechtelijke incassokosten.
6.21
De vordering voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. [appellanten] zijn consumenten en de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro is niet overgelegd. Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de stukken waarop een beroep is gedaan over te leggen.
Wettelijke rente
6.22
[geïntimeerde] vordert vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag van € 1.407,80 vanaf het tijdstip van opeisbaarheid, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.
6.23
Voor toewijzing van wettelijke rente is vereist dat de schuldenaar in verzuim is geraakt. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat [appellanten] ook per datum van opeisbaarheid van zijn (restant) vordering (ook direct) in verzuim zijn komen te verkeren.
6.24
De wettelijke rente is wel toewijsbaar per datum dagvaarding – 20 juli 2022 – omdat uit de dagvaarding kan worden afgeleid dat [appellanten] hun betalingsverplichting betwisten.
in principaal hoger beroep
6.25
De grieven in het principaal hoger beroep houden in dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van [appellanten] tot schadevergoeding en wettelijke rente heeft afgewezen. Gelet op wat in incidenteel hoger beroep is overwogen, is [geïntimeerde] niet in verzuim geraakt en dus ook niet schadeplichtig geworden. De grieven van [appellanten] zijn dan ook ongegrond.
in principaal en incidenteel hoger beroep
Conclusie en proceskosten in principaal en in incidenteel hoger beroep
6.26
De conclusie is dat het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt en het principale hoger beroep van [appellanten] ongegrond is. Daarom zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 1.407,80 alsnog toewijzen, met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juli 2022. [appellanten] zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van [geïntimeerde] op grond van het vonnis aan hen hebben betaald, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. Het vonnis wordt bekrachtigd voor zover daarbij de vordering van [appellanten] tot vergoeding van schade is afgewezen. In verband met de leesbaarheid van dit arrest zal het hof het dictum van het bestreden vonnis in zijn geheel vernietigen en opnieuw formuleren. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in de procedure bij de kantonrechter (in conventie en reconventie) en tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep (inclusief nakosten) in zowel principaal als incidenteel hoger beroep.
6.26.1
Het hof begroot de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter aan de zijde van [geïntimeerde] (in conventie en reconventie) op:
griffierecht € 86,-
salaris advocaat € 1.421,-(3,5 punten x € 406.-)
Totaal € 1.507,-
6.27
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij in het principale en incidentele hoger beroep veroordelen tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] , welke worden begroot op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 5.010,- (3 punten principaal hoger beroep x tarief III)
salaris advocaat € 1.368 (3 punten in incidenteel hoger beroep x tarief I x 0,5)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 7.365,-
6.28
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.
6.29
Het hof zal ook de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [geïntimeerde] aan [appellanten] heeft betaald op grond van het bestreden vonnis toewijzen. Onbetwist is gebleven dat [geïntimeerde] € 1.500,- (aanneemsom) en € 1.462,- (proceskosten eerste aanleg) heeft betaald. [appellanten] zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van in totaal een bedrag van € 2.962,- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.
7.
Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
- vernietigt het bestreden vonnis en
opnieuw rechtdoende:
in conventie
o wijst de vorderingen van [appellanten] af;
in reconventieveroordeelt [appellanten] tot betaling van € 1.407,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
in conventie en reconventie
o veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op 9 april 2024 begroot op € 1.507,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald; en
o wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,
- veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 7.365,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- veroordeelt [appellanten] tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van € 2.962,- dat [geïntimeerde] aan [appellanten] op grond van het vonnis van de kantonrechter heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. G.J.M. Verburg, mr. C.J. Verduyn en mr. A.J.P. Schild en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.