Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1767

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
200.366.982/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 HKOVArt. 11 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArt. 12 HKOVArt. 13 lid 1 sub b HKOVArt. 13 lid 2 HKOV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen in zaak kinderontvoering en teruggeleiding naar Denemarken

Deze zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van twee minderjarige kinderen vanuit Nederland naar Denemarken, waarbij de vader in hoger beroep de terugkeer wilde afdwingen. De rechtbank had de teruggeleiding geweigerd op grond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag, omdat terugkeer zou leiden tot een ondragelijke toestand voor de kinderen.

In hoger beroep bevestigt het hof deze beslissing. De moeder heeft geen verblijfsrecht meer in Denemarken, waardoor bij terugkeer een groot risico bestaat dat de kinderen van haar worden gescheiden. De moeder is de primaire verzorgende ouder en heeft geen bestaanszekerheid in Denemarken, mede door het ontbreken van werk en het niet kunnen voortzetten van de onderneming.

De vader stelde dat de moeder zichzelf in deze situatie heeft gebracht en dat de kinderen zonder haar in Denemarken kunnen verblijven, maar het hof acht dit onvoldoende onderbouwd. De tijdelijke verblijfsstatus van de vader en de onzekerheid over zijn inkomen maken het onwaarschijnlijk dat de kinderen bij hem kunnen wonen.

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking, ontslaat de bijzondere curator en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beslissing is op 7 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de weigering tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Denemarken wegens ondragelijke toestand.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer : 200.366.982/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 26-1194
zaaknummer rechtbank : C/09/699097
beschikking van de meervoudige kamer van 7 mei 2026
inzake
[de vader] ,
wonende op een bij het hof bekend adres in Denemarken,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam,
tegen
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L. Stam te Breda.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.

1.De zaak en de beschikking in het kort

1.1
Deze zaak gaat over de teruggeleiding van de hierna te noemen minderjarigen vanuit Nederland naar Denemarken. De rechtbank Den Haag heeft in de beschikking van 19 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking) de terugkeer van de minderjarigen geweigerd op grond van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag).
1.2
De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Hij wil dat het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Denemarken alsnog wordt toegewezen. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.
1.3
In deze beschikking wijst het hof het hoger beroep van de vader af. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en geen andere beslissing neemt dan de rechtbank.
1.4
Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en van hetgeen in hoger beroep in geschil is. Daarna geeft het hof de standpunten van partijen weer en motiveert het hof zijn beslissing.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vader is op 30 maart 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 17 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 april 2026, met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader van 15 april 2026, met bijlagen, ingekomen op 16 april 2026;
- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 17 april 2026, met bijlage;
- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 17 april 2026, met bijlage.
2.4
Bij het hof zijn van de zijde van de vader op 21 april 2026 negen e-mailberichten met bijlagen ingekomen. Het hof heeft de advocaat van de vader voorafgaand aan de zitting bericht dat een groot deel van de foto’s bij deze e-mailberichten voor het hof niet zichtbaar zijn. De advocaat van de vader heeft op de zitting het hof medegedeeld dat, met uitzondering van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg en de foto’s die wel zichtbaar zijn voor het hof (productie IV), de overige overgelegde producties niet hoeven worden toegevoegd aan het dossier. Het hof laat deze stukken dan ook buiten beschouwing.
2.5
Voorts is op 14 april 2026 van de zijde van de bijzondere curator het door haar opgemaakte aanvullende verslag van 7 april 2026 ingekomen.
2.6
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is de hierna te noemen minderjarige, in het bijzijn van de bijzondere curator en een tolk in de Arabische taal, gehoord.
2.7
De mondelinge behandeling heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk 1] , tolk in de Arabische taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [tolk 2] , tolk in de Arabische taal;
- de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] ;
- de bijzondere curator.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De vader en de moeder zijn gehuwd op [datum] 2016 te [plaats] , Denemarken. Zij
zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), en;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , Denemarken (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
3.3
De vader heeft de Syrische nationaliteit. De moeder en de minderjarigen hebben zowel de
Syrische nationaliteit als de Nederlandse nationaliteit.
3.4
Op 30 augustus 2025 is de moeder met de kinderen vanuit Denemarken naar Nederland vertrokken.
3.5
Op 23 september 2025 heeft het Deense Familieretshuset beslist dat de vader tijdelijk het eenhoofdig gezag over de minderjarigen heeft.
3.6
De vader heeft zich gewend tot de Deense Centrale autoriteit.
3.7
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2026 is de bijzondere curator benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 1] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Denemarken afgewezen. Daarnaast is het meer of anders verzochte afgewezen en is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
4.2
De vader verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Denemarken alsnog toe te wijzen.
4.3
De moeder voert verweer. Zij verzoekt het hof, bij beschikking, primair de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden en subsidiair, indien het hof de bestreden beschikking vernietigt, het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Denemarken alsnog af te wijzen op grond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV Pro dan wel artikel 13 lid 2 HKOV Pro en, de vader te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, althans de kosten te compenseren.

5.De motivering van de beslissing

Vooraf
5.1
Het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Denemarken is gebaseerd op het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag), waarbij zowel Nederland als Denemarken partij zijn.
5.2
Aangezien de minderjarigen hun werkelijke verblijfplaats hebben in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het teruggeleidingsverzoek. Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het gerechtshof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
5.3
Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding; artikel 3 van Pro het Verdrag
5.4
Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
5.5
Niet in geschil is dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Denemarken hadden en dat partijen op dat moment daadwerkelijk gezamenlijk het gezag uitoefenden over de minderjarigen. Daarnaast is ook niet in geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en dat de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Deens recht. Dat betekent dat sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen in de zin van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag
5.6
Nu er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen naar Nederland, dient op grond van artikel 12 van Pro het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Denemarken te worden gelast, nu er minder dan een jaar is verstreken tussen het niet doen terugkeren van de minderjarigen en het tijdstip van indiening van het verzoek tot teruggeleiding van de vader, tenzij er sprake is van een van de in het Verdrag genoemde weigeringsgronden. De moeder beroept zich op de weigeringsgrond in artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag.
5.7
Voordat het hof overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van deze weigeringsgrond, zal het hof vermelden wat daarover in het Verdrag staat. Daarbij betrekt het hof ook de relevante rechtspraak van de Hoge Raad.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag
Wat staat er in het verdrag?
5.8
Ingevolge artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht.
5.9
Het hof stelt voorop dat artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in uitzonderlijke situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat, in geval van kinderontvoering, terugkeer naar de staat van de gewone verblijfplaats in het belang van het kind is en dat de verzochte terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. De rechter van de aangezochte staat mag de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar en bij wie van de ouders het kind zijn uiteindelijke verblijfplaats moet hebben, moet immers plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in de onderhavige procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen (zie HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4795).
5.1
De rechtbank heeft de terugkeer van de minderjarigen geweigerd op grond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minderjarigen door een teruggeleiding naar Denemarken in een ondragelijke toestand worden gebracht, omdat zij dan feitelijk van de moeder gescheiden zullen worden.
Standpunten betrokkenen
5.11
Volgens de vader kan de moeder zich niet beroepen op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag omdat zij zichzelf willens en wetens in de situatie heeft gebracht dat zij Denemarken moest verlaten. De verblijfsvergunning van de moeder in Denemarken is ingetrokken omdat de moeder een bijstandsuitkering heeft aangevraagd terwijl op haar verblijfsvergunning staat dat indien er een EU-verblijfsstatus is, je geen beroep mag doen op de bijstand. Daarnaast stelt de vader dat zowel de moeder als de minderjarigen legaal kunnen terugkeren naar Denemarken. Partijen hebben in [oprichtingsjaar] een bedrijf opgericht genaamd [het bedrijf] . Dit bedrijf staat op naam van de moeder en zij kan de bedrijfsvoering in Denemarken voortzetten, zodat zij dan in Denemarken een inkomen heeft.
5.12
De moeder stelt in de eerste plaats dat zij inmiddels de echtscheiding heeft aangevraagd in Denemarken zodat het niet meer relevant is of zij wel of niet een uitkering heeft aangevraagd. Haar verblijfsvergunning was aan haar verstrekt als echtgenote van de man. Daarnaast geldt dat zij geen keuze had toen zij de uitkering aanvroeg, omdat de man werkloos was geworden. Voor de moeder is het onmogelijk om in Denemarken te verblijven omdat zij daar geen werk heeft en dit niet op korte termijn kan krijgen. De moeder was – in tegenstelling tot de vader - maar zeer beperkt betrokken – bij de bedrijfsvoering van het bedrijf [het bedrijf] . Daarnaast komen hier onvoldoende bestaansmiddelen voor de moeder en de minderjarigen uit, op [datum] bedroeg het eindsaldo van de bedrijfsrekening € 40,-. De vader kan met de door hem te ontvangen uitkering niet de bestaansmiddelen van de moeder en de minderjarigen garanderen. Bovendien heeft de vader een precaire verblijfsstatus in Denemarken, namelijk een tijdelijke verblijfsvergunning. Deze kan op elk moment worden ingetrokken of niet worden verlengd. De vader kan dus ook voor de minderjarigen geen toekomstig verblijf garanderen. Indien het hof de bestreden beschikking vernietigt, handhaaft de moeder al haar overige weigeringsgronden uit eerste aanleg.
5.13
De bijzondere curator heeft op de zitting naar voren gebracht dat zij zich zorgen maakt over de minderjarigen. De situatie is, met name bij [minderjarige 1] , onder haar huid gekropen. Zij heeft stress van de huidige situatie en deze is haar boven het hoofd gegroeid. De ouders moeten uit de strijd stappen die zij voeren en er voor waken dat het geen strijd wordt van alles of niets. Het is belangrijk dat de ouders de minderjarigen gaan ondersteunen en hun wereld veilig maken voor hen.
5.14
De raad heeft op de zitting eveneens benadrukt dat de minderjarigen klem zitten in de strijd tussen de ouders. Er is veel onduidelijkheid over hoe bepaalde dingen tussen de ouders zijn gelopen en dit maakt het des te lastiger voor de minderjarigen. De ouders dienen hun zaken op orde te krijgen en de minderjarigen geen leidend voorwerp te maken van hun strijd.
Oordeel van het hof
5.15
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt hierbij nog het volgende in aanmerking. Ook in hoger beroep zijn er naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat sprake is van een ernstig risico dat de minderjarigen bij terugkeer naar Denemarken in een ondragelijke toestand worden gebracht omdat zij gescheiden worden van de moeder. De vader voert in hoger beroep aan dat de moeder zich niet kan beroepen op de weigeringsgrond omdat de moeder zichzelf in de situatie heeft gebracht dat zij Denemarken moest verlaten. Het hof acht het echter aannemelijk dat op het moment dat de vader een bijstandsuitkering aanvroeg omdat hij niet langer kon werken door zijn hernia, de moeder hierbij betrokken is geraakt en dat dit de aanleiding is geweest om de verblijfsvergunning van de moeder in te trekken. Hoewel de moeder, als EU-onderdaan, voor een korte periode terug zou kunnen keren naar Denemarken, is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de moeder zich permanent of voor een langere duur legaal in Denemarken kan vestigen. De moeder spreekt de Deense taal niet, heeft geen werkervaring en draagt de primaire zorg voor de minderjarigen. Ten aanzien van de onderneming heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de onderneming destijds is opgestart om opnieuw een verblijfsvergunning voor de moeder aan te vragen. De onderneming staat op haar naam maar zij heeft daar nauwelijks een actief aandeel in gehad. Verder is niet gebleken dat met deze onderneming op korte termijn een zodanig rendement kan worden behaald dat de moeder daarmee over voldoende middelen beschikt voor het levensonderhoud van haar en de minderjarigen. Het opzeggen van de onderneming wordt bemoeilijkt doordat de moeder niet langer een BSN nummer in Denemarken heeft. Het hof acht het in deze omstandigheden niet aannemelijk dat de moeder op korte termijn in Denemarken een inkomen zal kunnen verwerven uit de onderneming of een dienstverband om over voldoende middelen van bestaan te beschikken om te voorzien in haar eigen levensonderhoud en dat van de minderjarigen zonder ten laste te komen van het sociale stelsel in Denemarken. Dit betekent dat de moeder in de huidige situatie geen bestaanszekerheid heeft in Denemarken en dat, indien de moeder met de minderjarigen terugkeert naar Denemarken, er een groot risico bestaat dat de minderjarigen van de moeder worden gescheiden, omdat zij geen recht heeft op verblijf. Niet weersproken is dat de moeder de primair verzorgende ouder is voor deze jonge kinderen; een scheiding van de moeder onder deze omstandigheden zal voor hen traumatische gevolgen hebben en leiden tot een ondragelijke toestand.
5.16
De vader heeft daarnaast nog aangevoerd dat de minderjarigen zich – zonder de moeder – in Denemarken kunnen vestigen. Afgezien van het feit dat deze scheiding voor de kinderen een ondragelijke toestand tot gevolg heeft, zoals hiervoor overwogen, heeft de vader deze stelling onvoldoende onderbouwd. De vader heeft niet weersproken dat ook ten aanzien van [minderjarige 1] de Deense autoriteiten hebben medegedeeld dat zij Denemarken moest verlaten. Uit het besluit van SIRI van [datum besluit] blijkt dat het ook voor [minderjarige 2] allerminst zeker is dat hij recht heeft op een verblijfstatus. In voormeld besluit wordt verwezen naar het feit dat volgens de praktijk van de vreemdelingenautoriteiten op dit gebied kinderen in beginsel pas na 6 tot 7 jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Denemarken, waarbij de kinderen naar een Deense instelling en/of school zijn gegaan, geacht kunnen worden een zelfstandige binding met Denemarken te hebben verkregen. Daarbij komt dat de vader ook zelf in een positie verkeert waarin het niet duidelijk is of zijn verblijfsvergunning verlengd wordt. De vader verblijft immers in Denemarken op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning en is inmiddels afhankelijk van het sociale stelsel. Het is onduidelijk gebleven of de vader op korte termijn in staat is weer te gaan werken om in zijn eigen levensonderhoud en dat van de minderjarigen te voorzien. Er is dus geen duidelijkheid of de minderjarigen bij de vader kunnen wonen, hij hen kan verzorgen en of de vader de minderjarigen financieel kan onderhouden.
Conclusie
5.17
Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep van de vader afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.18
De bijzondere curator zal met ingang van 9 mei 2026 van haar taak worden ontslagen.
Proceskosten
5.19
Gelet op de aard van de zaak zal het hof de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Certificaat bijlage I Brussel II-ter
5.2
Nu het hof het teruggeleidingsverzoek van de vader afwijst op grond van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag, dient het hof op grond van artikel 29 lid 2 Brussel Pro II-ter ambtshalve het certificaat in bijlage I bij Brussel II-ter af te geven. Op grond van artikel 29 lid 3 onder Pro a, b en c Brussel II-ter zal het hof dit certificaat, samen met deze beschikking en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, via de Centrale Autoriteit doorsturen naar Denemarken.
5.21
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
ontslaat de bijzondere curator [de bijzondere curator] van haar taak met ingang van 9 mei 2026;
draagt de griffier van het hof op onverwijld de onder rechtsoverweging 5.20 genoemde stukken aan de Centrale Autoriteit te Den Haag te doen toekomen;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.A.F. Donders, en H.A. Schipper, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier, en is op 7 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.