Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1819

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
22-002549-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens medeplegen ontploffing met vuurwerkbom bij woning en schadevergoeding

Op 21 september 2023 vond een ontploffing plaats bij de voordeur van een woning in Rotterdam, veroorzaakt door een vuurwerkbom (Cobra 6) die door medeverdachten werd geplaatst. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als opdrachtgever en medepleger een belangrijke rol had in het plegen van de explosie, het bedreigen van bewoners en het beschadigen van de woning. Dit bleek uit verklaringen van medeverdachten, chatberichten, telefoongegevens en camerabeelden. De verdachte had een sturende rol, regelde vervoer en gaf instructies.

De ontploffing veroorzaakte aanzienlijke materiële schade aan de woning en een geparkeerde auto, en leidde tot ernstige psychische gevolgen voor de bewoners, waaronder nachtmerries en angst. Het hof kende daarom aan meerdere benadeelden immateriële schadevergoeding toe, gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro, en ook materiële schade werd toegewezen.

Hoewel de feiten ernstig zijn, legde het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op van 30 maanden, waarvan 15 maanden onvoorwaardelijk, mede vanwege de positieve gedragsontwikkeling van de jonge verdachte. De verdachte moet zich houden aan bijzondere voorwaarden, waaronder contactverbod met medeverdachten en toezicht door de reclassering.

De schadevergoedingen aan de benadeelden variëren van enkele honderden tot duizenden euro's, met wettelijke rente vanaf 21 september 2023. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor deze bedragen, die aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers moeten worden betaald.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002549-24
Parketnummer: 10-030217-24
Datum uitspraak: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2001,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 - telkens primair - tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest en onder algemene en bijzondere voorwaarden. Voorts is een beslissing genomen op de vordering benadeelde partijen, als in het vonnis waarvan beroep nader omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 september 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door op de deur van een pand, gelegen aan de [adres 1] , een fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en/of (zwaar) vuurwerk (Cobra 6) en/of stof(fen), tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde pand en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen en/of auto’s, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die panden aanwezige personen en/of personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 21 september 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door op de deur van een pand, gelegen aan de [adres 1] , een fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en/of (zwaar) vuurwerk (Cobra 6) en/of stof(fen), tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde pand en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen en/of auto’s, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die panden aanwezige personen en/of personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, te duchten was,
welk hiervoor omschreven feit verdachte in of omstreeks de periode van 20 september 2023 tot en met 21 september 2023 te Almere en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften en het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, te weten door
- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te benaderen en te vragen en/of opdracht te geven tot het plegen van voornoemde feit,
- al dan niet door tussenkomst van (een) derde(n) ten behoeve van voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vluchtauto te regelen en/of beschikbaar te stellen,
- als bestuurder van een (personen)auto die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te brengen naar en/of op te halen bij de wisselplaats (aan de [straat] te Amsterdam),
- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een geldelijke beloning/betaling in het vooruitzicht te stellen;
2.
hij op of omstreeks 21 september 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of anderen in de woning aanwezig en/of ingeschreven, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en/of (zwaar) vuurwerk (Cobra 6) en/of stof(fen), te plaatsen op de deur van zijn woning gelegen aan de [adres 1] , en aan te steken, waardoor de fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en/of (zwaar) vuurwerk (Cobra 6) en/of stof(fen), tot ontploffing is gebracht;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 21 september 2023 te
Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met
zware mishandeling, door een fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en/of (zwaar) vuurwerk (Cobra 6) en/of stoffen, te plaatsen op de deur van zijn woning gelegen aan de [adres 1] , en aan te steken, waardoor de fles met vloeistof althans een explosieve/brandbare substantie en/of (zwaar) vuurwerk (Cobra 6) en/of stoffen tot ontploffing is gebracht, welk hiervoor omschreven feit verdachte in of omstreeks de periode van 20 september 2023 tot en met 21 september 2023 te Almere en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften en het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, te weten door
- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te benaderen en te vragen en/of opdracht te geven
tot het plegen van voornoemde feit,
- al dan niet door tussenkomst van (een) derde(n) ten behoeve van voornoemde
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vluchtauto te regelen en/of beschikbaar te stellen,
- als bestuurder van een (personen)auto die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te brengen
naar en/of op te halen bij de wisselplaats (aan de [straat] te Amsterdam),
- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een geldelijke beloning/betaling in het vooruitzicht
te stellen;
3.
hij op of omstreeks 21 september 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres 1] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 21 september 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres 1] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, welk hiervoor omschreven feit verdachte in of omstreeks de periode van 20 september 2023 tot en met 21 september 2023 te Almere en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door
- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te benaderen en te vragen en/of opdracht te geven
tot het plegen van voornoemde feit,
- al dan niet door tussenkomst van (een) derde(n) ten behoeve van voornoemde
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vluchtauto te regelen en/of beschikbaar te stellen,
- als bestuurder van een (personen)auto die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te brengen
naar en/of op te halen bij de wisselplaats (aan de [straat] te Amsterdam),
- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een geldelijke beloning/betaling in het vooruitzicht
te stellen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 - telkens primair - tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest en onder algemene en bijzondere voorwaarden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de verdachte bepleit, omdat er sprake zou zijn van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] niet betrouwbaar zijn, waardoor deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 21 september 2023 heeft rond 03.45 uur een ontploffing plaatsgevonden aan de [adres 1] te Rotterdam. Bij de voordeur van de woning was een krater ontstaan, de voordeur was ontzet en de ruiten lagen er uit. Ook de voordeur van de naastgelegen woning was beschadigd, evenals een op straat geparkeerde auto. Op camerabeelden van de deurbel van de woning was te zien dat twee personen een pakketje bij de voordeur van de woning plaatsten en dit vervolgens aanstaken. De twee personen op de beelden zijn de – destijds minderjarige – medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Voornoemde medeverdachten hebben het veroorzaken van de explosie tegenover de politie bekend en zijn onherroepelijk veroordeeld.
Beide medeverdachten hebben verklaard dat ze samen in Almere zijn opgehaald en dat zij onderweg naar Rotterdam, ergens buiten Almere, een tussenstop hebben gemaakt. Zij hebben allebei medeverdachte [medeverdachte 3] aangewezen als degene die hen voorafgaand aan het plaatsen van het explosief naar Rotterdam heeft gebracht en als degene die hen na de ontploffing bij de [restaurant] in Amsterdam heeft afgezet. Ook hebben zij allebei verklaard dat het de verdachte was die hen van de [restaurant] in Amsterdam weer heeft teruggebracht richting huis naar Almere.
Medeverdachte [medeverdachte 2] – die al langer een bekende was van de verdachte – heeft verder verklaard dat de verdachte de opdrachtgever was en dat hij van de verdachte via Snapchat te horen kreeg waar en hoe laat hij en [medeverdachte 1] zouden worden opgehaald. Tijdens de tussenstop van Almere naar Rotterdam, hebben de verdachte en [medeverdachte 3] elkaar ontmoet en buiten de auto één en ander met elkaar besproken, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de auto wachtten. Tijdens de rit terug van Rotterdam naar de [restaurant] in Amsterdam heeft [medeverdachte 3] via de telefoon aan de verdachte laten weten dat het gelukt was, zo verklaarde [medeverdachte 2] . In zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte 2] voorts nog verklaard dat de verdachte in de auto van de [restaurant] naar Almere aan hem heeft gevraagd of het explosief was afgegaan.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 2] ,
waaruit betrokkenheid van de verdachte volgt, betrouwbaar zijn en ook bruikbaar zijn voor het bewijs. Het hof acht zijn verklaringen betrouwbaar, nu deze gedetailleerd zijn en op cruciale onderdelen worden ondersteund door de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Dat de verklaringen van [medeverdachte 2] , zoals door de raadsvrouw aangevoerd, niet op alle onderdelen volledig consistent zijn, doet niet af aan de voor de verdachte belastende kern van die verklaringen waaruit verdachtes grote mate van betrokkenheid bij het tenlastegelegde blijkt.
De verklaring van [medeverdachte 2] over de betrokkenheid van de verdachte vindt daarnaast steun in andere bewijsmiddelen. Zo blijkt uit de oproepgeschiedenis van een telefoonnummer dat gekoppeld is aan de verdachte dat hij rond het tijdstip van de explosie meerdere malen contact had met de medeverdachte [medeverdachte 3] . Verder blijkt uit chatgesprekken dat de verdachte eerder al contacten onderhield met [medeverdachte 2] . Ook blijkt uit deze chatgesprekken dat de verdachte [medeverdachte 2] aanstuurt, hetgeen eveneens aansluit bij diens verklaring. Het is ook de verdachte die geregeld heeft dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Rotterdam werden gebracht en het is de verdachte zelf geweest die hen na het veroorzaken van de explosie van Amsterdam naar Almere heeft gebracht. Op de telefoon van [medeverdachte 2] is een chat tussen hem en de verdachte aangetroffen waarin [medeverdachte 2] aangaf dat hij een ‘gekke jobba’ zocht waar hij genoeg uit kon halen. De verdachte reageerde hierop met ‘ik hoor je, zodra ik wat heb hoor je het gelijk’. In een later chatgesprek zegt de verdachte tegen [medeverdachte 2] dat hij zich nergens druk om moet maken, gewoon de instructies moet volgen, niet te veel via app moet praten en telkens zijn chats moet wissen. Ook heeft de verdachte met medeverdachte [medeverdachte 3] contact gehad - een chat van 3 augustus 2023 - over een pand aan de [adres 2] , op welk adres in Spijkenisse de politie bij een vuurwerkonderzoek op 20 december 2023 een ruime hoeveelheid Cobra’s en kruit in de kelderbox heeft aangetroffen. De betrokkenheid van de verdachte wordt naar het oordeel van het hof voorts gesteund doordat de verdachte een nieuwe telefoon in gebruik heeft genomen, klaarblijkelijk om zaken uit het zicht van de politie te houden. Zo heeft de verdachte het in een chat met [persoon] op 29 januari 2024 over ‘wat laatste dingen regelen zodat ze niks op me hebben alles goed wegzetten’ en dat het belangrijkste is dat zijn Samsung “schoon” is.
Gelet op het voorgaande is het hof – met de rechtbank – van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk een belangrijk aandeel heeft gehad in het (doen) teweeg brengen van de explosie. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte de opdrachtgever was en hem voor zijn bijdrage een bedrag van 500 euro heeft betaald. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt voorts dat bij de uitvoering sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , dat er sprake is van medeplegen. De verdachte heeft niet alleen de opdracht gegeven en de medeverdachten betaald, maar heeft ook bij de uitvoering van de ontploffing een actieve rol gespeeld door instructies te geven, de medeverdachten te vervoeren en na te vragen en klaarblijkelijk te checken of het gelukt was. Het vrijspraakverweer van de raadsvouw wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
hij op
of omstreeks21 september 2023 te Rotterdam,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door op de deur van een pand, gelegen aan de [adres 1] , een fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en
/of (zwaar
)vuurwerk (Cobra 6)
en/of stof(fen),tot
ontsteking en/of ontbranding en/ofontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten
voornoemde pand en/ofnabijgelegen panden en
/ofde in die panden aanwezige goederen en
/ofeenauto
’s, en
/of
-
levensgevaar en/ofgevaar voor
zwaarlichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die panden aanwezige personen en
/ofpersonen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, te duchten was;
2. primair
hij op
of omstreeks21 september 2023 te Rotterdam
, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,[slachtoffer 1] en
/ofanderen in de woning aanwezig
en/of ingeschreven, heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/ofmet zware mishandeling, door een fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en
/of (zwaar
)vuurwerk (Cobra 6)
en/of stof(fen),te plaatsen op de deur van
zijndiewoning gelegen aan de [adres 1] , en aan te steken, waardoor de fles met vloeistof, althans een explosieve/brandbare substantie en
/of (zwaar
)vuurwerk (Cobra 6)
en/of stof(fen),tot ontploffing is gebracht;
3. primair
hij op
of omstreeks21 september 2023 te Rotterdam,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met
een of meeranderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres 1] , geheel of ten dele toebehorende aan
[slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] ,
althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,heeft
vernield en/ofbeschadigd
en/of onbruikbaar gemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2 en 3 (telkens primair) bewezenverklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
medeplegen van bedreiging met zware mishandeling
en
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het in de nachtelijke uren veroorzaken van een ontploffing bij de voordeur van een woning, terwijl de in die woning aanwezige personen lagen te slapen. Hierdoor is de voordeur ontzet en zijn de ramen van de woning kapotgegaan. De daarin aanwezige personen moesten midden in nacht de woning verlaten en de bewoners hebben vervolgens twee maanden niet in de woning kunnen verblijven. Door voornoemde explosie is ook een op straat geparkeerde auto beschadigd geraakt.
Met de teweeggebrachte ontploffing hebben de verdachte en de medeverdachten zich bovendien schuldig gemaakt aan een zeer ernstige vorm van bedreiging van de bewoonster en haar gezin met (jonge) kinderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog lange tijd de psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan. De verdachte was daar als geen ander van op de hoogte nu hij ter zitting desgevraagd op emotionele wijze heeft erkend dat ook de woning van hem en zijn familie op een eerder moment is geraakt door een explosie, waardoor zij hun woning maandenlang niet meer konden bewonen, en welke grote gevolgen dit voor hem en zijn moeder heeft gehad.
De verdachte heeft het explosief niet zelf bij de voordeur geplaatst, maar heeft wel een initiërende en leidende rol gespeeld bij het delict door ontmoetingen en vervoer te regelen, informatie uit te wisselen en ook zelf als chauffeur op te treden.
De impact op de direct betrokkenen is groot, zo blijkt uit de toelichtingen van de
vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. De verdachte heeft zich bij zijn handelen van dit alles kennelijk niks aangetrokken en evenmin van het voorzienbare gevaar voor letsel bij personen en voor de schade aan de woning. Daarnaast heeft hij een sturende rol gehad en twee minderjarige jongens het ‘vuile werk’ op laten knappen. Het hof rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
Hoewel het hof gelet op het voorgaande van oordeel is dat de ernst van de feiten in beginsel een gevangenisstraf rechtvaardigt met een onvoorwaardelijk deel zoals door de rechtbank opgelegd, ziet het hof aanleiding om daarvan af te zien. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. Uit een door de raadsvrouw overgelegd
e-mailbericht d.d. 12 mei 2026, afkomstig van de reclassering, blijkt dat de verdachte zijn gedragsinterventie in detentie positief heeft afgerond. Gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft de verdachte zich aan de gestelde bijzondere voorwaarden gehouden en heeft hij zich meewerkend en begeleidbaar opgesteld in het reclasseringscontact. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op dit moment vrijwilligerswerk verricht, een uitkering heeft aangevraagd en met ondersteuning van het wijkteam van de gemeente op zoek is naar een eigen woning. Eens in de twee weken heeft de verdachte een afspraak met de reclassering, soms met aanvulling van een extra telefonisch contactmoment. Het lijkt er daarmee sterk op dat de verdachte inmiddels een positieve kentering van zijn oude leven heeft aangebracht.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 april 2026, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – waarbij de verdachte voor wat betreft het onvoorwaardelijk deel niet opnieuw naar de gevangenis moet – mede met het oog op zijn eigen nog relatief jonge leeftijd een passende en geboden reactie vormt. Het hof komt daarmee tot een andere strafoplegging dan de rechtbank, waarbij het hof in het bijzonder heeft betrokken dat het ondergaan van detentie de positieve ontwikkelingen en beschermende factoren in het leven van de verdachte zou doorkruisen of zelfs teniet doen.
Het voorwaardelijk strafdeel is bedoeld als extra stimulans voor de verdachte om op het rechte pad te blijven. Het hof zal bij de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden stellen, zoals nader vermeld in de beslissing.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.768,80. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 1.768,80 aan materiële schade, € 5.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van
€ 1.000,00 aan nader te onderbouwen schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.268,80, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, enkel in die zin dat vrijspraak is bepleit, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van
€ 1.768,80 materiële schade is geleden. De schade betreft ‘kleding en hygiëne’ ad € 200,00, ‘verblijf’ ad € 1.166,00 en ‘schade woning’ ad € 402,80. Ten aanzien van elk van deze posten is voldoende komen vast te staan dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten, nu de gemaakte kosten in verband staan met de gedwongen tijdelijke verhuizing van de benadeelde partij en de reparatie van rookschade aan haar huurwoning. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot genoemd bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is van oordeel dat voorts aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning sliep tijdens de mede door de verdachte veroorzaakte ontploffing. De benadeelde partij heeft samen met haar kinderen en een neefje in de nacht de woning moeten verlaten. Gedurende twee maanden heeft zij met haar kinderen bij haar zus moeten verblijven, voordat zij haar eigen huurwoning weer mocht betreden. Zij heeft nachtmerries overgehouden aan het voorval en voelt zich nog altijd niet veilig in de woning. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat bij haar sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Het hof betrekt hierbij dat de eigen woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen en al helemaal gedurende de slaap tijdens de nachtelijke uren. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 5.000,00 billijk en zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering naar voren is gebracht in acht genomen.
Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend (waaronder de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren) en merkt daarbij op dat de in eerste aanleg toegekende vergoeding naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad.
Voor het overige (€ 1.000,00 aan nader te onderbouwen schade) zal de vordering worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.768,80 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.500,00. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 500,00 aan nader te onderbouwen schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,00, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat enkel vrijspraak is bepleit, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning logeerde tijdens de (mede) door de verdachte veroorzaakte ontploffing. De benadeelde partij heeft samen met zijn tante, neefjes en nichtje in de nacht de woning moeten verlaten. Bovengenoemde benadeelde partij is heel erg geschrokken van de explosie en vertrouwt sindsdien anderen niet meer. Hij slaapt slecht en voelt zich niet meer veilig bij zijn tante, terwijl hij daar voorheen vaak verbleef. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 3.000,00 billijk en zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de jonge leeftijd - 15 jaar ten tijde van het feit - van het slachtoffer in acht genomen.
Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend (waaronder de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren) en merkt daarbij op dat de in eerste aanleg toegekende vergoeding naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad.
Voor het overige (€ 500,00 aan nader te onderbouwen schade) zal de vordering worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 135,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat enkel vrijspraak is bepleit, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De geleden schade bestaat uit het door de benadeelde partij aan zijn verzekering betaalde ‘eigen risico’, ter reparatie van zijn auto, welke door de explosie beschadigd was geraakt. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 135,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 5]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.500,00. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 500,00 aan nader te onderbouwen schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat enkel vrijspraak is bepleit, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning sliep tijdens de (mede) door de verdachte veroorzaakte ontploffing. De benadeelde partij heeft samen met zijn moeder, broertje, zusje en neef in de nacht de woning moeten verlaten. Gedurende twee maanden heeft hij met zijn gezinsleden bij zijn tante moeten verblijven, voordat hij terug mocht naar zijn woning. Bovengenoemde benadeelde partij is nog altijd angstig in zijn eigen huis, slaapt slecht door de nachtmerries, is bang dat het weer gaat gebeuren of dat hem iets wordt aangedaan en hij vertrouwt andere mensen niet meer. Hierdoor worden zijn schoolprestaties negatief beïnvloed. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Het hof betrekt hierbij dat de eigen woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen en al helemaal gedurende de slaap tijdens de nachtelijke uren. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 5.000,00 billijk en zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de jeugdige leeftijd - 15 jaar ten tijde van het feit - van het slachtoffer in acht genomen.
Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend (waaronder de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren) en merkt daarbij op dat de in eerste aanleg toegekende vergoeding naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad.
Voor het overige (€ 500,00 aan nader te onderbouwen schade) zal de vordering worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 6]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.500,00. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 500,00 aan nader te onderbouwen schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat enkel vrijspraak is bepleit, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning sliep tijdens de (mede) door de verdachte veroorzaakte ontploffing. De benadeelde partij heeft samen met zijn moeder, broer, zus en neef in de nacht de woning moeten verlaten. Gedurende twee maanden heeft hij met zijn gezinsleden bij zijn tante moeten verblijven, voordat hij terug mocht naar zijn woning. Bovengenoemde benadeelde partij is wantrouwend naar andere mensen geworden. Hij is heel erg geschrokken van de explosie en heeft last van nachtmerries, waardoor hij bij zijn moeder in bed wil slapen. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Het hof betrekt hierbij dat de eigen woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen en al helemaal gedurende de slaap tijdens de nachtelijke uren. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 5.000,00 billijk en zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de jeugdige leeftijd - 10 jaar ten tijde van het feit - van het slachtoffer in acht genomen.
Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend (waaronder de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren) en merkt daarbij op dat de in eerste aanleg toegekende vergoeding naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad.
Voor het overige (€ 500,00 aan nader te onderbouwen schade) zal de vordering worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 7]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 7] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.500,00. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 500,00 aan nader te onderbouwen schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat enkel vrijspraak is bepleit, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Op grond van het dossier staat vast dat bovengenoemde benadeelde partij in de woning sliep tijdens de (mede) door de verdachte veroorzaakte ontploffing. De benadeelde partij heeft samen met haar moeder, broers en neef in de nacht de woning moeten verlaten. Gedurende twee maanden heeft zij met haar gezinsleden bij haar tante moeten verblijven, voordat ze terug mocht naar haar woning. Bovengenoemde benadeelde partij heeft door het voorval last van slapeloze nachten en angst. Ook heeft zij last van concentratieproblemen, waardoor haar schoolprestaties achteruit zijn gegaan. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van deze normschending door de verdachte reeds mee dat de nadelige psychische gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De onderbouwing van de vordering bevestigt dat. Het hof betrekt hierbij dat de eigen woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen en al helemaal gedurende de slaap tijdens de nachtelijke uren. Dit betekent dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 5.000,00 billijk en zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering en de jeugdige leeftijd - 14 jaar ten tijde van het feit - van het slachtoffer in acht genomen.
Het hof heeft bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding voorts gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen in Nederland plegen te worden toegekend (waaronder de in de zogeheten Rotterdamse schaal genoemde bedragen en relevante factoren) en merkt daarbij op dat de in eerste aanleg toegekende vergoeding naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de gevolgen die het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij heeft gehad.
Voor het overige (€ 500,00 aan nader te onderbouwen schade) zal de vordering worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] .

Proceskostenveroordeling

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 157, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De verdachte is verantwoordelijk telefonisch en per post bereikbaar te zijn;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de medeverdachten [medeverdachte 2] , geboren [geboortedatum 2] en [medeverdachte 1] , geboren [geboortedatum 3] ;
- zich niet in de [adres 1] te Rotterdam bevindt.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.768,80 (zesduizend zevenhonderdachtenzestig euro en tachtig cent) bestaande uit
€ 1.768,80 (duizend zevenhonderdachtenzestig euro en tachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.768,80 (zesduizend zevenhonderdachtenzestig euro en tachtig cent) bestaande uit € 1.768,80 (duizend zevenhonderdachtenzestig euro en tachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 (achtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 september 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 september 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 135,00 (honderdvijfendertig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 135,00 (honderdvijfendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 september 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 september 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 september 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7] , ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 september 2023.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, als voorzitter, mr. A.S.I. van Delden en mr. C. Fetter, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 mei 2026.
Mr. G. Knobbout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.