Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Asset Management Company Slavutich-Invest,
Gazprom International Limited,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- het verweerschrift van Gazprom, met producties 14 tot en met 19;
- de akte overlegging producties van Slavutich, met producties 11 tot en met 26;
- de akte overlegging producties van Gazprom, met producties 20 tot en met 54;
- de bladzijden 1 en 13 tot en met 16 van de conclusie van antwoord van Farm Syu Zhnyva in het bevoegdheidsincident van Gazprom in de procedure voor de rechtbank Den Haag met zaak- en rolnummer C/09/689969 25/705, die Slavutich met toestemming van Gazprom in het geding heeft gebracht in reactie op een vraag van het hof tijdens de hierna vermelde mondelinge behandeling.
3.Feitelijke achtergrond
alter ego’s van de Russische Federatie en om die reden hoofdelijk met haar aansprakelijk zijn voor de betaling van de schadevergoedingsveroordeling uit het Oekraïense RF-vonnis.
alter ego’s van deze laatste. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
4.Procedure bij de rechtbank
- de rechter die moet oordelen over een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging (hierna: de
exequatur-rechter) moet in voorkomend geval (ambtshalve) beoordelen of immuniteit van jurisdictie van een vreemde staat zich verzet tegen zijn bevoegdheid;
- de Russische Federatie geniet in Nederland die immuniteit als het gaat om tegen haar gerichte vorderingen, gebaseerd op de onrechtmatigheid van militair optreden;
- die immuniteit is hier in het geding is omdat de Russische Federatie weliswaar geen partij is in deze
exequatur-procedure, maar wel materieel, omdat de Gazprom-entiteiten in het Gazprom-vonnis uitsluitend op grond van een vereenzelviging met de Russische Federatie zijn veroordeeld tot hoofdelijke betaling van de schade waarvoor de Russische Federatie aansprakelijk is volgens het RF-vonnis.
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
- primair op de grondslag dat de Russische Federatie in deze
exequatur-procedure als formele procespartij moet worden aangemerkt omdat Gazprom in het ten uitvoer te leggen Oekraïense Gazprom-vonnis is aangemerkt als een
alter egovan haar (rechtstreekse immuniteit); en
- subsidiair via het leerstuk van
indirect impleading.Slavutich betwist beide grondslagen voor immuniteit.
-procedures voor de Nederlandse rechter
acta iure imperii) heeft de status van internationaal gewoonterecht. [4] Zij is gebaseerd op het beginsel van soevereine gelijkheid van staten, [5] in die zin dat een staat niet tegen zijn zin kan worden onderworpen aan de rechtsmacht van een andere staat (
par in parem non habet imperium). Een andere regel van internationaal gewoonterecht is de immuniteit van executie, die inhoudt dat eigendommen van een andere staat niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. [6] Het gaat daarbij om onderscheiden regels die afzonderlijk van elkaar moeten worden toegepast. [7]
exequaturmoet de
exequatur-rechter zijn internationale bevoegdheid beoordelen in het licht van de immuniteit van jurisdictie, en niet van executie. Anders dan Slavutich aanvoert, is die regel eigen aan het internationaal gewoonterecht, aangezien dat gewoonterecht onbestreden een onderscheid maakt tussen immuniteit van jurisdictie enerzijds en van executie anderzijds. Hoewel de
exequatur-rechter in beginsel niet zelf beslist over de zaak ten gronde, maar slechts over de vraag of een buitenlands vonnis op zijn grondgebied kan worden tenuitvoergelegd, oefent hij daarbij namelijk niettemin rechtsmacht uit die ertoe kan leiden dat aan het buitenlandse vonnis in de aangezochte staat gevolgen worden verbonden die overeenstemmen met de gevolgen van een vonnis ten gronde van een rechter van de aangezochte staat. [8] Immuniteit van executie komt pas daarna aan de orde, als sprake is van een tenuitvoerlegbaar vonnis, en moet in dat latere stadium afzonderlijk worden beoordeeld per vermogensbestanddeel waarop verhaal wordt gezocht. [9]
exequatur-rechter zich moet afvragen of de derde staat immuniteit van jurisdictie geniet met het oog op de aard van de zaak die tot het ten uitvoer te leggen vonnis heeft geleid, in die zin dat hij moet beoordelen of hij zelf aan die staat immuniteit van jurisdictie had moeten verlenen indien hij zelf zou zijn aangezocht om een beslissing te nemen met betrekking tot een geschil gelijk aan datgene wat het voorwerp was van het ten uitvoer te leggen vonnis. [10]
alter ego’s van de Russische Federatie er niet toe leiden dat aan deze laatste immuniteit van jurisdictie moet worden verleend als formele procespartij. Slavutich wijst er namelijk terecht op dat, gelet op de ingenomen stellingen in deze procedure, tussen partijen vaststaat dat Gazprom een eigen, van de Russische Federatie afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, met eigen vennootschapsrechtelijke organen en met deels andere aandeelhouders dan de Russische Federatie. Daar komt bij dat het gevraagde verlof tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom, verleend in een beschikking met als verweerster Gazprom, er hoe dan ook niet toe kan leiden dat Slavutich zich in Nederland verhaalt op vermogensbestanddelen van de Russische Federatie.
indirect impleading.
a state, without being a party, is said to be "indirectly impleaded" because some relevant interest of that state is directly engaged” [11] . Gazprom verwijst in dat verband naar het verbod op
indirect impleadingals regel van internationaal gewoonterecht, zoals die regel onder andere volgt uit artikel 6 lid 2 aanhef Pro en onder (b) van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (hierna: VN-Verdrag) [12] , dat volgens haar op dit punt een codificatie inhoudt van dat internationaal gewoonterecht. Deze bepaling luidt in de authentieke Engelstalige versie als volgt:
indirect impleadingeen inherente variant is op de regel van internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie, maar voert aan dat dat leerstuk er niet toe kan leiden dat die immuniteit wordt verleend in een situatie waarin (i) de vreemde staat geen partij is in de betrokken procedure en (ii) die procedure niet kan leiden tot een aantasting van rechten van die staat. Zij voert aan dat het VN-Verdrag nog niet in werking is getreden en dat het internationaal gewoonterecht niet voorziet in immuniteit van jurisdictie in geschillen waar geen
propertyof
rightsvan een vreemde staat in het geding zijn.
opinio iuris). [13]
algemene statenpraktijk“
should have been both extensive and virtually uniform in the sense of the provision invoked”, in die zin dat zij een
“settled practice” moeten opleveren
. [14] Wat immuniteit betreft zijn daarbij onder andere relevant de rechtspraak van nationale rechters, de wetgeving van landen die immuniteit bij wet hebben geregeld, het beroep van staten op immuniteit en de verklaringen die door staten zijn afgelegd in het kader van de besprekingen van de
International Law Commissiondie hebben geleid tot het ontwerp voor het VN-Verdrag en van de onderhandelingen in het kader van de vaststelling daarvan. [15]
rechtsovertuigingbetreft moet de betrokken
settled practicealdus hebben plaatsgevonden “
as to show a general recognition that a rule of law or legal obligation is involved”, oftewel “
as to be evidence of a belief that this practice is rendered obligatory by the existence of a rule of law requiring it”. [16] Wat de immuniteit van jurisdictie betreft kan die rechtsovertuiging worden gevonden in het beroep van staten op immuniteit op grond van gewoonterecht en in de aanvaarding daarvan. [17]
The Parlement Belgeuit 1880 had betrekking op een geschil voor de Engelse rechter met betrekking tot een aanvaring door het gelijknamige schip, dat eigendom was van de Belgische kroon en gebruikt werd voor publieke doeleinden. [18] De daarvoor geldende procedure was naar Engels recht een procedure
in rem, die formeel wordt gericht tegen het betrokken schip maar kan leiden tot aansprakelijkheid van zijn eigenaar. In het
Court of Appealformuleerde LJ Brett het internationaal gewoonterechtelijk aanvaarde beginsel van immuniteit van jurisdictie als het door een rechter niet kunnen uitoefenen van territoriale jurisdictie over “
the person of any sovereign (…) of any State, or over the public property of any State which is destined to public use (…), though such sovereign (…) or property be within its territory” (p. 214-215). Hij oordeelde vervolgens dat de Belgische kroon door de actie
in remtegen het schip werd
impleaded, met het volgende, met het oog op de immuniteit van jurisdictie onaanvaardbare gevolg: “
To implead an independent sovereign in such a way is to call upon him to sacrifice either his property or his independence” (p. 219).
The Cristinaom een vordering
in remvoor wederom de Engelse rechter, ingesteld door de eigenaren van een door de Spaanse regering publiekrechtelijk gevorderd schip. [19] In het
House of Lordsgaf Lord Atkin de volgende weergave van het leerstuk van de directe en indirecte
impleadingin het kader van de beginselen van immuniteit van jurisdictie (het eerste hierna door hem bedoelde beginsel) en van executie (het tweede hierna bedoelde beginsel):
he rule is not limited to ownership. It applies to cases where what the Government has is a lesser interest, which may be not merely not proprietary but not even possessory”. (p. 507).
Dollfus Mieg, wederom voor de Engelse rechter, om een actie van de Franse vennootschap Dollfus Mieg & Cie tegen de Bank of England met betrekking tot door deze gehouden goudstaven, primair tot revindicatie en subsidiair tot vervangende schadevergoeding. [20] Die goudstaven waren tijdens de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk geroofd door Duitse troepen en bij de bevrijding door de Westerse geallieerde mogendheden in bezit genomen en in bewaring gegeven (
lodged on bail) aan de Bank of England hangende verdere besluitvorming. In hoger beroep bij de
House of Lordsging het om de vraag of Frankrijk en de Verenigde Staten, die in dat hoger beroep waren tussengekomen, zich via het leerstuk van
indirect impleadingkonden beroepen op immuniteit van jurisdictie.
The Cristinaweliswaar was ontwikkeld in verband met een actie
in remmet betrekking tot een schip, maar niet daartoe beperkt is: het kan betrekking hebben op elk type goed (
chattel) en elk type actie (p. 612). Lord Radcliffe citeerde met instemming de volgende regel uit een Brits handboek conflictenrecht: “
any action or proceeding against the property of [a foreign sovereign] is an action or proceeding against such person”, met de vermelding dat die regel het voordeel heeft dat zij verduidelijkt:
indirect impleadingzich sinds
The Parlement Belgeals volgt was uitgebreid in de rechtspraak op dat punt:
primaire vordering tot revindicatieaanvaardde het
House of Lordshet beroep op immuniteit omdat Frankrijk en de Verenigde Staten via de inbewaringgeving in bezit (
possession) waren gebleven van de goudstaven, althans omdat hun status als inbewaringgever (
bailor) in het geding was in een actie tegen de inbewaringnemer (
bailee). [21]
subsidiaire vordering to schadevergoedingaanvaardde het
House of Lordshet beroep op immuniteit. Indien de Bank of England tot schadevergoeding zou worden veroordeeld, zou die bank namelijk bij betaling van die vergoeding het eigendomsrecht van Dollfus Mieg & Cie over de staven verwerven en die titel tegen de Westerse geallieerde mogendheden kunnen inroepen wanneer deze om teruggave zouden vragen. Frankrijk en de Verenigde Staten zouden daarom in hun rechten worden aangetast, omdat zij dan zouden moeten kiezen tussen het zich wenden tot de Britse rechter om de staven alsnog terug te krijgen of het prijsgeven van hun rechten. [22]
State Immunities Act 1978vastgesteld. De artikelen 1 en 6 daarvan luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
6.Ownership, possession and use of property
International Law Commissionin zijn 43e sessie een ontwerp met bijbehorend commentaar (hierna: ILC-commentaar) aangenomen voor het VN-Verdrag. Dat ontwerp bevatte de regeling van artikel 6 lid 2 aanhef Pro en onder (b) zoals uiteindelijk vastgesteld [23] en het commentaar daarbij luidde, voor zover van belang, als volgt:
or in admiralty against State-owned or State-operated vessels used for defence purposes and other peaceful uses, but also measures of prejudgement attachment or seizure (saisie conservatoire
) as well as execution or measures in satisfaction of judgement (saisie exécutoire
). (…)
concerning State property, such as a warship. The wording adopted on first reading has been simplified on second reading. First, the clause "so long as the proceeding in effect seeks to compel that ... State ... to submit to the jurisdiction of the court" was deleted as it was, in the case under consideration, meaningless. The words "to bear the consequences of a determination by the court which may affect", in the last part of the sentence was also deleted, because it appeared to create too loose a relationship between the procedure and the consequences to which it gave rise for the State in question and could thus result in unduly broad interpretations of the paragraph. To make the text more precise in that regard, those words have therefore been replaced by the words "to affect". (…).” [24]
Australiëheeft opgemerkt dat het voorgestelde artikel 6 lid 2 aanhef Pro en onder (b) te breed was en dat een nauwere bewoording wenselijk was. De
Verenigde Statenhebben opgemerkt dat in het ILC-commentaar werd verwezen naar vorderingen tot revindicatie van of beslag op staatseigendommen die in feite gevolgen hebben voor een vreemde staat, terwijl de bepaling niet daartoe beperkt is en ook betrekking heeft op vorderingen die gevolgen hebben voor de “
interests and activities” van een vreemde staat, en dat dat punt aandacht behoefde.
Zwitserland, ten slotte, heeft in het algemeen met betrekking tot het gebruik van het woord “interests” in het ontwerpverdrag opgemerkt dat die term buitengewoon vaag is, niet gedefinieerd is en daarom overal zou moeten worden vervangen door “
rights”, in de zin van “
legally protected interests”. [25]
Borgarting Lagmannsrettuitspraak in een geschil waarin aandeelhouders van een Sierra Leoonse vennootschap vergoeding vorderden van de Noorse vennootschap Scancem International ANS (hierna: Scancem) van de schade die zij stelden te hebben geleden als gevolg van de onteigening van de activa van die vennootschap door de Sierra Leoonse autoriteiten en de overdracht daarvan aan Scancem. [26] Scancem beriep zich op de immuniteit van jurisdictie van Sierre Leone. Het
Borgarting Lagmannsrettverwierp dat beroep als volgt, in de niet betwiste, door Slavutich in het geding gebrachte Engelse vertaling:
The present Convention applies to the immunity of a State and its property from the jurisdiction of the courts of another State”. Artikel 6 lid 2 van Pro dat verdrag luidt zoals in 1991 voorgesteld.
is the most authoritative statement available on the current international understanding of the limits of state immunity in civil cases”, [27] en de Hoge Raad heeft als gezegd geoordeeld dat de bepalingen van het VN-Verdrag weliswaar een codificatie van het internationaal gewoonterecht behelst, maar dat niet al zijn bepalingen als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt. [28] De Hoge Raad oordeelde meer in het bijzonder dat er geen grond is om aan te nemen dat artikel 6 VN Pro-Verdrag als regel van internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt, [29] maar uit de context van dat oordeel blijkt dat het betrekking had op het eerste lid van die bepaling, waarin is voorgeschreven dat de rechter ambtshalve toepassing moet geven aan het recht op immuniteit van jurisdictie, en niet op het tweede lid.
- Angelet merkte op dat het VN-Verdrag “
undoubtedly codifies customary international law”. [30] Met betrekking tot
indirect impleadingmerkte hij het volgende op:
. The relevant exercise ofimperium
can take various forms. In occurs when the judgment sought disposes of the foreign State’s rights, e.g., in the case of a property dispute. It also occurs when the foreign state is deprived of the effective exercise of its rights or when that exercise is seriously undermined.”(p. 93).
'interests' should be limited to a claim for which there is some legal foundation and not merely to some political or moral concern of the State in the proceedings". [31] - Grant bespreekt dat “
some specifically legal effect should be required as distinct from a social, economic or political effect”. [32]
Court of Appeal for British Columbiain Canada zich uitspreken in een geschil tussen Mexicaanse leden van een Canadese vakbond en die vakbond, waarin de vakbond had gesteld dat de Mexicaanse autoriteiten zich oneigenlijk hadden gemoeid met het stemgedrag van die vakbondsleden. [34] Mexico was in dat geschil tussengekomen met een beroep op immuniteit van jurisdictie: volgens Mexico was zijn positie in het geding door een mogelijk oordeel over het zich oneigenlijk moeien. Het
Court of Appealdefinieerde het leerstuk van
indirect impleadingonder verwijzing naar
Cristinaen
The Parlement Belgeals “
proceedings in which the state is not named as a party but in which proceedings are brought in relation to property in the state’s ownership, possession or control” (punt 42). Het verwees met instemming naar het oordeel van het Britse
Court of Appealin de hierna te bespreken zaak
Belhajwaarin dat gerecht met betrekking tot
indirect impleadingop zijn beurt met instemming had verwezen naar literatuur waarin werd uiteengezet dat “
the legal effects engaged should be specifically legal effects, such as the imposition of a lien or declaration of title, rather than social, economic or political effects” en dat “[s]
imilarly, the relevant state interests should be confined to legal interests, as opposed to “interests in some more general sense” (punt 46). Het
Court of Appealverwierp immuniteit omdat zijn oordeel geen gevolgen zou kunnen hebben voor “
property in the ownership, possession or control of Mexico” of voor Mexico’s “
legal interests” (punt 49).
Supreme Courtin de zaak
Belhajuitspraak over onder andere de correcte toepassing van de Britse
State Immunity Act 1978in het licht van het internationaal gewoonterecht. [35] Het ging daar om een vordering van natuurlijke personen tegen Britse bewindspersonen en overheden tot schadevergoeding wegens de gestelde betrokkenheid van de Britse overheid bij het in handen brengen van die personen van autoriteiten van derde landen, door wie die natuurlijke personen stellen te zijn onderworpen aan marteling en onmenselijke behandeling. De Britse overheid beriep zich op immuniteit van jurisdictie van de betrokken buitenlandse autoriteiten.
Monetary Gold removed from Rome [36] en
East Timor [37] .
In
Monetary Gold removed from Romestond vast dat goud dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in Rome was geroofd door Duitsland aan Albanië toebehoorde. Nadat de Westerse geallieerde mogendheden hadden afgesproken dat dat goud aan het Verenigd Koninkrijk zou worden overhandigd ter voldoening van een proceskostenveroordeling van Albanië in een eerder geschil voor het IGH, tenzij Albanië of Italië een vordering op dat goud zouden instellen. Albanië deed dat niet. Italië deed dat wel, maar betoogde dat het IGH geen rechtsmacht had omdat de beoordeling van de Italiaanse vordering gevolgen zouden hebben voor de rechtsverhouding tussen Albanië en Italië, en het IGH daar niet over zou kunnen oordelen bij afwezigheid van Albanië. Het IGH gaf Italië gelijk:
Monetary Gold,
"Indonesia's rights and obligations would (...) constitute the very subject-matter of such a judgment made in the absence of that party's consent
"(p. 102).
Foreign Act of State Doctrine, die inhoudt dat een nationale rechter geen oordeel mag vellen over de rechtmatigheid of geldigheid van het handelen van een vreemde mogendheid.
indirect impleadingin de volgende termen
:
orin personam
, and no difference whether it is brought against the state or someone else who is in possession or control of the property.”(punt 188).
immunity of a State and its property” in artikel 1) en wordingsgeschiedenis van artikel 6 lid 2 onder Pro (b) VN-Verdrag volgt dat die bepaling niet te ruim moet worden uitgelegd en ondanks de woorden “
interests and activities” uitsluitend betrekking heeft op “
property in which states claim an interest” (punten 26 resp. 195). Lord Sumption vervolgde:
, this is obvious. The court's decision binds all the world. But although perhaps less obvious it is equally true of an actionin personam
, where the court is asked to recognise an adverse title to property in someone else or award possession of property as of right to another. (…) [T]he law cannot consistently with the immunity of states require a state to appear before a domestic court as the price of defending its legal interests. None of this reasoning, however, applies in a case where the foreign state has no legal interest to defend because the court's decision in its absence cannot directly affect its legal interests.” (punt 196)
Monetary Golden
East Timorhadden geleid tot onbevoegdheid van het IGH zich in
Belhajniet voordeden, omdat de
Supreme Courtanders dan in die zaken niet werd gevraagd om een oordeel te vellen over de titel tot bepaalde goederen of gebieden (punten 27 en 28). Lord Sumption oordeelde daarover als volgt:
, that would have no second order legal consequences for the relationship between the respondents and the foreign states in question or their officials. None of the above domestic and international cases carries the concept of "interests" so far as to cover any reputational or like disadvantage that could result to foreign states or their officials from findings as between the appellants and respondents.(…) For the reasons given, I consider that the issues now before the Supreme Court do not attract state immunity, because the legal position of the foreign states (…) will not be affected in any legal sense by proceedings to which they are not party.” (punten 29 en 31).
Foreign Act of State Doctrine:
High Courtin de zaak
NM Cherry Blossomrechtsmacht aan met betrekking tot een vordering tot revindicatie van de Sahrawi Arabische Democratische Republiek en het Polisario Front tegen (onder anderen) de Marokkaanse vennootschappen OCP SA (hierna: OCP) en Phosboucraa SA (hierna: Phosboucraa). [38] OCP had het monopolie over de winning van fosfaat in Marokko en haar aandelen werden voor 94,12 % gehouden door de Marokkaanse staat. Phosboucraa was op haar beurt een 100% dochtervennootschap van OCP en exploiteerde een fosfaatmijn in de plaats Boucraa in de Westelijke Sahara. De revindicatievordering had betrekking op een partij fosfaat die Phosboucraa in die mijn had gewonnen en die was geladen op het schip de NM Cherry Blossom, dat in een Zuid-Afrikaanse haven gemeerd lag. OCP en Phosboucraa beriepen zich op immuniteit van jurisidictie van de Marokkaanse staat via het leerstuk van
indirect impleading, omdat een oordeel over het eigendom van de partij fosfaat een oordeel zou inhouden over de rechtmatigheid van het Marokkaanse gezag over de Westelijke Sahara. Het
High Courtverwees naar een uitspraak uit 2016 waarin het Zuid-Afrikaanse
Supreme Court of Appealde immuniteit van jurisdictie had erkend als regel van internationaal gewoonterecht, met inbegrip van het leerstuk van
indirect impleading(punt 61). Het wees het beroep op immuniteit om de volgende redenen af:
- de Marokkaanse staat had geen
proprietary interestin de partij fosfaat (punt 83);
- zijn oordeel over de rechtmatigheid van de betrokken fosfaatwinning kon geen gevolgen hebben voor de
legal rightsvan de Marokkaanse staat: “
It is after all OCP’s and Phosboucraa’s case that they conduct their activities as incorporated legal entities wholly separate from the state of Morocco” (punt 84); en
- “
It may well be so that such a determination carries with it an affect upon the interests of Morocco but such affects fall within the realm of political or moral interests and cannot have legal effect” (punt 85).
Bundesverwaltungsgerichtuitspraak in een geschil waarin Jemenitische burgers in een bestuursrechtelijke procedure tegen de Duitse staat hadden gevorderd dat deze geschikte maatregelen moet nemen om te waarborgen dat de Verenigde Staten hun op Duits grondgebied gelegen luchtmachtbasis Ramstein gebruiken om drone-aanvallen in Jemen slechts in overeenstemming met het volkenrecht te plegen. [39] Daarbij speelde onder andere de vraag of de immuniteit van jurisdictie de nationale rechter verbiedt om de te oordelen over de volkenrechtelijke rechtmatigheid van het handelen van een andere staat. Het
Bundesverwaltungsgerichtbeantwoordde deze vraag ontkennend:
ist (…) einer inzidenten rechtlichen Prüfung durch nationale Gerichte nicht von vornherein entzogen; denn der völkergewohnheitsrechtlich anerkannte Grundsatz, dass ein Staat keiner fremden nationalen Gerichtsbarkeit unterworfen ist (Grundsatz der Staatenimmunität) verbietet nicht die gerichtliche Entscheidung über die Rechtmäßigkeit von Hoheitsakten anderer Staaten im Rahmen von Vorfragen.”(punt 59, onder verwijzing naar Bundesverfassungsgericht 10 juni 1997, BvR 1516/96, BVerfGE 96, 68, punt 90).
Supreme Court of Appealvan Zuid-Afrika in de zaak
EAC/MTNoordelen over een geschil tussen de Nederlandse vennootschap East Asian Consortium B.V. (hierna: EAC) en een aantal gedaagden (hierna: MTN c.s.) met betrekking tot door EAC gestelde, door MTN geïnstigeerde fraude bij de toekenning van een GSM-licentie door het Iraanse ministerie van PTT. [40] MTN had in relatie tot de Iraanse staat een beroep gedaan op het Zuid-Afrikaanse
Foreign States Immunities Act 87 of 1981in het licht van artikel 6 lid 2 aanhef Pro en onder (b) VN-Verdrag. De
High Courthad dat beroep aanvaard. [41] Het
Supreme Courtvernietigde.
Belhaj-uitspraak van de Britse
Supreme Courtgaf Unterhalter JA namens de meerderheid het volgende samenvattend antwoord op de vraag wat het leerstuk van
indirect impleadinginhoudt en of het kan worden uitgebreid naar meer dan
rights in property:
Supreme Court of Appealgeen gevolgen kon hebben voor rechten of aansprakelijkheden van de Iraanse staat:
have the attributes that the property cases exemplify.”(punt 139, verwijzingen weggelaten).
indirect impleadinggeen andere toelichting dan een woordelijke herhaling van artikel 6 lid 2 aanhef Pro en onder (b) in de Nederlandstalige versie. [42]
bestendige, algemene statenpraktijkwaarbij immuniteit van jurisdictie wordt verleend in procedures waarin een vreemde staat weliswaar niet is gedagvaard als verweerder, maar wel wordt geraakt in zijn belangen doordat zijn bezittingen, rechten of aansprakelijkheden in het geding zijn.
Dollfus Miegen Mexico in het Canadese vakbondgeschil hebben in geschillen voor vreemde rechters waar zij niet partij bij waren uitdrukkelijk een beroep gedaan op immuniteit op deze grondslag.
State Immunities Act 1978.
International Law Commissionheeft die grondslag in 1991 in zijn commentaar bij het ontwerp voor artikel 6 lid 2 VN Pro-Verdrag beschreven als een algemene statenpraktijk.
interests and activities” hebben gepleit – na 1991 geen onderwerp geweest van discussie en bij het vaststellen van het VN-Verdrag heeft geen land bij die bepaling een voorbehoud gemaakt.
legal interest”. betrekking hadden:
property;
second order legal consequences. [45]
overtuiging dat zij verplicht is. Vanaf Brett LJ in
The Parlement Belgehebben de in de vorige alinea’s bedoelde nationale rechters die praktijk beschreven als een noodzakelijk uitvloeisel van de immuniteit van jurisdictie, in die zin dat die immuniteit op dezelfde wijze als in rechtsreeks tegen een vreemde staat gerichte procedures in het geding is wanneer een vordering betrekking heeft op bezittingen, rechten of aansprakelijkheden van een vreemde staat. Die rechters hebben daarbij verduidelijkt dat die vreemde staat door zo’n vordering namelijk in een positie wordt gebracht waarin hij moet kiezen tussen het prijsgeven van zijn juridisch belang of het zich onderwerpen aan de rechtsmacht van een vreemde rechter. De
International Law Commissionheeft deze
ratio legisin punt 12 van zijn commentaar ook uitdrukkelijk ten grondslag gelegd aan zijn voorstel voor artikel 6 lid 2 aanhef Pro en onder (b) VN-Verdrag.
Foreign Acts of Statedoctrine maakt geen deel uit van het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie, maar is een afzonderlijk leerstuk uit de
common lawtraditie dat niet is gericht op rechtsmacht, maar op de beoordeling ten gronde van het handelen van een vreemde staat. De regel van immuniteit van jurisdictie houdt niet in dat het een rechter verboden is te oordelen over de rechtmatigheid van het handelen van een vreemde staat.
exequatur-procedure niet
indirectly impleaded, aangezien het gevraagde verlof tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom-vonnis geen gevolgen kan hebben voor bezittingen, rechten of aansprakelijkheden van de Russische Federatie in Nederland.
propertyvan haar in het geding is. Het is mogelijkerwijs zo dat de waarde van het indirecte aandelenbezit van de Russische Federatie in Gazprom kan afnemen als gevolg van uitwinning van vermogensbestanddelen van deze laatste, maar daarmee wordt hooguit een economisch belang, en niet een
legal interestvan de Russische Federatie geraakt. Zoals uit het voorgaande naar voren komt – zie o.m. de r.o. 6.18, 6.20d, 3e gedachtestreepje, 6.22 en 6.23 sub e – is er geen grond om aan te nemen dat er een regel van internationaal gewoonterecht bestaat dat ook daarvoor immuniteit moet worden verleend.
alter egovan de Russische Federatie, maakt het voorgaande niet anders. Dat oordeel ligt weliswaar ten grondslag aan de in dat vonnis uitgesproken en volgens het
exequatur-verzoek in Nederland ten uitvoer te leggen veroordelingen, maar maken niet dat die veroordelingen een andere uitwerking krijgen op bezittingen, rechten of aansprakelijkheden van de Russische Federatie.
Dollfus Miegwaarin het subsidiair ging om vervangende schadevergoeding, dat betaling van die schadevergoeding door de Bank of England naar Engels recht van rechtswege tot gevolg zou hebben gehad dat deze de eigendomstitel van Dollfus Mieg & Cie over de betrokken goudstaven zou hebben verworven en deze aan Frankijk en de Verenigde Staten had kunnen tegenwerpen ingeval van terugvordering van die staven, in welk geval deze staten zich alsnog tot de Britse rechter hadden moeten wenden om die staven terug te krijgen. Dat doet zich hier niet voor.
Monetary Gold removed from Romeen
East Timorgeacht moet worden niet alleen een regel van internationaal procesrecht voor het IGH te zijn, maar een onderdeel van het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie, geldt dat ook deze regel hier niet tot die immuniteit kan leiden. In de onderhavige
exequatur-procedure staat (indirect) weliswaar het handelen van de Russische Federatie centraal, maar deze procedure vertoont niet het tweede kenmerk dat, zoals Lord Sumption terecht opmerkte in
Belhaj, noodzakelijk is voor toepassing van die regel, namelijk dat “
although the judgment would have bound only the parties, each of the parties would have been bound to deal with the non-party in accordance with it” (zie hiervoor onder 6.23 onder f.). Het verlof tot tenuitvoerlegging zou hier inhouden dat Slavutich zich in Nederland kan verhalen op vermogensbestanddelen van Gazprom, maar zou geen van partijen jegens elkaar verplichten tot het volgen van een bepaalde gedragslijn in verhouding tot de Russische Federatie.
exequatur-rechter, door verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom-vonnis, indirect zou treden in de beoordeling van de rechtmatigheid van het soevereine handelen van de Russische Federatie maakt het voorgaande niet anders. Uit de voorgaande beoordeling volgt dat die toets vreemd is aan de als regel van internationaal gewoonterecht erkende immuniteit van jurisdictie. Het gaat bij die toets veeleer om de
Foreign Act of State Doctrine, die een
common law-leerstuk is en in Nederland niet geldt. [46]
Belhajen in de literatuur volgt dat het niet verlenen van immuniteit voor aantasting van
interests and activitiesdie geen
legal interestsvormen, niet een handeling is die kan worden aangemerkt als zijnde strijdig met voorwerp en doel van het VN-verdrag. Het hof heeft in de voorgaande alinea’s geoordeeld dat geen dergelijk
legal interestvan de Russische Federatie in het geding zou zijn bij tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom-vonnis in Nederland.
exequatur-verzoek kennis te nemen. Voor de inhoudelijke beoordeling daarvan zal de zaak worden terugverwezen naar de rechtbank.
.Het verzoek om Gazprom te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Slavutich haar heeft betaald ter uitvoering van de bestreden beschikking is toewijsbaar. Gelet op het principiële belang van deze zaak zal het hof ambtshalve tussentijds cassatieberoep openstellen.
7.Beslissing
- vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2025;
- bepaalt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek;
- verwijst de zaak terug naar de rechtbank ter inhoudelijke beoordeling van dat verzoek;
- veroordeelt Gazprom om aan Slavutich terug te betalen al hetgeen Slavutich haar heeft betaald ter uitvoering van de bestreden beschikking;
- veroordeelt Gazprom in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Slavutich begroot op € 3.596,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Gazprom deze niet binnen veertien dagen na vandaag heeft betaald;
- bepaalt dat als Gazprom niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en Slavutich haar vervolgens dit arrest betekent, Gazprom de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Gazprom deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- stelt tussentijds cassatieberoep open tegen deze beschikking;
- wijst af wat meer of anders is gevorderd.