Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1906

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
22-001266-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens diefstallen met geweld en gebruik valse sleutels

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens meerdere diefstallen, waaronder diefstal van een bestelbus met gebruik van valse sleutels en diefstallen met geweld in bouwmarkten en supermarkten. In hoger beroep heeft het hof het vonnis deels vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof acht bewezen dat de verdachte onder meer een bestelbus van zijn toenmalige buurman heeft weggenomen zonder toestemming, waarbij hij de toegang tot het voertuig verkreeg met een valse sleutel. Daarnaast zijn meerdere winkeldiefstallen bewezen, waarvan één met geweld om de vlucht te verzekeren. De verklaring van de aangever, ondanks diens overlijden en het daardoor ontbreken van ondervragingsrecht, is gebruikt als bewijs omdat het proces als geheel eerlijk is verlopen.

De verdachte heeft geen aannemelijke omstandigheden aangevoerd die zijn strafbaarheid uitsluiten. Gezien de ernst en veelheid van de feiten, en eerdere veroordelingen, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn is de straf gematigd tot 173 dagen. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen worden afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 173 dagen gevangenisstraf voor meerdere diefstallen, waaronder met geweld en gebruik van valse sleutels.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001266-25
Parketnummers: 10-307344-22, 10-271299-22, 10-331638-22, 10-331638-22,
05-025751-21 (TUL) en 05.281422.21 (TUL)
Datum uitspraak: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 april 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 10-307344-22:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2022 tot en met 23 november 2022 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, een auto, althans een voertuig, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en/of een valse sleutel, door de auto te openen en/of te starten met een (auto)sleutel tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2022 tot en met 23 november 2022 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, opzettelijk een auto, althans een voertuig, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten via bruikleen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
Zaak met parketnummer 10-271299-22 (gevoegd):
1.
hij op of omstreeks 21 oktober 2022 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een condensdroger en/of een steekwagen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan bouwmarkt [bouwmarkt 1] en/of [bouwmarkt 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door te worstelen met die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te duwen en/of te bewegen in tegengestelde richting dan waartoe die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] hem, verdachte, wilde(n) heen geleiden;
2.
hij op of omstreeks 19 oktober 2022 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard gereedschappen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan bouwmarkt [bouwmarkt 1] en/of [bouwmarkt 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 10-331638-22 (gevoegd):
1.
hij op of omstreeks 19 december 2022 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, diverse levensmiddelen, in elk geval enige goederen, dat/die geheel of ten dele aan [supermarkt] gelegen aan de [adres] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 13 december 2022 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, diverse levensmiddelen, in elk geval enige goederen, dat/die geheel of ten dele aan [supermarkt] gelegen aan de [adres] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-307344-22 primair, het in de zaak met parketnummer 10-271299-22 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 10-331638-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 10-307344-22:
1.
hij
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 20 november 2022 tot en met 23 november 2022 te Rozenburg, gemeente Rotterdam,
een auto, althanseen voertuig
, in elk geval enig goed, dat
/die geheel of ten deleaan [slachtoffer 1]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte
zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/ofdat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van
inklimming en/ofeen valse sleutel, door de auto te openen en
/ofte starten met een
(auto
)sleutel tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was.
Zaak met parketnummer 10-271299-22 (gevoegd):
1.
hij op
of omstreeks21 oktober 2022 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een condensdroger en
/ofeen steekwagen
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan bouwmarkt [bouwmarkt 1] en/of [bouwmarkt 2]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/ofgevolgd van geweld
en/of bedreiging met geweldtegen [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad,aan zichzelf
hetzijde vlucht mogelijk te maken
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door te worstelen met die [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 3]en
/ofdie [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 3]te duwen en
/ofte bewegen in tegengestelde richting dan waartoe die [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 3]hem, verdachte, wilde
(n)heen geleiden;
2.
hij op
of omstreeks19 oktober 2022 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard gereedschappen,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan bouwmarkt [bouwmarkt 1] en/of [bouwmarkt 2]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 10-331638-22 (gevoegd):
1.
hij op
of omstreeks19 december 2022 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, diverse levensmiddelen
, in elk geval enige goederen, dat/die
geheel of ten deleaan [supermarkt]
gelegen aan de [adres] , in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op
of omstreeks13 december 2022 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, diverse levensmiddelen
, in elk geval enige goederen, dat/die
geheel of ten deleaan [supermarkt]
gelegen aan de [adres] , in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat een bewezenverklaring van het bij dagvaarding met parketnummer 10-307344-22 primair tenlastegelegde in grote mate zou steunen op de verklaring van de aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en hij [slachtoffer 1] niet heeft kunnen horen, waardoor de verdachte geen eerlijk proces zou hebben gehad.
Het hof overweegt als volgt.
Vaststaande feiten
Uit het dossier kunnen de volgende feiten worden afgeleid, die tussen partijen niet ter discussie hebben gestaan. De verdachte heeft de bus, een VW Transporter, van [slachtoffer 1] weggenomen. De verdachte is op 23 november 2022 door de politie in de bus aangetroffen. In de bus is eveneens de portemonnee van [slachtoffer 1] met daarin onder meer het kentekenbewijs van de bus en zijn rijbewijs en invalidenkaart aangetroffen.
De verklaring van [slachtoffer 1]
heeft op 21 november 2022 aangifte gedaan van diefstal van zijn bus en rijbewijs. Hij heeft verklaard dat hij een reservesleutel van de voordeur van zijn woning in het schuurtje in zijn tuin heeft gehangen. In zijn woning, in een tas op zijn werkbureau, lagen zijn sleutelbos en portemonnee. De verdachte – zijn toenmalige buurman, die vaker in zijn woning is geweest – was de enige die wist dat er een reservesleutel in het schuurtje hing. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte het tasje uit zijn woning heeft gepakt en zijn bus heeft meegenomen. Toen hij nogmaals werd gehoord door de politie en werd geconfronteerd met de verklaring van de verdachte dat hij toestemming aan [slachtoffer 1] had gevraagd om zijn busje te lenen, heeft [slachtoffer 1] desgevraagd verklaard dat hij de verdachte geen toestemming had gegeven om zijn sleutels, zijn tas en zijn bus mee te nemen.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij aan [slachtoffer 1] had gevraagd of hij zijn bus mocht lenen, omdat hij een aantal dagen zou weggaan. Na een paar dagen zou hij de bus terugbrengen, zo was de afspraak. De verdachte werd op 22 november 2022 door ene [persoon] gebeld en [persoon] zei dat er aan hem was gevraagd of hij de bus van [slachtoffer 1] had meegenomen. De verdachte zei tegen [persoon] dat hij degene was die de bus had meegenomen, waarop [persoon] zei dat de verdachte een probleem had, omdat [slachtoffer 1] zijn bus als gestolen had opgegeven. De verdachte raakte toen in paniek.
Oordeel van het hof over de verklaringen
Het hof acht het ongeloofwaardig dat [slachtoffer 1] zijn bus zou uitlenen, maar zijn portemonnee met zijn rijbewijs in de bus zou laten liggen. Voorts acht het hof het ongerijmd dat de verdachte met toestemming [slachtoffer 1] in de bus zou hebben gereden, maar tegelijk in paniek is geraakt en met de bus is blijven doorrijden nadat [persoon] hem had gebeld met de mededeling dat de bus door [slachtoffer 1] als gestolen was opgegeven. Als de verdachte toestemming zou hebben gehad om de bus te lenen, zou het immers veeleer voor de hand hebben gelegen om [slachtoffer 1] op te bellen, dan wel om de bus terug te brengen. Daarbij komt dat de verdachte inconsistent heeft verklaard. In zijn eerste verhoor heeft hij verklaard dat het tasje altijd in de auto ligt, maar later heeft hij verklaard dat het tasje altijd in de kamer ligt. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij toestemming had van [slachtoffer 1] om de bus te lenen daarom niet aannemelijk.
Daarentegen acht het hof de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar, nu deze passen bij het overige bewijsmateriaal en [slachtoffer 1] consistent en gedetailleerd heeft verklaard.
Artikel 6 EVRM Pro
Het hof gaat dus uit van de lezing van [slachtoffer 1] en maakt voor het bewijs gebruik van de door [slachtoffer 1] bij de politie afgelegde verklaringen. De verdediging heeft [slachtoffer 1] – ondanks het nodige initiatief daartoe – niet kunnen ondervragen, omdat [slachtoffer 1] inmiddels is overleden.
In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en Hoge Raad 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.)
Het hof komt tot het oordeel dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen en overweegt in dat verband het volgende. Voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid bestond een goede reden, namelijk het overlijden van [slachtoffer 1] . Het hof heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] onderzocht in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting van die verklaringen door de verdachte. Daarbij is van belang dat [slachtoffer 1] door de politie een tweede keer is gehoord, bij welke gelegenheid hij is geconfronteerd met de andersluidende verklaring van de verdachte. Het hof acht bovendien – zoals hiervoor overwogen – de verklaringen van de verdachte onaannemelijk. Het hof constateert voorts dat er compenserende factoren zijn. De gelegenheid voor de verdediging heeft bestaan om [persoon] nader te identificeren, te traceren en te horen. Van deze mogelijkheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt. De verdachte heeft geweigerd om nadere gegevens van [persoon] te noemen en de verdediging heeft niet verzocht tot het horen van [persoon] als getuige.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het bezigen voor het bewijs van de verklaringen van [slachtoffer 1] geen schending oplevert van artikel 6 EVRM Pro. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 10-307344-22 primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Het in de zaak met parketnummer 10-271299-22 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
Het in de zaak met parketnummer 10-271299-22 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in de zaak met parketnummer 10-331638-22 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in de zaak met parketnummer 10-331638-22 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier winkeldiefstallen. Bij één daarvan heeft de verdachte met geweld geprobeerd om zichzelf de vlucht mogelijk te maken toen hij door winkelpersoneel was staande gehouden. Voorts heeft de verdachte de bestelbus van zijn toenmalige buurman gestolen. Door aldus te handelen heeft verdachte schade en overlast veroorzaakt en getoond geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander.
Het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten.
Gelet op de veelheid aan feiten en de ernst daarvan, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met oplegging van een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht – alles afwegend – in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen passend.
Het hof constateert evenwel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de hoogte van de op te leggen straf, in die zin dat het hof in plaats van de voorgenomen gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen een gevangenisstraf voor de duur van 173 dagen zal opleggen.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 19 april 2021 onder parketnummer 05-025751-21 is de verdachte veroordeeld tot 59 dagen gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 17 januari 2022 onder parketnummer 05-281422-21 is de verdachte veroordeeld tot 20 uren taakstraf met een proeftijd van twee jaren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Gebleken is dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen reeds bij onherroepelijk geworden vonnissen is bevolen. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straffen zullen daarom worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-307344-22 primair en in de zaak met parketnummer 10-271299-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 10-331638-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-307344-22 primair en in de zaak met parketnummer 10-271299-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 10-331638-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
173 (honderddrieënzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 25 november 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 19 april 2021, parketnummer 05-025751-21, voorwaardelijk opgelegde straf.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 25 november 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 17 januari 2022, parketnummer 05-281422-21, voorwaardelijk opgelegde straf.
Dit arrest is gewezen door mr. E.A. Poppe-Gielesen, als voorzitter, mr. G.C. Haverkate en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juni 2026.
Mr. H.W. Scheepbouwer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.