ECLI:NL:GHDHA:2026:1912

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
22-001957-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 218 SvArt. 218a SvArt. 126m SvArt. 126l Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep witwassen door advocaat met schending verschoningsrechtprocedure

In deze strafzaak stond de verdachte, een advocaat, terecht voor medeplegen van witwassen en het verhullen van de herkomst van vermogen door investeringen in vastgoed. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam en deed opnieuw recht.

De zaak draaide onder meer om de vraag of gesprekken tussen de verdachte en medeverdachten onder het verschoningsrecht vielen en of de procedure rond het gebruik van deze gesprekken als bewijs correct was gevolgd. Het hof constateerde onherstelbare vormverzuimen in de procedure, zoals het niet onverwijld melden van vertrouwelijke gesprekken aan de officier van justitie en het ontbreken van een schriftelijk oordeel van de deken over het verschoningsrecht. Desondanks oordeelde het hof dat deze fouten geen nadeel voor de verdediging opleverden en dat het bewijs gebruikt mocht worden.

Feiten en bewijsmiddelen toonden aan dat de verdachte betrokken was bij het witwassen van een groot contant geldbedrag van €201.500, dat werd gebruikt voor de aankoop van een pand. De verdachte gebruikte zijn advocatenberoep om criminele gelden een legitieme herkomst te geven. Het hof veroordeelde hem tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplegen van witwassen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001957-22
Parketnummer: 10-750176-19
Datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( Suriname ) op [geboortedatum] 1962,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
(Zaak 201.500)
hij op of omstreeks 8 maart 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een (grote) hoeveelheid contant geld (EUR 201.500 in een rode tas) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte 3] , terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 maart 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om een (grote) hoeveelheid contant geld (EUR 201.500 in een rode tas) te verwerven (van [medeverdachte 3] ) en/of voor handen te hebben,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat geld - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was uit enig misdrijf,
[medeverdachte 3] opdracht heeft gegeven, althans met hem en/of [medeverdachte 1] heeft afgesproken, om dat geld op te halen bij [medeverdachte 1] en/of te vervoeren naar zijn kantoor en/of daar aan hem, verdachte, te overhandigen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
(Zaak [adres 1] )
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 30 april 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft verborgen en/of verhuld door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) te investeren in het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 1]
en/of
inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 1] ,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Het hof zal de verdachte hierna ook aanduiden als: [verdachte] .

Verschoningsrecht: verweren, tijdlijn en juridisch kader

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair betoogd dat de rechtbank ten onrechte aan de geconstateerde vormverzuimen rond de toepassing van de regels tot bescherming van het verschoningsrecht niet de consequentie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting van de door de rechtbank voor het bewijs gebruikte gesprekken d.d. 12 maart 2018 en 3 april 2018 heeft gekoppeld. De verdediging brengt hiertoe naar voren dat sprake is van meerdere, in de overgelegde pleitnota nader uitgewerkte, concrete schendingen van de regels rond het verschoningsrecht. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat – met de rechtbank – moet worden geconcludeerd dat het OM ook in andere zaken onzorgvuldig met deze regels omspringt en – kennelijk – niet van zijn fouten leert. Eén en ander heeft er volgens de raadsvrouw toe geleid dat ten onrechte verschoningsgerechtigde gegevens aan het strafdossier zijn toegevoegd en door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt.
Standpunt van de advocaat-generaal
In zijn overgelegde requisitoir geeft de advocaat-generaal aan dat de procedure ten aanzien van de deken, de rechter-commissaris en het voegen van stukken bij de processtukken scherper, zorgvuldiger en vooral sneller had gekund, maar dit levert – als primaire stelling – geen vormverzuim op, mede gelet op het ingewonnen standpunt van de deken en het betrekken van de rechter-commissaris. Nu het verschoningsrecht volop in beweging is, zo wordt in het requisitoir betoogd, dient er bovendien ruimte te zijn voor afwijking in procedures zonder dat dit meteen grote consequenties heeft. Indien het hof concludeert dat wel sprake is geweest van vormverzuimen, dan zou moeten worden volstaan met de constatering daarvan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Inleiding
In (inter)nationale rechtspraak geldt als uitgangspunt dat het verschoningsrecht van een advocaat niet zomaar een recht is, maar een essentieel recht in een democratische samenleving nu een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het recht op privacy van artikel 8 EVRM Pro eisen dat een ieder, waaronder ook een verdachte, in beginsel te allen tijde met zijn advocaat (hierna ook: raadsman, waaronder ook raadsvrouw moet worden gelezen) vertrouwelijk moet kunnen communiceren zonder dat hij bevreesd hoeft te zijn dat die vertrouwelijke communicatie (later alsnog) openbaar gemaakt wordt. Om deze reden wordt het verschoningsrecht als een van de hoekstenen van de rechtsstaat gezien. Dit brengt ook mee dat de reikwijdte van het verschoningsrecht van belang is. Deze reikwijdte wordt in de regel zodanig gedefinieerd dat communicatie tussen een verdachte en zijn advocaat alleen dan onder het verschoningsrecht valt indien de rechtzoekende zich tot zijn advocaat heeft gewend in diens hoedanigheid van advocaat. In de woorden van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:374, rechtsoverweging 6.2.1):
“Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.”
Als hoofdregel geldt derhalve dat de waarheidsvinding, in verband met de rechtsstaat-gedachte, moet wijken voor het verschoningsrecht, indien en voor zover de betreffende mededelingen onder de reikwijdte van verschoningsgerechtigde mededelingen vallen.
Met betrekking tot de waarborging van de bescherming van het essentiële verschoningsrecht is aan een onafhankelijke rechter-commissaris een centrale rol toebedacht (ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.5.5).
In deze zaak gaat het onder andere om de vraag of, op verzoek van de officier van justitie, op juiste gronden de in een proces-verbaal neergelegde weergave van twee OVC-gesprekken, waarin mededelingen door of aan een advocaat zijn gedaan, aan het procesdossier is toegevoegd. Zoals hieronder beknopt wordt beschreven werd [verdachte] , naar aanleiding van verschillende afgeluisterde gesprekken van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) over de mogelijke betrokkenheid van [verdachte] bij uit te voeren witwas-constructies, als verdachte aangemerkt. De aanleiding voor deze verdenking is beschreven in een proces-verbaal van 9 oktober 2018.
De advocaat wordt als verdachte aangemerkt: het opsporingsonderzoek
Op 1 augustus 2016 werd een opsporingsonderzoek naar witwassen gestart onder de naam "Spaniel". Binnen dit onderzoek werden onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als verdachten aangemerkt. Er werden bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, waaronder het opnemen van telecommunicatie (126m Sv), het opnemen van vertrouwelijke communicatie (126l Sv) en observaties (126g Sv).
Op 18 oktober 2017 wordt door het observatieteam gezien dat een ontmoeting plaatsvindt tussen [medeverdachte 1] , [persoon 2] en twee onbekende mannen. Na de ontmoeting gaat één van de twee onbekende mannen het kantoorpand van [advocatenkantoor van verdachte] in. Op 4 december 2017 wordt een ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en een onbekende man gezien. Gezien wordt dat deze onbekende man na de ontmoeting opnieuw het betreffende kantoorpand betreedt. Op basis van observatiefoto’s, een foto van de website van [advocatenkantoor van verdachte] en een paspoortfoto wordt deze onbekende man geïdentificeerd als [verdachte] , [verdachte] .
Op 12 december 2017 wordt door het observatieteam gezien dat [verdachte] de belwinkel van [naam belwinkel] , gerund door [medeverdachte 2] , verlaat terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de belwinkel (aan de [adres 2] in Rotterdam) achterblijven.
Uit diverse telefoongesprekken eind december 2017 / begin januari 2018 volgt dat [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 3] contact zoeken met [verdachte] .
Uit een OVC-gesprek van 29 januari 2018 tussen [medeverdachte 1] en [persoon 2] volgt dat zij spreken over de kwaliteiten van [verdachte] als advocaat: hij is geen advocaat van topniveau, maar heeft wel contacten en zit al lang in het vak. [medeverdachte 1] vertelt dat hij het gesprek met [verdachte] is aangegaan en dat [verdachte] hem het een en ander heeft verteld over witwassen. [medeverdachte 1] denkt dat [verdachte] een man is die de knowhow, zijn achtergrond en alles heeft. Hij denkt dat [verdachte] op dit moment uitdagingen zoekt en gewoon extra wil verdienen. [medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] in een soort plek zit waar hij het misschien niet zo druk heeft in zijn advocatuur. [medeverdachte 1] zegt voorts dat [verdachte] een advocaat is die ook kennis van dit soort dingen heeft: hoe maak je geld wit en wat is wit. Uit het gesprek volgt verder dat [medeverdachte 1] met behulp van financiële transacties, constructies en leningen met bedrijven iets wil verdienen op een zodanige manier dat hij, [medeverdachte 1] , niet gepakt kan worden.
Uit (telefoon)gesprekken uit februari 2018 volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bezig zijn met een transactie inzake het pand [adres 1] te Rotterdam. “Gelden” moeten bij de notaris binnen zijn en er wordt gewacht op (kvk-)stukken van een, kennelijk recent opgerichte, B.V. [medeverdachte 3] heeft contact met [verdachte] . Er is contact met de vertegenwoordiger van de verkoper. Op 21 februari 2018 belt [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] , zegt dat hij “bij de meester is” en dat er 1500 ontbreekt. De zendmast die de telefoon van [medeverdachte 3] aanstraalt ligt binnen het bereik van het kantoor van [verdachte] . Kennelijk wordt op het kantoor van en in aanwezigheid van [verdachte] geld geteld dat eerder door [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] was gegeven.
Op 8 maart 2018 wordt gezien dat [medeverdachte 3] rond 10.00 uur de woning van [medeverdachte 1] binnen gaat. Om 10.21 uur verlaat [medeverdachte 3] de woning met een rode plastic tas die hij in de kofferbak van zijn BMW legt, waarna hij wegrijdt. Omstreeks 10.40 uur wordt hij staande gehouden waarna een onderzoek van de BMW volgt. Bij dit onderzoek wordt onder de bodemplaat in de kofferbak een rode tas aangetroffen met daarin een grote hoeveelheid gebundelde en in plastic verpakte biljetten van 100 en 50 euro. Na telling blijkt het om een totaalbedrag van € 201.500,00 te gaan. De aanhouding van [medeverdachte 3] vindt plaats in de straat waar [advocatenkantoor van verdachte] kantoor houdt.
Het hof is van oordeel dat uit genoemde gesprekken, feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] wordt benaderd in diens hoedanigheid van advocaat. Kennelijk zien zij een (mogelijke) rol voor de advocaat [verdachte] bij juridische transacties, leningen met bedrijven en willen zij advies over witwassen. Met betrekking tot de door en aan hem gedane mededelingen komt [verdachte] daarom in beginsel een verschoningsrecht toe.
Tegelijkertijd acht het hof het niet onbegrijpelijk dat bij de officier van justitie twijfel is gerezen over de vraag of de gevraagde en vervolgens geleverde juridische diensten kwalificeren als een “normale uitoefening” van het beroep van advocaat. Immers, een dienstverlening, hoezeer ook juridisch van aard, kwalificeert niet als de normale uitoefening van het beroep indien deze wordt gevraagd teneinde misdrijven, zoals witwassen, te plegen, en de advocaat daarvan wetenschap heeft of zou moeten hebben.
Bovengenoemde feiten en omstandigheden waren, in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van het hof voldoende om [verdachte] als verdachte aan te kunnen merken. Immers, uit de gesprekken en de inbeslagname van € 201.500 aan contanten is een vermoeden gerezen dat de juridische diensten van [verdachte] werden gebruikt om contante geldbedragen ogenschijnlijk van een legitieme herkomst te voorzien en vervolgens als (deel)betalingen voor de aankoop van vastgoed te gebruiken. Het vermoeden bestond dat het hierbij om grote geldbedragen ging die contant aan het huisadres van [medeverdachte 1] werden gebracht en van daaruit in een verborgen ruimte in de auto van [medeverdachte 3] naar het kantoor van [verdachte] werden gebracht, om vervolgens met een ogenschijnlijke legitieme herkomst giraal naar de rekening van de notaris te worden gesluisd.
Juridisch kader
Artikel 126aa Sv bevat voorschriften voor de voeging bij processtukken van processen-verbaal waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een bijzondere opsporingsbevoegdheid, zoals het opnemen van vertrouwelijke informatie. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat de processen-verbaal worden vernietigd voor zover zij mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van de artikelen 218 en 218a Sv zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd. Met betrekking tot deze vernietiging worden in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) voorschriften gegeven. Voor zover die processen-verbaal andere (niet verschoningsgerechtigde) mededelingen behelzen, door of aan die professionele verschoningsgerechtigde gedaan, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.
De relevante AMvB betreft het “Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken” (hierna: “het Besluit”). Artikel 4 lid 4 van Pro het Besluit luidt als volgt:
“Indien de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, zijn gedaan door of aan een geheimhouder die als verdachte is aangemerkt, wint de officier van justitie het oordeel in van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep waartoe de geheimhouder behoort, omtrent de vraag of de mededelingen zijn aan te merken als mededelingen in de zin van artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Indien de officier van justitie besluit af te wijken van het oordeel van het gezaghebbende lid van de beroepsgroep, wordt dit besluit met redenen omkleed.”
De nota van toelichting bij het Besluit houdt onder meer het volgende in:
"Ten eerste dient de rechter-commissaris een machtiging te geven voor het tappen of opnemen van vertrouwelijke communicatie. Hij zal als onafhankelijke rechter de afweging maken omtrent het gebruik van deze bevoegdheden tegen een geheimhouder. Vervolgens heeft zich in de praktijk een tweede, extra waarborg ontwikkeld in het geval de geheimhouder verdachte is. De officier van justitie wint in dat geval het oordeel in van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep waartoe de geheimhouder behoort, omtrent de vraag of de mededelingen die door of aan de geheimhouder zijn gedaan, zijn aan te merken als mededelingen ten aanzien waarvan het verschoningsrecht geldt. Deze procedure is in artikel 4 van Pro deze regeling neergelegd. Tenslotte is in de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden nog een extra waarborg opgenomen. Artikel 126aa, tweede lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan mededelingen kunnen worden ontleend gedaan door of aan een geheimhouder alleen bij de processtukken mogen worden gevoegd na machtiging van de rechter-commissaris. Het betreft hier uiteraard alleen mededelingen voorzover deze niet onder de geheimhoudingsplicht vallen.”
De memorie van toelichting bij de totstandkoming van artikel 126aa Sv vermeldt onder meer het volgende:
"Mededelingen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 zou Pro kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededeling zou worden gevraagd, worden in beginsel niet bij de processtukken gevoegd. Zij moeten zo spoedig mogelijk worden vernietigd. De ratio van deze beperking is, dat het verschoningsrecht anders illusoir zou kunnen worden. Het voegingsverbod ziet slechts op mededelingen die onder de geheimhoudingsplicht vallen (HR 29 juni 1993, NJ 1993, 692); dit is in de wetstekst tot uitdrukking gebracht.De praktijk is zo, dat in gevallen waarin de geheimhouder verdachte is, het oordeel van een gezaghebbend lid van de betreffende beroepsgroep (bijvoorbeeld de deken van de plaatselijke orde van advocaten) wordt ingewonnen nopens de vraag welke gesprekken of gedeelten daarvan dergelijke mededelingen behelzen. In deze jurisprudentie en praktijk beoogt dit wetsvoorstel geen wijziging te brengen."
(Kamerstukken II, 1996-1997, 25 403, nr. 3, p. 83)
Hoe heeft de officier van justitie ten aanzien van de twee OVC gesprekken (d.d.12 maart 2018 en 3 april 2018) gehandeld?
Het oordeel van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep
Het hof heeft uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting moeten constateren dat de verslaglegging aan de zijde van het openbaar ministerie over de wijze waarop het met de weergave van beide gesprekken is omgegaan, niet compleet is en op een aantal punten gebrekkig en verwarrend, onder andere omdat er verschrijvingen in data hebben plaatsgevonden. Op basis van de in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde stukken en correspondentie reconstrueert het hof de gang van zaken als volgt.
Op 12 maart 2018 wordt een proces-verbaal opgemaakt naar aanleiding van het OVC-gesprek van 12 maart 2018. Op 9 oktober 2018 wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin de verdenking jegens [verdachte] wordt beschreven.
Op 23 april 2019 stuurt de officier van justitie de weergave van het OVC-gesprek van 12 maart 2018 aan de deken teneinde van hem een oordeel te krijgen over de vraag of het OVC-gesprek mededelingen bevat ten aanzien waarvan [verdachte] zich zou kunnen verschonen. Met de deken wordt een afspraak gemaakt voor 6 mei 2019 om de kwestie te bespreken. In de aanloop naar deze bespreking wijst het onderzoeksteam de officier van justitie erop dat er nog een tweede, voor het onderzoek relevant OVC-gesprek is waaraan [verdachte] heeft deelgenomen, namelijk een OVC-gesprek van 3 april 2018. De officier van justitie stuurt de weergave van dit tweede OVC-gesprek op 1 mei 2019 alsnog naar de deken.
Het hof leidt uit het vorengaande af dat beide OVC-gesprekken onderwerp van gesprek zijn geweest tijdens de bespreking met de deken op 6 mei 2019. Bovendien heeft de officier van justitie, zoals hierna zal blijken, behalve de weergave van de twee OVC-gesprekken vóór 6 mei 2019 nog enkele andere stukken van opsporing aan de deken gestuurd. Hieronder bevindt zich het “Relaas zaaksdossier 201.500”. In dit relaas wordt, op pagina 18-19, een uitgebreide samenvatting gegeven van OVC-gesprekken die op 3 april 2018 werden gevoerd, waaronder het OVC-gesprek ten aanzien waarvan aan de deken om een oordeel werd gevraagd.
Het naar aanleiding van het gesprek van 6 mei 2019 door de deken ingenomen standpunt is niet direct of na korte tijd schriftelijk vastgelegd.
Over het resultaat van het gesprek van 6 mei 2019 met de deken wordt in het requisitoir in eerste aanleg (d.d. 24 augustus 2021) het volgende opgemerkt:
“In het gesprek hebben [de deken] (het hof begrijpt: de deken) en Verloop (het hof begrijpt: de toenmalige portefeuillehouder strafrecht binnen de Raad van de Orde) mondeling aan het OM laten weten de hen toegezonden stukken te hebben bestudeerd en tot de slotsom te zijn gekomen dat beide OVC gesprekken niet onder het verschoningsrecht konden worden geacht te vallen.”
Kennelijk in vervolg op het mondeling gegeven oordeel van de deken heeft de officier van justitie op 13 mei 2019 een vordering ex artikel 126aa lid 2 Sv ingediend bij de rechter-commissaris teneinde machtiging te verkrijgen voor het voegen van de weergave van beide OVC-gesprekken aan het procesdossier. In deze vordering is onder meer het volgende te lezen:
“Overwegende dat de officier van justitie, alvorens tot dit oordeel te komen, op 6 mei 2019 advies heeft ingewonnen bij een gezaghebbend lid van de beroepsgroep waartoe verdachte behoort, te weten de deken van de Orde van Advocaten Rotterdam, [de deken] ;”
Bij beschikking van 14 mei 2019 heeft de rechter-commissaris deze machtiging gegeven. Met betrekking tot de totstandkoming van deze machtiging wordt in het requisitoir in eerste aanleg het volgende opgemerkt:
“De rechter-commissaris heeft het OM telefonisch laten weten voorafgaand aan het verlenen van de machtiging contact te hebben gehad met de deken, [de deken] .”
Op 20 mei 2019 wordt [verdachte] als verdachte gehoord ter zake van de feiten als genoemd in het Relaas zaaksdossier 201.500 en [adres 1] . Hierbij zijn hem beide OVC-gesprekken voorgehouden. In reactie op vragen hierover deed [verdachte] een beroep op zijn verschoningsrecht.
Op 5 augustus 2021 stelt de raadsvrouw mr. Kuster zich als raadsvrouw in de inmiddels tegen [verdachte] aanhangig gemaakte strafprocedure. Op 24 augustus 2021 vindt een regiezitting plaats waar de raadsvrouw vraagt om de correspondentie tussen de officier van justitie en de deken aangaande deze strafzaak aan de processtukken toe te voegen. De rechtbank beslist op dit verzoek als volgt:
“De raadsvrouw heeft (andermaal) verzocht de correspondentie die zou zijn gevoerd tussen het openbaar ministerie en de deken van de Orde van Advocaten aan het dossier toe te voegen.
In de vordering van de officier van justitie ex artikel 126aa lid 2 van het Wetboek van Strafvordering van 13 mei 2019 overweegt de officier van justitie dat hij op 6 mei 2019 advies heeft ingewonnen bij de deken van de Orde van Advocaten te Rotterdam, [de deken] . Blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris van de regiebijeenkomst op 13 november 2020 (p. 7) heeft de officier van justitie toegezegd deze stukken in het dossier te voegen. De raadsvrouw heeft gesteld dat deze stukken niet in haar bezit zijn en de officier van justitie heeft dit niet weersproken. De rechtbank draagt de officier van justitie op deze stukken te voegen bij de processtukken.”
Op 2 september 2021 zendt de officier van justitie de weergave van beide OVC-gesprekken aan de raadsvrouw.
Eerst bij e-mail van 23 december 2021 vraagt één van de behandelend officieren van justitie aan de deken om diens mondelinge oordeel schriftelijk te bevestigen. In zijn reactie, eveneens per e-mail, van 6 januari 2022 reageert de deken, voor zover hier relevant, als volgt:
“In uw e‐mailbericht van 23 december 2021 legde u mij voor dat de rechter‐commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek in bovengenoemde zaak overleg met mij gehad heeft over de vraag of de inhoud van opgenomen gesprekken zou vallen onder het beroepsgeheim van mr. [verdachte] . Ik heb laten weten die vraag ontkennend te
hebben beantwoord. U verzocht mij om een bevestiging daarvan.
Mij zijn uit het dossier de volgende stukken bekend en ook uitsluitend daarover kan ik u berichten:
  • een proces‐verbaal waarin de op 8 maart 2018 tegen [verdachte] gerezen verdenking van overtreding van de artikelen 420bis en –ter Sr is beschreven;
  • een proces‐verbaal waarin een op 12 maart 2018 opgenomen gesprek waaraan [verdachte] heeft deelgenomen is weergegeven;
  • het relaas (samenvatting) van een zaaksdossier genaamd “ [adres 1] ”;
  • het relaas (samenvatting) van een zaaksdossier genaamd “€201.500,‐“.
(…)
De gegevens uit het strafrechtelijk dossier geven onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen welke betrokkenheid mr. [verdachte] nu precies heeft gehad.
Op grond van mijn onderzoek heb ik vastgesteld dat mr. [verdachte] geen kennis genomen heeft van de feiten die betrekking hebben op beide zaaksdossiers, in zijn hoedanigheid van advocaat. Daarom meen ik dat hem dienaangaande geen beroep op het verschoningsrecht toekomt.
Ik neem dit standpunt in op grond van de mij tot op heden beschikbare informatie. Dit voorbehoud dien ik wel te maken. Mochten er wel stukken bestaan, zoals opdrachtbevestigingen, correspondentie of verklaringen van personen,
die ergens anders op wijzen, dan zou ik mijn zienswijze mogelijk moeten wijzigen.”
De verdediging heeft in hoger beroep betoogd dat de
procedurele waarborgenvoor
doorbreking van het verschoningsrecht aantoonbaar niet zijn nageleefd omdat:
( a) de deken zich over het gesprek van 3 april 2018 nimmer heeft uitgelaten;
( b) de deken niets meer dan een zienswijze /standpunt heeft gegeven, geen oordeel zoals wettelijk is vereist, en ook nog op basis van onvolledige informatie;
( c) de rechter-commissaris voorgelicht is en machtiging heeft afgegeven op basis van een niet-bestaand ‘advies’ van de deken; en
( d) tussen gesprek en vordering bij de rechter-commissaris meer dan een jaar is verstreken.
Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat een aantal
inhoudelijkeregels omtrent het verschoningsrecht zijn geschonden, namelijk:
  • e-mailcorrespondentie van [verdachte] als advocaat met zijn cliënte, en dus verschoningsgerechtigd, inzake de koopovereenkomst van het pand aan de [adres 1] is als startinformatie van het onderzoek gebruikt;
  • het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Pro het Besluit is niet nageleefd omdat het OVC-gesprek van 12 maart 2018 niet ‘onverwijld’, maar eerst op 23 april 2019 aan de deken is toegezonden;
  • de deken heeft niet het krachtens artikel 4 van Pro het Besluit vereiste ‘oordeel’ over het verschoningsrecht gegeven doch slechts een ‘zienswijze’, dat wil zeggen een voorlopige inschatting die kan wijzigen zodra alle relevante informatie beschikbaar is;
  • in zijn e-mail van 6 januari 2022 formuleert de deken een duidelijk voorbehoud voor het geval er stukken, zoals opdrachtbevestigingen of correspondentie, bestaan die erop wijzen dat het verschoningsrecht wél van toepassing zou zijn. Dergelijke stukken bestaan, aldus de verdediging, maar zijn door het OM niet aan de deken voorgelegd, terwijl de geheimhoudingsplicht van [verdachte] hem verhinderde om die stukken in te brengen, waardoor dit voorbehoud van de deken geheel is genegeerd.
  • de vordering ex artikel 126aa lid 2 Sv vermeldt dat 'advies is ingewonnen op 6 mei 2019 bij de deken', maar zoals betoogd was er van zo’n advies, laat staan van een óordeel’ geen sprake. Hierdoor is de rechter-commissaris “derhalve op een onjuist uitgangspunt tot zijn machtiging gekomen”.
  • tot op de regiezitting van 24 augustus 2021 heeft het openbaar ministerie zich verzet tegen het verstrekken van de correspondentie tussen het openbaar ministerie en de deken, terwijl de e-mail van de deken van 6 januari 2022 pas een dag voor de inhoudelijke zitting wordt overgelegd. Anders dan de rechtbank ziet de verdediging hierin geen misverstand, maar een doelbewuste poging tot het achterhouden van informatie;
Het oordeel van het hof
Eén of twee OVC-gesprekken?
Uit de e-mail van de officier van justitie aan de deken d.d. 23 april 2019 blijkt dat de officier van justitie op deze datum de weergave van het OVC-gesprek van 12 maart 2018 aan de deken heeft gestuurd. Uit de e-mail van 1 mei 2019 volgt dat hij op deze datum het OVC-gesprek van 3 april 2018 aan de deken heeft gestuurd.
Uit de e-mail van de deken aan de officier van justitie, d.d. 6 januari 2022, volgt dat de deken ook het relaas-proces-verbaal van het zaaksdossier € 201.500 heeft ontvangen, waarin, op p. 18-19, een uitgebreide samenvatting wordt gegeven van het OVC-gesprek van 3 april 2018.
In zijn e-mail aan de officier van justitie van 6 januari 2022 meldt de deken onder meer het volgende:
“In uw e‐mailbericht van 23 december 2021 legde u mij voor dat de rechter‐commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek in bovengenoemde zaak overleg met mij gehad heeft over de vraag of de inhoud van opgenomen gesprekken zou vallen onder het beroepsgeheim van mr. [verdachte] . Ik heb laten weten die vraag ontkennend te hebben beantwoord. U verzocht mij om een bevestiging daarvan.”
De deken spreekt hier over “gesprek
ken”, meervoud dus.
Op grond van vorengaande is het hof van oordeel dat de deken, alvorens hij een oordeel gaf over de door de officier van justitie gestelde vraag, beschikte over de weergave van beide OVC-gesprekken. Dat hij in zijn e-mail van 6 januari 2022 alleen het gesprek van 12 maart 2018 expliciet noemt, maakt dit niet anders.
Oordeel of slechts (voorlopige)zienswijze?
Het door de deken in zijn e-mail van 6 januari 2022 gegeven antwoord op de vraag of [verdachte] met betrekking tot beide OVC-gesprekken een beroep op zijn verschoningsrecht kon doen luidt als volgt:
“Op grond van mijn onderzoek heb ik vastgesteld dat mr. [verdachte] geen kennis genomen heeft van de feiten die betrekking hebben op beide zaaksdossiers, in zijn hoedanigheid van advocaat. Daarom meen ik dat hem dienaangaande geen beroep op het verschoningsrecht toekomt.”
Het hof is van oordeel dat de deken hiermee een oordeel geeft over de vraag of [verdachte] met betrekking tot de twee OVC-gesprekken een beroep op zijn verschoningsrecht kan doen. De deken formuleert dit oordeel duidelijk en geeft daarbij ook expliciet aan waarom [verdachte] geen verschoningsrecht toekomt: omdat [verdachte] betrokkenheid geen betrokkenheid was in diens hoedanigheid van advocaat. Zoals het hof hierna nog zal motiveren volgt het de deken in dit oordeel. Hieraan doet niet af dat de deken benadrukt dat hij niet het hele strafdossier kent en dat hij zijn oordeel mogelijk zou moeten wijzigen indien het dossier nog andere of nieuwe stukken bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij wel in zijn hoedanigheid van advocaat betrokken was. Op dergelijke concrete stukken heeft de verdediging niet gewezen en dergelijke stukken heeft het hof in het dossier niet aangetroffen. Het feit dat [verdachte] ná 8 maart 2018 is opgetreden als raadsman van medeverdachte [medeverdachte 3] nadat deze werd aangehouden naar aanleiding van het voorhanden hebben van een bedrag van € 201.500 aan contanten en dat hij een procedure tot opheffing van het beslag heeft geëntameerd kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt nu dit optreden, gelet op de geschetste feiten en omstandigheden, niet in de normale uitoefening van het beroep plaatsvond.
Voor zover de verdediging nog heeft bedoeld te betogen dat het aan het openbaar ministerie was om nadere stukken uit het dossier aan de deken te verstrekken gaat het hof daar evenmin in mee. Bovendien stond niets [verdachte] in de weg om zelf de deken te benaderen en hem van stukken te voorzien indien hij van mening was dat dit oordeel van de deken onjuist was of tot stand was gekomen op basis van onvolledige informatie over [verdachte] betrokkenheid.
De rol van de rechter-commissaris
Op 20 mei 2019 is [verdachte] als verdachte gehoord en zijn hem beide OVC-gesprekken voorgehouden. De processen-verbaal met de weergave van die gesprekken behoorden op dat moment tot de processtukken. Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, heeft het openbaar ministerie zich in de aanloop naar het horen van [verdachte] gerealiseerd dat het oordeel van de deken moest worden gevraagd en een machtiging van de rechter-commissaris moest worden verkregen teneinde deze processen-verbaal aan de processtukken te kunnen toevoegen en aan [verdachte] te kunnen voorhouden. Het tijdsverloop bevestigt deze gang van zaken. Op 23 april 2019 wordt het eerste OVC-gesprek aan de deken gezonden, op 1 mei 2019 het tweede. Op 6 mei 2019 vindt het overleg met de deken plaats en meldt de deken mondeling dat de mededelingen in beide OVC-gesprekken niet onder het verschoningsrecht vallen. Op 13 mei 2019 vordert het openbaar ministerie ex artikel 126aa lid 2 Sv een machtiging om de stukken aan het dossier toe te voegen. Op 14 mei 2019 verstrekt de rechter-commissaris die machtiging.
Volgens het requisitoir in eerste aanleg heeft de rechter-commissaris, alvorens de machtiging te verstrekken, contact gehad met de deken teneinde diens oordeel te vernemen. Het hof heeft geen reden om hieraan te twijfelen en bovendien maakt de deken in zijn e-mail van 6 januari 2022 melding van het feit dat hij over de OVC-gesprekken contact heeft gehad met de rechter-commissaris, zoals blijkt uit het hierboven genoemde citaat uit die e-mail.
Het tijdsverloop: is er onverwijld gemeld?
De verdediging heeft betoogd dat sprake is van een ernstige schending van de regels rondom het verschoningsrecht omdat de officier van justitie niet “onverwijld” het oordeel van de deken heeft ingewonnen, maar pas ruim een jaar later, namelijk op 6 mei 2019. Het hof overweegt als volgt.
Artikel 4 lid 1 van Pro het Besluit richt zich tot de opsporingsambtenaar en verplicht hem om, wanneer hij kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een geheimhouder, de officier van justitie hiervan “onverwijld” in kennis te stellen.
Het OVC-gesprek van 12 maart 2018 is geverbaliseerd en uitgewerkt in een proces-verbaal van 22 maart 2018 (zaaksdossier € 201.500, p. 109-114). In dit gesprek bespreken [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] hoe zij gezamenlijk het probleem van de onder [medeverdachte 3] in beslag genomen contanten gaan oplossen.
Naar aanleiding van observaties van 18 oktober en 4 december 2017 was de verdachte op basis van diverse genomen observatiefoto's, een foto van de bedrijfswebsite van [advocatenkantoor van verdachte] en een pasfoto al als de advocaat [verdachte] geïdentificeerd. In maart 2018 was het onderzoeksteam er dus mee bekend dat [verdachte] advocaat was. Ten tijde van het uitwerken van het OVC-gesprek van 12 maart 2018 (op 22 maart 2018), kon het onderzoeksteam ten minste redelijkerwijs vermoeden dat dit gesprek mogelijk mededelingen bevatte die verschoningsgerechtigd waren en had dit onverwijld aan de officier van justitie moeten worden gemeld. Uit het dossier volgt niet wanneer dit is gebeurd. Als deze melding niet onverwijld is gedaan, dan heeft het onderzoeksteam het voorschrift van artikel 4 lid 1 van Pro het Besluit geschonden. Gevolg hiervan is kennelijk geweest dat het ruim een jaar heeft geduurd (namelijk tot 23 april 2019) voordat de officier van justitie het oordeel van de deken heeft kunnen vragen. Is de melding aan de officier van justitie wél onverwijld gedaan, dan is die melding kennelijk ruim een jaar bij de officier van justitie blijven liggen alvorens het oordeel van de deken werd gevraagd.
In beide situaties is sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
Met betrekking tot het OVC-gesprek van
3 april 2018stelt het hof op basis van het bericht van de officier van justitie (inhoudende dat hij door het team pas op 1 mei 2019 van dit tweede OVC-gesprek op de hoogte is gebracht) vast dat artikel 4 lid 1 van Pro het Besluit eveneens is geschonden. Ook hier is het gevolg dat eerst ruim een jaar na dato de officier van justitie het oordeel van de deken heeft kunnen vragen. Ook dit ziet het hof als een onherstelbaar vormverzuim.
Verder tijdsverloop ná 6 mei 2019
Het hof acht het onbegrijpelijk en onwenselijk dat het op 6 mei 2019 gegeven mondelinge oordeel van de deken niet direct of ten minste kort daarna aan het papier is toevertrouwd, hetzij van de zijde van het openbaar ministerie, hetzij (desnoods) van de zijde van de deken. Ofschoon regelgeving een schriftelijk oordeel niet voorschrijft, brengen het belang van het verschoningsrecht op zich en het belang van een zorgvuldige besluitvorming met betrekking tot verschoningsrechtelijke kwesties mee dat het oordeel van de deken, en een eventuele toelichting daarop, helder en duidelijk is. Datzelfde geldt voor de stukken en overige informatie waarop dat oordeel is gebaseerd. Indien de deken oordeelt dat het verschoningsrecht niet van toepassing is, dan heeft dat tot gevolg dat de mededelingen aan het dossier mogen worden toegevoegd en als bewijs tegen de geheimhouder mogen worden gebruikt. Oordeelt de deken dat het verschoningsrecht wél van toepassing is, dan worden de mededelingen, als de rechter-commissaris dat oordeel overneemt, niet aan het dossier toegevoegd. Het verschil tussen deze beide consequenties is groot. Die belangrijke helderheid wordt niet bereikt als volstaan wordt met een mondelinge mededeling. Bovendien stelt een schriftelijk verslag de rechter ook beter in staat de gang van zaken te toetsen.
Nog opmerkelijker acht het hof dat de officier van justitie in de strafprocedure zowel de rechtbank als de verdediging twee jaar in de waan heeft gelaten dat er correspondentie tussen hem en de deken aangaande een oordeel over het verschoningsrecht van de twee OVC-gesprekken bestond, terwijl dit in werkelijkheid (nog) niet het geval was. Immers, tijdens een regie-bijeenkomst bij de rechter-commissaris (op 13 november 2020) heeft de officier van justitie toegezegd deze correspondentie aan het dossier toe te voegen. Die toezegging werd niet nagekomen, waarna de raadsvrouw op de regiezitting van 24 augustus 2021 er nogmaals om heeft gevraagd. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de rechtbank op die regiezitting bepaald dat het openbaar ministerie de correspondentie alsnog moest inbrengen. Op 2 september 2021 stuurt de officier van justitie alleen de uitwerkingen van de OVC-gesprekken aan de raadsvrouw. Eerst naar aanleiding van het bevel van de rechtbank vraagt de officier van justitie de deken (per e-mail van 21 december 2021) om bevestiging van diens oordeel.
Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de verdediging en de rechtbank na het eerste verzoek van de voorganger van de raadsvrouw om de correspondentie over te leggen had dienen te melden dat het oordeel er wel was, maar nog niet op schrift was gesteld en dat de officier van justitie vervolgens op zo kort mogelijke termijn een bevestiging van het oordeel had moeten bewerkstelligen. Het hof acht het eerst op zo’n lange termijn op schrift (doen) stellen van het oordeel van de deken een onherstelbaar vormverzuim. Datzelfde geldt voor het in strijd met het beginsel van interne openbaarheid in de waan laten van de rechtbank en verdediging dat het oordeel van de deken op schrift stond.
Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag welke gevolgen deze vormverzuimen moeten hebben en overweegt het volgende.
De verplichting van de opsporingsambtenaar om stukken waarin mogelijk mededelingen staan die verschoningsgerechtigd zijn onverwijld aan de officier van justitie te melden, de verplichting van de officier van justitie om daaromtrent het oordeel van de deken te vragen en de verplichting van de officier van justitie om een machtiging van de rechter-commissaris te vragen hebben steeds als doel ervoor te zorgen dat ten aanzien van mededelingen gedaan door of aan een geheimhouder zo snel en zorgvuldig mogelijk wordt bepaald of deze mededelingen hetzij (alsnog) vernietigd moeten worden (omdat zij verschoningsgerechtigd zijn), hetzij aan het dossier mogen worden toegevoegd (omdat zij niet verschoningsgerechtigd zijn).
Aan deze ratio is in deze zaak voldaan. Ook de rechter-commissaris heeft zijn rol gespeeld doordat hij – zekerheidshalve, nu een schriftelijk oordeel van de deken op dat moment nog ontbrak – telefonisch contact heeft opgenomen met de deken omtrent diens oordeel alvorens hij een machtiging heeft verstrekt. Het oordeel van de deken heeft betrekking op beide OVC-gesprekken, zoals hierboven overwogen. Dit oordeel van de deken is volgens het hof een oordeel als door de wetgever bedoeld omdat de deken duidelijk aangeeft dat “ [verdachte] geen kennis genomen heeft van de feiten die betrekking hebben op beide zaaksdossiers, in zijn hoedanigheid van advocaat. Daarom meen ik dat hem dienaangaande
geen beroep op het verschoningsrecht toekomt.”
Het op een laat moment betrekken van de deken en het vervolgens lang wachten met het (laten) bevestigen van diens oordeel is onjuist en ongewenst, maar heeft geen nadeel voor de bescherming van het verschoningsrecht en evenmin voor [verdachte] opgeleverd. Ook is niet gesteld of gebleken dat de OVC-gesprekken vóórdat het oordeel van de deken en de machtiging van de rechter-commissaris werden gevraagd, aan de processtukken van deze strafzaak, of een andere strafzaak, zijn gevoegd. Nu de kern van de beschermende regels omtrent het verschoningsrecht is nageleefd, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een dusdanig ernstig vormverzuim dat bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid in beeld komen. Omdat, zoals hierboven is aangegeven, de verdachte van dit vormverzuim geen nadeel heeft ondervonden, zal het hof volstaan met de constatering van deze verzuimen. Ditzelfde geldt voor het niet tijdig informeren van de verdediging en de rechtbank.
Dit betekent overigens nadrukkelijk niet dat het hof de opmerking van de advocaat-generaal onderschrijft waar deze heeft betoogd dat er ruimte dient te zijn voor afwijking in procedures zonder dat dit meteen grote consequenties heeft. Dergelijke ruimte als regel toestaan, leidt onvermijdelijk tot minder strakke toepassing van die regels en daarmee – potentieel - tot onnodige aantasting van een van de hoekstenen van de rechtsstaat, welke het verschoningsrecht nog altijd is en moet blijven. Niet alleen inhoudelijke, maar ook procedurele waarborgen dienen te worden nageleefd.
De verdediging heeft tenslotte ook verweer gevoerd met betrekking tot een e-mail (onderschept in de e-mail box van [medeverdachte 1] ) d.d. 27 februari 2018 van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] . In deze e-mail zendt [medeverdachte 3] (“ter info”) een bericht van [verdachte] aan hem door aan [medeverdachte 1] . Dit doorgezonden bericht bevat een reeks van berichten tussen [verdachte] en notaris [de notaris] met als bijlage een (nieuwe) koopovereenkomst [adres 1] . De e-mail bevat derhalve mededelingen gedaan door of aan een geheimhouder. Kennelijk is deze e-mail niet “onverwijld” aan de officier van justitie doorgezonden als zijnde een stuk waarop potentieel verschoningsrecht kan rusten. Evenmin heeft de officier van justitie de deken gevraagd of het opstellen en verzenden van deze e-mail valt onder de normale uitoefening van het beroep van advocaat. Ook is de rechter-commissaris niet om een machtiging gevraagd om deze e-mail aan de processtukken toe te voegen. Het hof concludeert, met de rechtbank, dat ten aanzien van deze e-mail de vereiste procedure in het geheel niet is nageleefd. Dat is een vormverzuim dat het hof zodanig ernstig acht dat bewijsuitsluiting van dit stuk op zijn plaats is. Het hof zal dan ook geen acht slaan op dit stuk noch op de passage in het proces-verbaal van verdenking dat daaraan is gewijd.
Oordeel van het hof over de mededelingen in beide OVC-gesprekken
Uit de beide OVC-gesprekken en overige stukken uit het dossier blijkt het volgende. [medeverdachte 1] heeft via [medeverdachte 3] contact gezocht met een advocaat, [verdachte] . Uit het verslag dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] doet over zijn eerste contacten met [verdachte] volgt dat het voor [medeverdachte 1] van belang is dat [verdachte] weet hoe witwassen in elkaar steekt en hoe je dat moet doen. Hij heeft bovendien de indruk dat [verdachte] op deze manier iets wil bijverdienen omdat hij het in zijn advocatenpraktijk niet zo druk heeft. [verdachte] beschikt ook over geld en contacten. [medeverdachte 1] vertelt voorts aan een derde dat hij met een driemanschap, waaronder een advocaat, hypotheken regelt. [medeverdachte 1] ontvangt in zijn kantoor tot tweemaal toe een groot contant geldbedrag van rond 200.000 euro. [medeverdachte 3] bezorgt tenminste één van deze bedragen aan het kantoor van [verdachte] , die de taak heeft de bedragen vervolgens op ogenschijnlijk legitieme wijze op de rekening van de notaris te krijgen zodat het geld kon worden gebruikt als (deel)betaling voor het pand [adres 1] te Rotterdam. Dat geld is afkomstig van een derde die eerder is veroordeeld voor drugsdelicten. Zodra op 12 maart 2018 een geldtransport onder [medeverdachte 3] in beslag wordt genomen voelt [verdachte] zich voor deze verdwijning ten opzichte van [medeverdachte 1] en de opdrachtgever verantwoordelijk en denkt hij mee over een oplossing voor dit probleem. Hij zegt daarbij bereid te zijn één derde van het verlies (dat zou circa 66.000 euro zijn) voor zijn rekening te nemen.
Doel van de hele operatie is derhalve om vermogen van een drugscrimineel via omwegen om te zetten in de aankoop van een pand. [verdachte] stemde ermee in dat genoemde grote contante geldbedragen naar zijn kantoor gebracht werden en werkte er aan mee dat deze bedragen zouden worden gebruikt bij de aankoop van [adres 1] .
Het hof is van oordeel dat [verdachte] niet is benaderd in de normale uitoefening van het beroep advocaat. Evenmin heeft [verdachte] gehandeld in de normale uitoefening van het beroep van advocaat. Hij heeft zijn beroep van advocaat, integendeel, laten gebruiken om geld waarvan hij ten minste redelijkerwijs moest vermoeden dat dit van misdrijf afkomstig was van een ogenschijnlijk legitieme herkomst te voorzien. Dat hij als advocaat optrad voor medeverdachten maakt dit niet anders. Hieruit volgt dat de OVC-gesprekken waarover in het voorgaande is gesproken, kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Bewijsoverweging feiten 1 en 2

Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – samengevat weergegeven - betoogd dat [verdachte] integraal dient te worden vrijgesproken. Voor wat betreft feit 1 is er – kort gezegd - onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] bij een witwasconstructie. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging betoogd dat het als advocaat ondertekenen van een notariële akte geen ‘verhullen’ in de zin van de witwasbepalingen oplevert. Ook was de financiering niet afkomstig van [persoon 1] , maar verliep deze via [particuliere geldverstrekker] en [bedrijf 1] en hebben de terugbetalingen van de leningen na de tenlastegelegde periode plaatsgevonden. Tot slot is er geen bewijs dat [verdachte] wist of moest vermoeden dat er crimineel geld in de transactie betrokken was.
Juridisch kader witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf', niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:20l8:2352). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Feiten en omstandigheden
Het hof leidt, in lijn met de rechtbank, uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 24 augustus 2017 is een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het pand [adres 1] te Rotterdam. De koper is [de koper] , een in Servië woonachtige lerares. Het pand is bij akte, gepasseerd bij notaris [de notaris] , geleverd op 26 april 2018 tegen een koopprijs van € 590.000,-.
De woning werd ten tijde van de (ver)koop gehuurd door een persoon met de Servische nationaliteit genaamd [de huurder] , onder de naam [naam] . [de huurder] is de broer van [de koper] .
[de huurder] is in november 2019 aangehouden in Spanje nadat hij door Servië internationaal was gesignaleerd ter fine van uitlevering op verdenking van afpersing en drugsdelicten. In Servië heeft [de huurder] in de periode 2016-2018 geen bij de autoriteiten bekende inkomsten of onroerende goederen op zijn naam gehad. In diezelfde periode heeft [de huurder] onder verschillende namen en met gebruikmaking van verschillende vervalste paspoorten enkele panden in Rotterdam gehuurd, waaronder [adres 3] . Tijdens een doorzoeking in 2016 werd in dat pand een vuurwapen aangetroffen. Deze doorzoeking volgde na een doorzoeking in een drietal andere appartementen waar o.a. vuurwapens, drugs en grote geldbedragen werden gevonden. Ook werd een mobiele telefoon aangetroffen van de gebruiker “ [naam] ”, waarin foto’s werden aangetroffen van [de huurder] , drugs en geld en berichtenverkeer dat duidt op internationale drugshandel via diverse Nederlandse en buitenlandse havens.
Na vertrek van de [adres 3] , werd door [de huurder] het pand aan de [adres 1] gehuurd via een persoon genaamd [persoon 3] .
Gedurende enkele maanden in 2018 zijn diverse telefoonnummers, gesprekken in zijn auto en in het kantoorpand van [medeverdachte 1] door de politie afgeluisterd en opgenomen. In een gesprek dat [medeverdachte 1] op 10 maart 2018 in zijn auto voert met een persoon genaamd [persoon 4] legt hij uit “hoe we onze hypotheken regelen”. Dat doet hij in een team van drie personen, waarvan hij zelf lid is, zodat het risico dat het fout gaat ook door drie personen gedragen wordt. Een van de twee andere personen in zijn team is een advocaat met de naam [verdachte] .
In een mobiele telefoon die te verbinden is aan [de huurder] , is berichtenverkeer aangetroffen tussen [persoon 3] en “ [naam] ”. Hierin schrijft [persoon 3] op 20 februari 2018: “You can give [medeverdachte 1] all the money so the notaris can transfer the house into your sisters name”.
[medeverdachte 1] is de voornaam van [medeverdachte 1] .
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat op 21 februari 2018 door [medeverdachte 3] een geldbedrag is opgehaald bij [medeverdachte 1] en dat laatstgenoemde dat bedrag heeft afgegeven bij “de meester”. [medeverdachte 3] komt er “drie van 500” te kort.
In een telefoongesprek van 2 maart 2018 zegt [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 1] dat alles kant en klaar bij de notaris ligt en de gelden nu (vandaag) worden gestort bij de notaris.
Op 8 maart 2018 wordt [medeverdachte 3] – zoals eerder aangegeven - aangehouden op de ’ [straat] te Rotterdam (de straat waarin het kantoorpand van [verdachte] is gevestigd) terwijl hij een geldbedrag van € 201.500,- in gebundelde biljetten onder de bodemplaat van de kofferbak van zijn auto vervoert. Hij had kort daarvoor met een rode plastic tas in zijn handen de woning van [medeverdachte 1] verlaten.
Diezelfde dag voert [medeverdachte 1] een gesprek in zijn auto met Z. [medeverdachte 2] waarin hij aangeeft dat zijn man van hem heeft meegenomen en is aangehouden. Hij zegt dat het de persoon van [verdachte] was, dat deze van [medeverdachte 1] iets had meegenomen, naar [verdachte] was gegaan en daar is aangehouden. In het eerder genoemde gesprek met [persoon 4] op 10 maart 2018 waarin [medeverdachte 1] spreekt over zijn team van drie personen zegt hij ook dat iemand van zijn team is gepakt met een “klein beetje kutbedrag” tijdens het vervoeren naar een derde.
Op 3 april 2018 vindt een overleg plaats op het kantoor van [medeverdachte 1] . Naast [medeverdachte 1] nemen daaraan deel [verdachte] , [medeverdachte 3] , [persoon 3] en [de huurder] . De twee laatstgenoemden worden op de hoogte gesteld van de inbeslagname van het bedrag van € 201.500,- door de politie. [verdachte] zegt tijdens dat gesprek dat het geld dat eerder bij hem is gegeven al bij de notaris ligt, maar niet het volledige bedrag. Hij kan het nu niet afronden, want hij mist een bedrag. [medeverdachte 1] zegt dat er “iets van driehonderdvijftig ofzo” bij de notaris ligt. [medeverdachte 1] zegt ook “bedrijfsmatig hebben we alles goed geregeld hè, het is niet zo dat alles niet compleet is qua leningen en alles…” [medeverdachte 3] zegt “we zijn zo goed op weg om dit zo mooi af te ronden. Heb een bedrijf opgericht in uuhh.. richting buitenland.” [de huurder] vraagt of zijn zus al is gebeld en zegt dat het niet zijn probleem is en dat zij het samen moeten oplossen. Hij heeft geld betaald en gaat niet nog een keer betalen.
Op 24 april 2018 ontvangt notaris [de notaris] een bedrag van € 261.563,- van [bedrijf 1] Via de derdenrekening van notaris [notaris] ontvangt notaris [de notaris] op 26 april 2018 een bedrag van € 342.738,82. Dit betreft een hypothecaire lening verstrekt door [particuliere geldverstrekker] met een looptijd van zes maanden tegen een rentepercentage van 10%. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [bestuurder] , bestuurder van [bedrijf 1] , contact had met [verdachte] . De lening van [bedrijf 1] wordt op 4 en 8 oktober 2018 terugbetaald. De aflossing geschiedt door middel van overmaking vanaf een Slowaakse bankrekening op naam van [bedrijf 2] . Omdat [particuliere geldverstrekker] geen rentebetalingen meer ontvangt op de door hem verstrekte lening, wordt het pand aan de [adres 1] uiteindelijk in juni 2019 geveild.
Beoordeling
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de hiervoor weergegeven omstandigheden een vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het door [medeverdachte 3] op 21 februari 2018 bij [medeverdachte 1] opgehaalde en bij [verdachte] afgeleverde geldbedrag en het op 8 maart 2018 in beslag genomen geldbedrag, dat onderweg was naar [verdachte] , uit misdrijf afkomstig zijn en dat in de tenlastegelegde periode tevens sprake was van verbergen, verhullen en omzetten van uit misdrijf afkomstig geld in de zin van de witwasbepalingen. Diverse witwas typologieën of indicatoren zijn hierbij aan de orde. Zo staan de transacties niet in verhouding tot de (bekende) inkomsten van [de huurder] terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat [de huurder] zijn geld verdiende in de internationale drugshandel. Daarnaast worden grote bedragen in contanten fysiek vervoerd, hetgeen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt. Bij dit vervoer wordt gebruik gemaakt van een geheime stash-plek in de auto van [medeverdachte 3] . Bij de aankoop van de [adres 1] was voorts sprake van een hypothecaire lening door niet-financiële instellingen ( [particuliere geldverstrekker] en [bedrijf 1] ). De door [particuliere geldverstrekker] verstrekte lening had daarnaast een hoog rentepercentage (10%).
Bij deze stand van zaken mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft dat geen sprake is van uit misdrijf afkomstig geld.
[verdachte] heeft verklaard dat [de koper] zijn cliënt was en dat hij als haar gemachtigde naar de notaris toe optrad. Met betrekking tot het bedrag van € 201.500,- heeft hij verklaard dat hij in die kwestie als advocaat optrad. Hij heeft verklaard dat er geen mensen met contant geld op zijn kantoor kwamen. Voor het overige heeft [verdachte] zich met betrekking tot inhoudelijke vragen op zijn verschoningsrecht beroepen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn en dat het niet anders kan zijn dan dat de genoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van witwassen en of en zo ja in hoeverre [verdachte] daarbij als (mede)pleger betrokken was, overweegt het hof als volgt.
De financiering van de woning aan de [adres 1] via [particuliere geldverstrekker] en [bedrijf 1] betreft naar het oordeel van het hof een constructie om te verhullen dat de woning in werkelijkheid met contante gelden, afkomstig van [de huurder] , is bekostigd. Het op 21 februari 2018 overgebrachte contante geldbedrag en het op 8 maart 2018 onderschepte contante geldbedrag van € 201.500,- waren bestemd voor de aankoop van de woning, welke op 26 april 2018 is geleverd.
Uit het OVC-gesprek op 3 april 2018 volgt dat [medeverdachte 1] zegt dat “we” op dat moment “bedrijfsmatig” alles goed geregeld hebben, “qua leningen en alles”. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat met “we” in ieder geval [medeverdachte 1] en [verdachte] worden bedoeld. Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat [verdachte] in deze hele constructie een essentiële rol heeft gespeeld. Immers hoorde hij bij het ‘team’ en moesten de contante geldbedragen bij hem terecht komen, hetgeen deels is gebeurd. [verdachte] zegt zelf dat het geld dat bij hem is gegeven, is getransporteerd en bij de notaris ligt. Zodra op 12 maart 2018 een geldtransport onder [medeverdachte 3] in beslag wordt genomen voelt [verdachte] zich voor deze verdwijning ten opzichte van [medeverdachte 1] en de opdrachtgever (mede)verantwoordelijk en denkt hij mee over een oplossing voor dit probleem. Hij zegt daarbij bereid te zijn een derde van het verlies (dat zou circa 66.000 euro zijn) voor zijn rekening te nemen. De betrokkenheid van [verdachte] betreft dus veel meer dan het enkel tekenen van een notariële akte.
Dat de leningen van [bedrijf 1] en [particuliere geldverstrekker] grotendeels buiten de tenlastegelegde periode zijn afgelost, doet voor de bewezenverklaring van feit 2 niet ter zake. Immers zijn er contante gelden van [de huurder] , bestemd voor de aankoop van de [adres 1] , ontvangen door [medeverdachte 1] en [verdachte] , is kennelijk een deel van het geld getransporteerd dat vervolgens bij de notaris ligt én is het pand daadwerkelijk aangekocht. Gelet op de betrokkenheid van [verdachte] in de gehele constructie, waarbij sprake is van het transport van grote contante geldbedragen, kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] wist, minst genomen in de zin van voorwaardelijk opzet, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het hof verwerpt de door de verdediging gevoerde verweren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
primairhij op
of omstreeks8 maart 2018 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
een
(grote
)hoeveelheid contant geld (EUR 201.500 in een rode tas) heeft verworven en
/ofvoorhanden gehad
en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte 3] ,terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat dat geld
- middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk -afkomstig was uit enig misdrijf;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 augustus 2017 tot en met 30 april 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
de werkelijke aard en
/ofde herkomst en
/ofde verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft
verborgen en/ofverhuld door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk,
middellijk) te investeren in het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 1]
en/of
inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft omgezet in de verwerving van het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 1] ,
terwijl hij wist
, althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op, telkens:
medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot contant geldbedrag, en aan het verhullen van de aard en herkomst van vermogen dat in vastgoed is geïnvesteerd, een en ander zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.
Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. Het hof rekent het de verdachte zeer zwaar aan, dat hij deze feiten in zijn toenmalige hoedanigheid van advocaat heeft gepleegd en daardoor zijn beroep van advocaat heeft gebruikt en laten gebruiken voor criminele doeleinden. Daarmee heeft hij evenzeer het vertrouwen dat de samenleving moet kunnen stellen in het gebruik van juridische diensten van een advocaat ernstig beschaamd. Ook het aanzien van de advocatuur heeft hij daarmee eveneens ernstig beschadigd.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële documentatie d.d. 19 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de onderhavige feiten niet eerder is veroordeeld voor het plegen van fraudedelicten.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden in beginsel passend en geboden is.
Het hof neemt evenwel in aanmerking dat de behandeling van dat de behandeling van het op
5 juli 2022 ingestelde hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar dat deze met ongeveer 2 jaar is overschreden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, indien en voor zover nog aan de orde, volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, in voorkomend geval tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen
bewezendat de verdachte het
onder 1 primair en 2tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. R. van der Hoeven en mr. M.S. Lamboo, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2026.