Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
2.Inhoudsopgave
3.Inleiding
4.Uitgangspunten en feiten
5.Prejudiciële vragen
6. Voorafgaande beschouwing over het verschoningsrecht bij de toepassing van art. 126ng/ug Sv
,zodra het belang van het onderzoek dat toelaat (vgl. art. 126aa leden 1 en 3 Sv). Art. 126aa Sv bevat in verband hiermee voorschriften over de vernietiging van gegevens en over de voorwaarden waaronder voeging bij de processtukken toegelaten is. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende drie categorieën gegevens.
.Het is gewenst dat dit wordt gereguleerd in nadere regelgeving. Zolang deze ontbreekt geldt in ieder geval dat moet worden voorzien in een strikte taak- en functiescheiding tussen enerzijds de functionarissen die onder regie van de rechter-commissaris het voor de filtering benodigde onderzoek uitvoeren en anderzijds de functionarissen die betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek (dan wel anderszins betrokken zijn bij de strafzaak). Daarbij moet het proces van filtering ook zo zijn georganiseerd dat de functionarissen onder verantwoordelijkheid en in opdracht van de rechter-commissaris werken, en dat strikte geheimhouding wordt betracht, tenzij door de rechter-commissaris uitdrukkelijk in het concrete geval toestemming is verleend tot de verstrekking van bepaalde gegevens aan opsporingsdiensten dan wel het openbaar ministerie. Met het oog op de controle door de zittingsrechter is van belang dat de manier waarop het proces van filtering is georganiseerd, wordt vastgelegd in een door of namens de rechter-commissaris opgesteld proces-verbaal.
7.Beantwoording van de prejudiciële vragen
.Het antwoord op deelvraag 1a luidt daarom dat het van de omstandigheden van het geval – waaronder de reikwijdte van de vordering – afhangt of in het proces-verbaal bij de vordering waarin de op grond van 126ng/ug lid 4 Sv vereiste machtiging van de rechter-commissaris wordt gevorderd, moet worden vermeld dat de verdachte wordt bijgestaan door een advocaat.
,kunnen worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek. Als pas na kennisneming van de gegevens kan worden beoordeeld of deze geprivilegieerd zijn, moet de officier van justitie de rechter-commissaris bij de zaak betrekken om de filtering te (doen) verrichten. Dit geldt zowel in de in deelvraag 2a bedoelde situatie dat het in 6.5.1 bedoelde redelijk vermoeden al bestaat vóórdat de gevorderde gegevens zijn verstrekt, als in de in deelvraag 2b bedoelde situatie dat zo’n redelijk vermoeden ontstaat als opsporingsambtenaren onderzoek doen aan de gegevens. In zoverre luidt het antwoord op de onder vraag 2 geformuleerde deelvragen dus bevestigend.
8.Beslissing
12 maart 2024.