ECLI:NL:GHDHA:2026:1981

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.354.523/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Stichting niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen Petrobras-partijen wegens intrekking

In deze civiele procedure vorderden Petrobras International Braspetro B.V. (PIB) en Petrobras Global Finance B.V. (PGF) dat de Stichting niet-ontvankelijk zou worden verklaard in haar hoger beroep tegen hen. De Stichting had haar hoger beroep tegen PIB en PGF ingetrokken nadat zij had aangegeven het hoger beroep niet te willen vervolgen.

Het hof oordeelde dat de Stichting door deze intrekking haar rechtsvordering tegen PIB en PGF prijsgeeft en daarom niet-ontvankelijk is in het hoger beroep tegen deze partijen. Hoewel de Stichting zich verzette tegen de kostenveroordeling, stelde het hof dat de Stichting de door PIB en PGF gemaakte kosten moet vergoeden.

Het hof begrootte de proceskosten aan de zijde van PIB en PGF op nihil vanwege het ontbreken van afzonderlijke processtukken van deze partijen. De Stichting werd veroordeeld in de kosten van het incident, inclusief wettelijke rente en nakosten bij niet-tijdige betaling.

De zaak werd verwezen naar de rol van 11 augustus 2026 voor verdere behandeling van het incidenteel appel, waarbij het hof iedere verdere beslissing aanhield.

Uitkomst: De Stichting wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen PIB en PGF en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.354.523/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/526115 / HA ZA 17-440
Arrest van 30 juni 2026 in het incident
in de zaak van
Stichting Petrobras Compensation Foundation,
gevestigd in Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. W.P. Wijers, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.Petrobras International Braspetro B.V.,

gevestigd in Amsterdam,
2.
Petrobras Global Finance B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. P. Sluijter, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt eiseressen sub 1 en 2 in het incident hierna respectievelijk PIB en PGF en verweerster in het incident de Stichting.

1.De zaak in het kort

1.1
PIB en PGF vorderen in dit incident dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar tegen hen gerichte hoger beroep. Het hof wijst deze vordering toe, nu de Stichting haar hoger beroep tegen PIB en PGF heeft ingetrokken.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep – voor zover van belang voor de beoordeling van dit incident – blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaardingsexploten van 29 januari 2025, waarmee de Stichting in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2024;
  • de memorie van grieven van de Stichting, met bijlagen;
  • de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring tevens voorwaardelijke memorie van antwoord van PIB en PGF, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in de incidenten tot niet-ontvankelijkverklaring en voeging van de Stichting, met bijlagen.

3.De vordering in het incident

3.1
In het incident vorderen PIB en PGF dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tegen PIB en PGF, met veroordeling van de Stichting in de kosten. Daaraan leggen PIB en PGF ten grondslag dat de Stichting geen grieven richt tegen oordelen uit de procedure in eerste aanleg die betrekking hebben op de vorderingen van de Stichting jegens PIB en PGF.

4.Beoordeling van de vordering in het incident

4.1
De Stichting heeft op 28 juli 2025, een week nadat zij haar memorie van grieven in het principaal hoger beroep heeft genomen, het hof in reactie op een brief van PIB en PGF laten weten dat zij (i) afziet van het vervolgen van het principaal hoger beroep jegens PIB en PGF en (ii) de intrekking van het principaal hoger beroep tegen PIB en PGF bij de eerstvolgende proceshandeling zou formaliseren. De Stichting heeft vervolgens op 9 december 2025 via een H16-formulier aan het hof gemeld dat zij haar hoger beroep tegen PIB en PGF intrekt.
4.2
Hieruit volgt dat de Stichting in hoger beroep haar rechtsvordering tegen PIB en PGF prijsgeeft. De Stichting zal daarom in haar hoger beroep tegen PIB en PGF niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3
De Stichting verzet zich tegen de door PIB en PGF gevorderde kostenveroordeling. Volgens de Stichting zijn de proceskosten onnodig gemaakt, omdat zij reeds op 28 juli 2025 heeft gemeld dat zij haar principaal hoger beroep tegen PIB en PGF niet wilde vervolgen en de intrekking zou formaliseren bij de volgende proceshandeling.
4.4
Consequentie van het door de Stichting prijsgeven van haar rechtsvordering tegen PIB en PGF is dat de Stichting de door PIB en PGF gemaakte kosten moet vergoeden. Mede gelet op de omstandigheid dat PIB en PGF in de hoofdzaak niet afzonderlijk processtukken hebben ingediend en dus niet voldoende is aangevoerd om te veronderstellen dat zij zelf proceskosten hebben gemaakt, zal het hof de proceskosten in de hoofdzaak aan de zijde van PIB en PGF begroten op nihil.
4.5
Het hof zal de Stichting, als de in dit incident in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure in het incident.

5.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • verklaart de Stichting niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen PIB en PGF;
  • veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure in het incident, aan de zijde van PIB en PGF tot op heden begroot op € 607,- (0,5 punt x tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als de Stichting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Stichting de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak

- verwijst de zaak naar de rol van 11 augustus 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel appel;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, A.J.P. Schild en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.