Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1986

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
22-000332-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 31 Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens bescherming vluchteling bij gebruik vervalst paspoort

De zaak betreft een verdachte die in januari 2016 werd aangehouden met een als gestolen gesignaleerd Grieks paspoort. De verdachte verklaarde dat hij het paspoort van een reisagent had gekregen en dat hij vanwege vervolging in zijn geboorteland wegens bekering tot het christendom asiel wilde aanvragen in Nederland. De asielaanvraag werd in 2021 ingewilligd en de verdachte verkreeg het Nederlanderschap.

Het openbaar ministerie vervolgde de verdachte op grond van het bezit van een vals paspoort, maar het hof overwoog dat artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag lidstaten verbiedt vluchtelingen te vervolgen voor het bezit of gebruik van vervalste documenten in het kader van hun vlucht zolang de eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is afgewezen. Dit is bevestigd door eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

Gezien het feit dat de asielaanvraag van de verdachte ten tijde van de vervolging nog niet definitief was afgewezen, oordeelde het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging wegens bescherming van de vluchteling op grond van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Rolnummer: 22-000332-24
Parketnummer: 10-811017-16
Datum uitspraak: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van
27 oktober 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1991,
BRP-adres: [BRP-adres], [woonplaats].
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte gelet op de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad en de binnen het openbaar ministerie geldende richtlijnen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag verbiedt lidstaten de toepassing van strafsancties wegens onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf op de vluchteling die rechtstreeks van een grondgebied komt waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd, en die zich onverwijld meldt bij de autoriteiten en hen ervan overtuigt dat hij geldige redenen heeft voor zijn onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.
Dit verbod is ook van toepassing wanneer een vluchteling wordt vervolgd vanwege het bezit van valse identiteitspapieren, indien dat bezit samenhangt met de illegale binnenkomst of het illegale verblijf (vgl. HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1325). Een vluchteling mag niet worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk afwijzend is beslist (vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:BY4310 en HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1304).
De verdachte is op 10 januari 2016 aangehouden in Hoek van Holland met een Grieks paspoort dat als gestolen gesignaleerd stond. De verdachte heeft daarover bij de rechter-commissaris op 13 januari 2016 verklaard dat hij dit paspoort van een reisagent had gekregen. Hij heeft verder verklaard dat hij in [geboorteland] werd vervolgd vanwege zijn bekering tot het christendom, dat hij [geboorteland] daarom moest verlaten en dat hij asiel wilde aanvragen in Nederland bij de eerste gelegenheid. De verdachte heeft een asielaanvraag ingediend die in 2021 is ingewilligd en ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte intussen het Nederlanderschap heeft verkregen.
Het hof is gelet hierop van oordeel dat aan de verdachte met betrekking tot het tenlastegelegde de bescherming toekomt als bedoeld in artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag. Ten tijde van de vervolging was nog niet definitief afwijzend beslist op de asielaanvraag, vervolging vanwege het gebruik van een vervalst reisdocument had reeds daarom achterwege moeten blijven.
Dit betekent dat het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam niet in stand kan blijven en dat het openbaar ministerie – zoals gevorderd door de advocaat-generaal – niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, als voorzitter, mr. B.P. de Boer en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in bijzijn van de griffier mr. D. Teering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 mei 2026.