ECLI:NL:GHDHA:2026:201

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.339.048/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a lid 4 SvArt. 3:310 BWArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onrechtmatigheid conservatoir anderbeslag op bedrijfsgoederen afgewezen

In deze civiele zaak vordert appellant een verklaring voor recht dat het conservatoir beslag op haar bedrijfsgoederen onrechtmatig was en schadevergoeding van de Staat. Het beslag was gelegd ter verhaal van een geldboete tegen twee andere verdachten die waren veroordeeld voor witwassen en valsheid in geschrifte.

De rechtbank wees de vordering af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat de vordering verjaard is omdat de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen op het moment dat appellant bekend was met het beslag, namelijk bij het indienen van het klaagschrift in september 2011. Daarnaast was het beslag als zodanig niet onrechtmatig, mede omdat het rechtsmiddel van beklag openstond en is benut.

Appellant voerde diverse grieven aan, waaronder dat de Staat aansprakelijkheid zou hebben erkend en dat de beslaglegging niet aan formele vereisten voldeed. Het hof verwierp deze grieven, onder meer omdat geen bewijs van aansprakelijkheids­erkenning is geleverd en de beslaglegging rechtmatig was. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de stelling dat de bestuurder niet was geïnformeerd faalden.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van appellant af wegens verjaring en rechtmatigheid van het beslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.339.048/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/646282/HA ZA 23-352
Arrest van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellante] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiser in hoger beroep,
advocaat: mr. M. Djamal in Arnhem,
tegen
de Staat der Nederlanden(Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend in Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. C.M. Bitter in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna noemen [appellante] en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
De officier van justitie heeft conservatoir beslag gelegd op bedrijfsgoederen van [appellante] . Dat beslag diende tot zekerheid voor het verhaal van een geldboete of ontnemingsmaatregel die zou kunnen worden opgelegd aan twee andere (rechts)personen die werden verdacht van witwassen en valsheid in geschrifte. [appellante] was zelf geen verdachte maar zou een rol hebben gespeeld bij het onttrekken van verhaal door de twee verdachten.
1.2
[appellante] is van mening dat dit beslag ten onrechte is gelegd en vordert dat de Staat aan haar de schade vergoedt die zij door dit beslag zou hebben geleden.
1.3
De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen en ook het hof geeft in hoger beroep [appellante] geen gelijk. De vordering van [appellante] is verjaard en bovendien was het beslag als zodanig niet onrechtmatig.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 12 maart 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 december 2023;
- de memorie van grieven van [appellante] (met producties I tot en met IV);
- de memorie van antwoord van de Staat (met productie 1);
- de pleitnota’s die de advocaten van [appellante] en van de Staat hebben overgelegd bij gelegenheid van de op 29 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling.

3.Feiten en achtergronden van deze zaak

3.1
[de holding] B.V. (hierna: [de holding] ) houdt alle aandelen in [appellante] en in [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] BV). [de holding] is ook enig bestuurder van deze beide vennootschappen. Enig aandeelhouder en bestuurder van [de holding] is mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is getrouwd geweest met de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) .
3.2
[naam 2] en [bedrijf 2] BV werden verdacht van onder meer witwassen en valsheid in geschrift. Zij zijn daarvoor ook veroordeeld. Ook zijn aan hen ontnemingsmaatregelen opgelegd.
3.3
Op 9 mei 2011 heeft de rechter-commissaris machtigingen afgegeven om tegen [naam 2] en [bedrijf 2] BV een strafrechtelijk financieel onderzoek in te stellen.
3.4
Tijdens een doorzoeking op 23 mei 2011 heeft de officier van justitie ten laste van [bedrijf 2] BV conservatoir beslag ter verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel gelegd op een aantal bedrijfsgoederen.
3.5
Op 13 september 2011 heeft [appellante] , vertegenwoordigd door de advocaat mr. W.J. Ausma, een klaagschrift ingediend tegen het beslag. Zij vorderde dat een aantal van de bedrijfsgoederen, die eigendom van [appellante] waren, aan haar zouden worden teruggegeven.
3.6
Nadat gebleken was dat een deel van de inbeslaggenomen bedrijfsgoederen eigendom was van [appellante] en aan [bedrijf 2] BV werd verhuurd, heeft de officier van justitie op 3 oktober 2011 op deze bedrijfsgoederen ‘anderbeslag’ in de zin van art. 94a lid 4 Sv. gelegd. De officier van justitie was namelijk van mening dat deze goederen aan [appellante] waren gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te verhinderen.
3.7
Op 3 april 2012 heeft de rechtbank in de beklagzaak partijen in openbare raadkamer gehoord. [appellante] werd daarbij, volgens de daaropvolgende beschikking van de rechtbank, vertegenwoordigd door [naam 2] en zijn raadsman (mr. Ausma). De officier van justitie heeft bij die gelegenheid een verweerschrift uitgesproken, waarin hij is ingegaan op de vraag waarom naar zijn mening voldaan was aan de voorwaarden voor anderbeslag op grond van art. 94a lid 4 Sv.
3.8
Bij beschikking van 17 april 2012 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog, kort gezegd, dat niet aannemelijk was geworden dat het maximum bedrag waarvoor conservatoir beslag mocht worden gelegd, was bereikt.
3.9
Het door [naam 2] tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard.
3.1
De inbeslaggenomen bedrijfsgoederen zijn te gelde gemaakt.
3.11
Op 15 maart 2018 heeft [appellante] nogmaals een verzoekschrift tot opheffing van het beslag ingediend, ditmaal bij het Gerechtshof Amsterdam. [appellante] werd daarbij vertegenwoordigd door de advocaat mr. R.D.A. van Boom. Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden met de behandelend advocaat-generaal (AG) mr. Spoor. Dit overleg heeft erin geresulteerd dat de verkoopopbrengst van de bedrijfsgoederen die aan [appellante] toebehoorden, vermeerderd met wettelijke rente aan [appellante] is uitgekeerd. De opbrengst met rente is overgemaakt naar een rekening van [naam 2] .
3.12
Het gerechtshof Amsterdam heeft het klaagschrift bij beschikking van 3 mei 2019 niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de verkoopopbrengst al was uitgekeerd zodat er van het uitblijven van een last tot teruggave geen sprake meer was.

4.De vordering en het oordeel van de rechtbank

4.1
[appellante] is van mening dat het op 23 mei 2011 gelegde beslag onrechtmatig was. Zij vorderde bij de rechtbank een verklaring voor recht dat het op 23 mei 2011 gelegde beslag onrechtmatig was, en tevens veroordeling van de Staat tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat door een commissie van drie deskundigen.
4.2
[appellante] voerde hiertoe aan dat het beslag op haar bedrijfsgoederen onrechtmatig was omdat het beslag is gelegd terwijl [appellante] geen verdachte was en ook nooit is geweest. AG Spoor zou het onrechtmatig handelen van het OM hebben erkend en had beloofd dat de zaak in de juiste handen zou komen voor afhandeling. Tevens voerde [appellante] aan dat het beslag onevenredig lang heeft geduurd.
4.3
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. De motivering van dit oordeel komt neer op het volgende. Nu de rechtbank in haar beschikking van 17 april 2012 het door [appellante] ingediende klaagschrift ongegrond heeft verklaard, moet het anderbeslag op de bedrijfsgoederen van [appellante] voor rechtmatig worden gehouden. De stelling dat [appellante] niets van het klaagschrift en de beklagprocedure afwist gaat niet op. Uit de beschikking van de rechtbank blijkt immers dat mr. Ausma ter zitting voor [appellante] is opgetreden. Onjuist is dat de AG aansprakelijkheid zou hebben erkend. De enkele betaling van de verkoopopbrengst is daartoe onvoldoende. De AG heeft zich in de gesprekken niet uitgelaten over een schadevergoeding voor [appellante] , omdat zij daartoe geen mandaat had. Ook het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel faalt. De omstandigheid dat [appellante] nadeel heeft geleden omdat zij niet meer over het inbeslaggenomen materieel kon beschikken, is geen onevenredig gevolg van het beslag. Dat beslag en de gevolgen daarvan waren namelijk voorzienbaar, nu ervan moet worden uitgegaan dat [naam 2] feitelijk leiding gaf aan [bedrijf 2] BV en [appellante] . Tot zover het oordeel van de rechtbank.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
In hoger beroep heeft [appellante] haar vordering in de memorie van grieven enigszins anders geformuleerd. [appellante] vordert nu een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ‘bij de beslaglegging op de goederen van [appellante] ’. Verder is de vordering dezelfde gebleven als bij de rechtbank.
5.2
Het hof begrijpt uit de memorie van grieven dat [appellante] de volgende bezwaren (‘grieven’) tegen het vonnis van de rechtbank aanvoert: (i) de Staat heeft aansprakelijkheid erkend, want de beslissing van de AG tot uitbetaling van de verkoopopbrengst is een daad van erkenning van aansprakelijkheid; (ii) aan de formele vereisten voor het op 3 oktober 2022 (kennelijk is bedoeld: 2011) gelegde anderbeslag is niet voldaan; (iii) [naam 1] is als bestuurder van [appellante] niet in kennis gesteld van de beslaglegging en/of niet opgeroepen voor enige rechtszitting wat betreft de beslaglegging op de goederen van [appellante] , mr. Ausma is niet in opdracht van [naam 1] namens [appellante] opgetreden en [naam 1] heeft zich dus ook niet tegen de inbeslagneming kunnen verzetten; (iv) van uitwinningsbemoeilijking is geen sprake; (v) [naam 2] gaf niet feitelijk leiding aan [appellante] , de huurovereenkomst en de huurbetalingen stonden los van de strafzaak, [appellante] heeft steeds legale activiteiten ontplooid; (vi) er is wel degelijk sprake van onevenredige gevolgen van het beslag en het beslag was niet voorzienbaar, [appellante] doet dus terecht een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
5.3
Naar aanleiding van deze grieven overweegt het hof het volgende.
5.4
[appellante] stelt dat de beslaglegging [1] op de haar toebehorende bedrijfsgoederen onrechtmatig was en vordert op grond daarvan een verklaring voor recht en schadevergoeding. De Staat is van mening dat deze vordering verjaard is. De Staat heeft daarin gelijk.
5.5
De verjaringstermijn bedraagt in dit geval vijf jaar (art. 3:310 BW Pro). Die verjaringstermijn is in dit geval in ieder geval niet later gaan lopen dan 13 september 2011, toen [appellante] een klaagschrift tegen het beslag indiende en dus onmiskenbaar vanaf dat moment met het beslag bekend was. Aangezien niet blijkt dat de lopende verjaring binnen vijf jaar na 13 september 2011 is gestuit, is de vordering van [appellante] verjaard.
5.6
[appellante] stelt zich kennelijk op het standpunt dat de verjaring pas is gaan lopen toen in 2019 bekend werd dat zij geen verdachte is en het beslag werd opgeheven. Daargelaten of inderdaad pas in 2019 bekend werd dat [appellante] geen verdachte was, gaat dit betoog niet op. In een situatie als deze gaat de verjaringstermijn lopen zodra [appellante] bekend was met toepassing van het dwangmiddel, dus laatstelijk op 13 september 2011. De verjaring van een vordering tegen de Staat wegens onrechtmatig strafvorderlijk optreden gaat ook niet pas lopen nadat de verdachte definitief is vrijgesproken, maar vanaf het moment dat de (ex-)verdachte van het strafvorderlijk optreden op de hoogte raakte. [2] Er is dus geen aanleiding om in het onderhavige geval de verjaring later te laten beginnen dan 13 september 2011.
5.7
[appellante] heeft nog aangevoerd dat [naam 1] , de enig (indirect) bestuurder van [appellante] , niet in kennis is gesteld van de beslaglegging en dat mr. Ausma niet namens haar is opgetreden. Mr. Ausma heeft echter door het indienen van het klaagschrift onmiskenbaar opgetreden voor [appellante] . Indien mr. Ausma daarbij zijn bevoegdheid te buiten is gegaan kan [appellante] hem hierop aanspreken, maar de rechtbank mocht afgaan op hetgeen mr. Ausma in het klaagschrift en ter zitting verklaarde. Daarbij komt overigens dat [naam 1] ter zitting van het hof heeft toegegeven dat zij contact heeft gehad met mr. Ausma over het indienen van het klaagschrift en dat zij blij was dat er tegen het beslag werd opgetreden. [naam 1] wist op 13 september 2011 dus wel degelijk van het beslag af.
5.8
Het hof is het ook niet met [appellante] eens dat AG mr. Spoor namens de Staat aansprakelijkheid heeft erkend. In het dossier bevinden zich geen stukken die een dergelijke erkenning aantonen en [appellante] heeft in dat verband ook niet een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Uit het enkele feit dat de opbrengst van de inbeslaggenomen en vervolgens verkochte bedrijfsgoederen met rente aan [naam 2] (al dan niet met instemming van [appellante] ) is uitbetaald kan geen erkenning van aansprakelijkheid worden afgeleid. Overigens heeft de AG in het (als productie V bij dagvaarding overgelegde) ‘telefonisch verslag’ van 2 juli 2021 tot twee keer toe benadrukt dat zij niet bevoegd was om met [appellante] een deal te sluiten over een of andere schadevergoeding.
5.9
Ten overvloede is het hof, met de Staat, van oordeel dat in dit geding moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het op 3 oktober 2011 gelegde beslag. Tegen het beslag stond het rechtsmiddel van beklag op grond van art. 552a Sv open, wat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is. [appellante] heeft ook van dat rechtsmiddel gebruik gemaakt, zij het dat het klaagschrift werd ingediend voordat het op 23 mei 2011 gelegde beslag (op 3 oktober 2011) werd omgezet naar een anderbeslag. Het hof gaat er echter vanuit dat de rechtbank in ieder geval ook (impliciet) heeft beslist over de handhaving van het op 3 oktober 2011 gelegde anderbeslag, nu de officier van justitie in zijn verweerschrift is ingegaan op de vereisten voor anderbeslag en [appellante] daarop heeft kunnen reageren. Het kan de rechtbank dus niet zijn ontgaan dat het beslag van 23 mei 2011 inmiddels naar een dergelijk anderbeslag was omgezet. Nu het beklag door de rechtbank is verworpen staat daarmee vast dat het conservatoire anderbeslag als zodanig rechtsgeldig is gelegd en niet onrechtmatig was.
5.1
[appellante] heeft verder, tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, aangevoerd dat de opbrengst van de inbeslaggenomen en vervolgens verkochte bedrijfsgoederen ten onrechte aan [naam 2] privé is overgemaakt. Aan deze stelling gaat het hof voorbij. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] niet betwist heeft dat [naam 2] in betalingsproblemen verkeerde en dat met haar (dat wil zeggen: van [appellante] ) instemming aan [naam 2] is uitbetaald (rov. 4.6). Tegen deze overweging van de rechtbank is [appellante] in de memorie van grieven niet opgekomen. Het aanvoeren van een nieuwe grief bij pleidooi is slechts mogelijk in specifieke omstandigheden die zich in dit geval niet voordoen. De Staat heeft dus terecht tegen deze grief bezwaar gemaakt. Overigens is de vordering van [appellante] volledig toegespitst op de onrechtmatigheid van het gelegde beslag in 2011 en niet op de uitbetaling van de opbrengst van de inbeslaggenomen goederen in 2019. Ook in zoverre kan het betoog van [appellante] over de rechtmatigheid van de uitbetaling aan [naam 2] haar niet baten.

6.Conclusie

6.1
De grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Dat vonnis zal worden bekrachtigd.
6.2
[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 december 2023;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 798,-- aan griffierecht, € 2.580,-- aan salaris van de advocaat en € 189,-- aan nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als zij deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
- bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan;
- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, H.J.M. Burg en J.P. Heering, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Het hof gaat ervan uit dat [appellante] daarbij doelt op het op 3 oktober 2011 gelegde anderbeslag; zie memorie van grieven pag. 2.
2.HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1118, NJ 2010, 215; Hof Den Haag 9 december 2004, ECLI:NL:GHDHA:2004:AR8895; Hof Den Haag 1 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:465.