Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/10/663593 / HA ZA 23-683
1.mr. E.H. Bruggink (als opvolgster van mr. M.A. Kerkdijk ),
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 4 oktober 2024 waarmee de curatoren in hoger beroep zijn gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2024;
- de memorie van grieven van de curatoren;
- de memorie van antwoord van SGR, met productie 26.
3.Feiten en procedure bij de rechtbank
- de rechtbank vaststelt tot welk bedrag SGR gerechtigd was om onder de bankgarantie te trekken; en
- SGR wordt veroordeeld tot betaling aan de curatoren van een bedrag van € 7 miljoen te verminderen met het door de rechtbank vastgestelde bedrag.
4.Beoordeling in hoger beroep
tijdenshet faillissement had overgenomen. Zij hebben echter niet betwist dat zij eind september 2013 al wisten dat SGR een reisgarantiefonds beheert waarbij de Deelnemers waren aangesloten, dat SGR het mogelijk maakt om consumenten bij financieel onvermogen van een reisorganisator te compenseren en dat (onder andere) SGR bezig was om het aantal gedupeerde reizigers in kaart te brengen en mij te staan. Evenmin hebben de curatoren betwist dat zij wisten dat de Deelnemers bij SGR waren aangesloten, dat SGR op grond van de Garantieregeling bij uitbetaling aan de reizigers de (ongesecureerde) vorderingen van de reizigers overnam en dat Rabobank ten behoeve van de Deelnemers een bankgarantie had verstrekt waarop SGR een beroep had gedaan. Tot slot hebben de curatoren niet betwist dat zij wisten dat de Deelnemers aan Rabobank een contragarantie hadden verstrekt waarop Rabobank jegens de boedel een beroep deed. Tegen deze achtergrond hebben de curatoren ook niet voldoende gemotiveerd toegelicht waarom zij niet wisten dat SGR de vorderingen van de consumenten op de Deelnemers na het faillissement had overgenomen en dus (kennelijk) in de veronderstelling verkeerden dat de consumenten hun vorderingen op de Deelnemers helemaal niet aan SGR zouden overdragen.
5.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2024;
- veroordeelt de curatoren in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van SGR tot op heden begroot op € 19.968,- , te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de curatoren deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- bepaalt dat als de curatoren niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de curatoren de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de curatoren deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.