ECLI:NL:GHDHA:2026:2239

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.347.396/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 FwArt. 7:512 BWArt. 7:513a BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 225 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over bankgarantie na faillissement reisorganisatie OAD

De curatoren van de failliete OAD-vennootschappen vorderden van Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR) een bedrag van 7 miljoen euro terug, stellende dat SGR onrechtmatig handelde door na het faillissement een bankgarantie uit te winnen. Zij baseerden zich op een analogische toepassing van artikel 54 Faillissementswet Pro (Fw). SGR stelde zich op het standpunt dat zij gerechtigd was de bankgarantie te innen en voerde verjaring aan.

De rechtbank wees de vorderingen van de curatoren af, en het hof bekrachtigde dit vonnis. Het hof oordeelde dat de curatoren onvoldoende feiten hadden gesteld om aan te tonen dat SGR niet gerechtigd was tot het gehele bedrag van de bankgarantie. Daarnaast was de vordering verjaard omdat de curatoren eind september 2013 op de hoogte waren van de feiten en omstandigheden die de schade en aansprakelijkheid betroffen.

Verder wees het hof de door de curatoren gevorderde verklaringen voor recht af die betrekking hadden op verschillende bedragen die volgens hen niet rechtsgeldig door SGR waren overgenomen. Het hof vond dat SGR de consumenten daadwerkelijk schadeloos had gesteld, ook als dit via reisbureaus of de doorgestarte entiteit SRC Cultuurvakanties B.V. gebeurde. De curatoren werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat SGR gerechtigd is de bankgarantie uit te winnen en wijst de vorderingen van de curatoren af wegens verjaring en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.347.396/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/663593 / HA ZA 23-683
Arrest van 14 juli 2026
in de zaak van

1.mr. E.H. Bruggink (als opvolgster van mr. M.A. Kerkdijk ),

2. mr. J.T. Stekelenburg,
beiden in hoedanigheid van curator in de faillissementen van OAD Groep Holding B.V., OAD Reizen B.V., Globe Reisburo B.V., Brooks Reisburo B.V., SRC Cultuurvakanties B.V., Reisburo [naam] B.V. en andere tot die groep behorende OAD-vennootschappen,
beiden kantoorhoudende te Zwolle,
appellanten,
advocaat: mr. E.H. Bruggink , kantoorhoudend in Zwolle,
tegen
Stichting Garantiefonds Reisgelden,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.P. Boekhorst, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof zal partijen hierna de curatoren en SGR noemen.

1.De zaak in het kort

In deze zaak hebben de curatoren op grond van onrechtmatige daad, althans ongerechtvaardigde verrijking, een bedrag van 7 miljoen euro gevorderd van SGR. De curatoren hebben aangevoerd dat SGR na het faillissement van OAD een bankgarantie heeft getrokken terwijl de analogische toepassing van art. 54 Fw Pro zich hiertegen verzet. SGR heeft een beroep gedaan op verjaring, dat door het hof wordt gehonoreerd.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 4 oktober 2024 waarmee de curatoren in hoger beroep zijn gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2024;
  • de memorie van grieven van de curatoren;
  • de memorie van antwoord van SGR, met productie 26.
Het hof heeft productie 27 van SGR geweigerd, omdat hiermee – gezien de inhoud van deze productie – feitelijk de 25-paginanorm is overschreden. Ook heeft het hof de nagekomen productie 19 van de curatoren geweigerd, omdat hiermee – gezien de inhoud van deze productie – de tweeconclusieregel wordt geschonden.
2.2
Op 29 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij mr. E.H. Bruggink de zaak namens de curatoren heeft toegelicht en mrs. H.P. Boekhorst en M. Bakker namens SGR. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.3
Bij e-mail van 22 mei 2026 heeft mr. E.H. Bruggink het hof medegedeeld dat de rechtbank Overijssel aan mr. Kerkdijk ontslag heeft verleend als curator en in zijn plaats mr. Bruggink tot (mede)curator heeft aangesteld (naast mr. Stekelenburg , die curator is gebleven). Tijdens de mondelinge behandeling, alwaar partijen aanwezig waren, is vastgesteld dat het geding niet op de voet van artikel 225 Rv Pro geschorst is geweest, en is met wederzijdse instemming besloten het geding voort te zetten op naam van mr. Bruggink q.q. (in plaats mr. Kerkhof q.q.) als één van de appellanten.

3.Feiten en procedure bij de rechtbank

3.1
De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan.
3.2
Het gaat in deze zaak om het volgende.
i) Een reisorganisator is wettelijk verplicht om maatregelen te treffen ter bescherming van de reiziger/consument bij financieel onvermogen van de reisorganisator. SGR beheert een reisgarantiefonds en maakt het voor de bij haar aangesloten deelnemers mogelijk om aan deze wettelijke verplichting te voldoen.
ii) OAD Reizen B.V., SRC Cultuurvakanties B.V., Globe Reisburo B.V, Reisburo [naam] B.V. en Brooks Reisburo B.V. (hierna gezamenlijk aangeduid als de Deelnemers of als OAD) waren op grond van deelnemersovereenkomsten als deelnemer aangesloten bij SGR.
iii) Op grond van de deelnemersovereenkomsten waren de Deelnemers verplicht tegenover SGR zekerheden te stellen in de vorm van een bankgarantie (art. 5). Daarnaast bepalen deze overeenkomsten dat in het geval een consument (die een reisovereenkomst met een Deelnemer heeft gesloten) betalingen van SGR ontvangt, SGR zal worden gesubrogeerd in de rechten van de consument ten opzichte van de betrokken Deelnemer (art. 7A).
iv) De rechtsverhouding tussen SGR en consumenten wordt beheerst door de Garantieregeling van SGR. In deze zaak gaat het om de Garantieregeling in de versie van 3 juni 2011. Hierin staat dat SGR wordt gesubrogeerd in de rechten van de consument ten opzichte van de betrokken deelnemer, indien SGR aan of ten behoeve van de consument betalingen verricht. Verder vermeldt de Garantieregeling – kort gezegd – dat een consument verplicht is om mee te werken aan cessie aan SGR van zijn rechten ten opzichte van de betrokken deelnemer, indien SGR dit verlangt.
v) Op 17 oktober 2011 heeft (de toenmalige) Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen U.A. (hierna: Rabobank) een bankgarantie tot een bedrag van € 7 miljoen verstrekt ten gunste van SGR en voor rekening van (onder andere) de Deelnemers. Deze bankgarantie, waarin Rabobank is aangeduid als ‘Ondergetekende’ en de Deelnemers ieder als ‘deelnemer’, luidt voor zover hier van belang:
“(…) Ondergetekende stelt zich hierbij, onder afstanddoening jegens SGR van alle rechten en verweermiddelen aan hoofdschuldenaren en borgen toekomend, bij wijze van zelfstandige verbintenis ten behoeve van SGR garant voor de richtige voldoening door deelnemer van al het geen deze aan SGR verschuldigd is of te eniger tijd zal worden, zulks evenwel tot een maximumbedrag van € 7.000.000,00 (...).
Ondergetekende verbindt zich mitsdien op eerste schriftelijke verzoek en enkele schriftelijke mededeling van SGR dat deelnemer zijn verplichtingen aan SGR niet is nagekomen, onverwijld aan SGR als eigen schuld te zullen voldoen al hetgeen SGR volgens haar schriftelijke opgave van deelnemers te vorderen verklaart te hebben, echter tot voormeld maximumbedrag van € 7.000.000,00 (...).”
vi) Bij vonnissen van 25 september 2013 en 28 november 2013 zijn de Deelnemers in staat van faillissement verklaard met benoeming van onder meer mr. J.T. Stekelenburg tot curator. Mr. M.A. Kerkdijk is op 2 juli 2021 benoemd tot curator.
vii) Bij brief van 27 september 2013 aan Rabobank heeft SGR de bankgarantie ingeroepen. Een kopie van deze brief heeft SGR aan de curatoren gestuurd. Rabobank heeft daarop een bedrag van € 7 miljoen aan SGR uitbetaald.
viii) Bij brief van 10 oktober 2018 hebben de (toenmalige) curatoren het onder de bankgarantie uitgekeerde bedrag van € 7 miljoen van SGR teruggevorderd, omdat volgens de curatoren een deugdelijke grondslag voor de vorderingen van SGR ontbreekt.
3.3
De curatoren hebben bij de rechtbank gevorderd dat SGR wordt veroordeeld tot betaling aan de curatoren van € 7 miljoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2018. Zij hebben daartoe aangevoerd dat SGR op grond van (kort gezegd) analogische toepassing van art. 54 Fw Pro niet gerechtigd was om de bankgarantie van 17 oktober 2011 uit te winnen en SGR daardoor onrechtmatig heeft gehandeld, althans ongerechtvaardigd is verrijkt. Subsidiair, voor het geval SGR wél tot uitwinning gerechtigd was, hebben zij gevorderd dat:
  • de rechtbank vaststelt tot welk bedrag SGR gerechtigd was om onder de bankgarantie te trekken; en
  • SGR wordt veroordeeld tot betaling aan de curatoren van een bedrag van € 7 miljoen te verminderen met het door de rechtbank vastgestelde bedrag.
3.4
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
In hoger beroep hebben de curatoren gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en
primair:
A. voor recht verklaart dat SGR i) de vorderingen die zijn afgewikkeld via reisbureaus ten bedrage van € 5.563.000,- ii) de vorderingen die zijn afgewikkeld via de doorgestarte entiteit van SRC Cultuurvakanties B.V. ten bedrage van € 2.204.000,- en iii) de vorderingen die aan derden zijn betaald ten bedrage van € 2.294.000,- niet rechtsgeldig heeft overgenomen;
B. voor recht verklaart dat SGR voor de hiervoor genoemde bedragen geen vordering op de boedel heeft verkregen;
C. voor recht verklaart dat SGR voor deze bedragen de bankgarantie niet kon inroepen;
D. SGR veroordeelt tot betaling aan de curatoren van een bedrag van € 7.000.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2018;
subsidiair (voor het geval dat SGR wel gerechtigd was om de bankgarantie uit te winnen):
A. bepaalt tot welk bedrag SGR gerechtigd was om onder de bankgarantie van 17 oktober 2011 te trekken;
B. SGR veroordeelt tot betaling aan de curatoren van een bedrag van € 7.000.000,-, onder aftrek van het subsidiair onder A vastgestelde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2018.
4.2
SGR heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
De verklaring voor recht ter zake van de bedragen van € 5.563.000,-, € 2.204.000,- en € 2.294.000,-
4.3
Ter zake van het bedrag van € 5.563.000,- hebben de curatoren aangevoerd dat dit bedrag niet door SGR is overgenomen, maar dat het gaat om een bedrag dat door reisagenten is afgewikkeld. De consumenten zijn schadeloos gesteld door deze reisagenten en niet door SGR, aldus de curatoren.
4.4
SGR heeft aangevoerd dat zij voor een totaal van € 5.563.000,- aan claims van consumenten op de garantieregeling heeft afgewikkeld via de reisbureaus waar deze de OAD-reis geboekt hadden. Het gaat om uitkeringen van SGR aan de consumenten, zij het dat de reisbureaus deze namens de consumenten hebben geïncasseerd. Ter onderbouwing wijst SGR erop dat de consumenten in de daartoe gebruikte schadeformulieren hebben verklaard dat uitbetaling door SGR via hun reisbureau verloopt. Tevens hebben de consumenten in dat formulier hun rechten op de Deelnemer overgedragen aan SGR. De consumenten zijn volgens SGR dus niet door de reisbureaus zelf gecompenseerd, maar zij zijn door en op kosten van SGR, via de reisbureaus, schadeloos gesteld.
4.5
De curatoren hebben de door SGR toegelichte gang van zaken niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof is daarom van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de consumenten niet schadeloos zijn gesteld door SGR. De gevorderde verklaringen voor recht ter zake van het bedrag van € 5.563.000,- komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
4.6
Ter zake van het bedrag van € 2.204.000,- geldt volgens de curatoren dat dit bedrag is afgewikkeld door de doorgestarte entiteit, SRC Cultuurvakanties B.V. (hierna: SRC) Naar het hof begrijpt, zijn de curatoren van mening dat de consumenten schadeloos zijn gesteld door SRC en niet door SGR.
4.7
Hierover heeft SGR aangevoerd dat de stelling van de curatoren berust op een misverstand. SRC was onderdeel van de OAD Groep en zelf deelnemer bij SGR. De curatoren hebben destijds aangedrongen op medewerking van SGR bij een doorstart van SRC door de schade via deze entiteit af te wikkelen, zoals ook bij reisbureaus het geval is geweest. Ook bij SRC zijn de vorderingen van de consumenten op de Deelnemers aan SGR overgedragen. Waar het Accountantsrapport (dat door de externe accountant van SGR is opgemaakt) spreekt van overdracht van een "claim", gaat het dus uitsluitend om een garantieclaim op SGR die SRC mocht innen namens de consument. Ook deze consumenten zijn door SGR (en niet door SRC) schadeloosgesteld, aldus SGR.
4.8
Naar het oordeel van het hof hebben de curatoren ook hier de door SRG geschetste gang van zaken niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist. De gevorderde verklaringen voor recht ter zake van het bedrag van € 2.204.000,- komen daarom evenmin voor toewijzing in aanmerking.
4.9
Ter zake van het bedrag van € 2.294.000,- zijn de curatoren van mening dat het gaat om betalingen die SGR rechtstreeks heeft gedaan aan derden, zoals hotels en touroperators, en niet aan de consumenten. Als gevolg van deze betalingen door SGR is voorkomen dat de consumenten een vordering op OAD hebben verkregen. Er konden dan ook geen vorderingen van consumenten aan SGR worden gecedeerd. Van subrogatie kan hier evenmin sprake zijn geweest, aldus de curatoren.
4.1
Volgens SGR gaat het om betalingen die zij ten behoeve van de consumenten aan reisorganisatoren, reisagenten, vervoerders of verblijfverstrekkers heeft gedaan. Na deze betalingen waren de desbetreffende organisaties alsnog bereid om lopende reisdiensten te leveren in verband met door consumenten reeds geboekte en betaalde reisovereenkomsten. Volgens SGR kan zij op grond van de Garantieregeling en het Deelnemersreglement haar verplichtingen ten opzichte van de consumenten nakomen door het mogelijk te maken dat de reis (alsnog) wordt uitgevoerd. SGR is van mening dat uit het Deelnemersreglement voortvloeit dat zij de kosten die zij daarvoor heeft gemaakt op de Deelnemers kan verhalen.
4.11
Naar het oordeel van het hof hebben de curatoren de door SGR gegeven toelichting onvoldoende gemotiveerd betwist. De omstandigheid dat SGR de betalingen rechtstreeks aan de reisdienstverleners heeft gedaan in plaats van aan de consumenten, betekent in de gegeven omstandigheden ook niet zonder meer dat SGR hiervoor geen verhaal op de Deelnemers heeft. De conclusie is dat de gevorderde verklaringen voor recht ter zake van het bedrag van € 2.294.000,- daarom niet kunnen worden toegewezen.
4.12
Kortom, de primair onder A tot en met C gevorderde verklaringen voor recht zijn niet toewijsbaar.
Analogische toepassing van art. 54 Fw Pro
4.13
De curatoren hebben aangevoerd dat SGR onrechtmatig heeft gehandeld door eind september 2013 de bankgarantie uit te winnen. Zij menen dat de analogische toepassing van art. 54 Fw Pro zich daartegen verzet. De curatoren stellen dat de boedel als gevolg van het onrechtmatig handelen van SGR schade heeft geleden tot een bedrag van € 7 miljoen. Samengevat weergegeven hebben de curatoren het volgende aangevoerd. De Deelnemers hebben in 2011 voldaan aan hun wettelijke verplichting van art. 7:512 BW Pro (oud) / thans art. 7:513a BW door zich aan te sluiten bij SGR en SGR garant te laten staan in geval van financieel onvermogen van de Deelnemers. SGR heeft na het faillissement van OAD de consumenten schadeloosgesteld. De door SGR toegepaste juridische constructie houdt in dat zij tegenover betaling aan reizigers, de vorderingen van die reizigers overneemt en die overgenomen vorderingen feitelijk verhaalt ten laste van de failliete boedels. Het is weliswaar Rabobank geweest die het bedrag van € 7 miljoen uit hoofde van de bankgarantie aan SGR heeft betaald, maar Rabobank had bij OAD een contragarantie bedongen op grond waarvan zij dit bedrag vervolgens op (de failliete boedels van) de Deelnemers kon verhalen. De analogische toepassing van art. 54 Fw Pro verzet zich ertegen dat SGR de bankgarantie inroept voor tijdens het faillissement overgenomen ongesecureerde vorderingen van reizigers en vervolgens voor die vorderingen de bankgarantie inroept, aldus de curatoren.
4.14
SGR heeft een beroep op verjaring gedaan. Zij heeft aangevoerd dat zij op 27 september 2013 aan de curator heeft gemeld dat zij de bankgarantie van € 7 miljoen had ingeroepen en dat de curatoren bij brief van 30 september 2013 door de Rabobank zijn gewezen op de vordering van de Rabobank uit hoofde van de contragarantie en het voornemen van de Rabobank om haar zekerheidsrechten uit te oefenen. De verjaringstermijn is dus aangevangen op 27 of 30 september 2013. Omdat de curatoren SGR pas op 10 oktober 2018 voor het eerst schriftelijk aansprakelijk hebben gesteld, is de vordering volgens SGR verjaard.
4.15
De curatoren hebben de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken niet weersproken, met dien verstande dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep enige discussie heeft plaatsgevonden over de vraag of SGR de bankgarantie voor het eerst op 27 september 2013 heeft ingeroepen of op 30 september 2013. Dit punt is echter niet van wezenlijk belang voor de beoordeling van het beroep op verjaring.
4.16
De curatoren hebben aangevoerd dat voor de aanvang van de verjaringstermijn nodig is dat de curatoren niet alleen de feiten kenden waarop zij hun vordering tot schadevergoeding baseren, maar ook het besef hadden van de juridische kwalificatie daarvan als normschending, van de daarvoor aansprakelijke persoon, de schade en het verband met dat tekortschieten. Op het moment dat de bankgarantie door SGR werd getrokken, waren de curatoren van dit alles nog niet op de hoogte. Zij waren niet bekend met de feiten op grond waarvan kon worden vastgesteld dat de boedel een vordering had op SGR tot terugbetaling van het bedrag dat onder de bankgarantie was getrokken. Tot slot voeren de curatoren aan dat zij toen nog niet wisten dat de bankgarantie was ingeroepen voor vorderingen die SGR tijdens het faillissement had overgenomen.
4.17
Het hof overweegt als volgt. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Anders dan de curatoren veronderstellen is niet vereist dat zij ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden bekend zijn.
4.18
De curatoren hebben verder gesteld dat zij er eind september 2013 nog niet mee bekend waren dat SGR de bankgarantie had ingeroepen voor vorderingen die SGR
tijdenshet faillissement had overgenomen. Zij hebben echter niet betwist dat zij eind september 2013 al wisten dat SGR een reisgarantiefonds beheert waarbij de Deelnemers waren aangesloten, dat SGR het mogelijk maakt om consumenten bij financieel onvermogen van een reisorganisator te compenseren en dat (onder andere) SGR bezig was om het aantal gedupeerde reizigers in kaart te brengen en mij te staan. Evenmin hebben de curatoren betwist dat zij wisten dat de Deelnemers bij SGR waren aangesloten, dat SGR op grond van de Garantieregeling bij uitbetaling aan de reizigers de (ongesecureerde) vorderingen van de reizigers overnam en dat Rabobank ten behoeve van de Deelnemers een bankgarantie had verstrekt waarop SGR een beroep had gedaan. Tot slot hebben de curatoren niet betwist dat zij wisten dat de Deelnemers aan Rabobank een contragarantie hadden verstrekt waarop Rabobank jegens de boedel een beroep deed. Tegen deze achtergrond hebben de curatoren ook niet voldoende gemotiveerd toegelicht waarom zij niet wisten dat SGR de vorderingen van de consumenten op de Deelnemers na het faillissement had overgenomen en dus (kennelijk) in de veronderstelling verkeerden dat de consumenten hun vorderingen op de Deelnemers helemaal niet aan SGR zouden overdragen.
4.19
Kortom, naar het oordeel van het hof waren de curatoren eind september 2013 daadwerkelijk bekend met de feiten en omstandigheden die betrekking hadden op de door hen gestelde schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit betekent dat de vordering van de curatoren tot betaling door SGR van een bedrag van € 7 miljoen op grond van verjaring niet voor toewijzing in aanmerking komt.
4.2
De curatoren hebben zich ook beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Deze zou er volgens de curatoren toe moeten leiden dat het onaanvaardbaar zou zijn als SGR zich op verjaring beroept. Feiten en omstandigheden die het beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro rechtvaardigen hebben de curatoren echter niet, althans niet in voldoende mate gesteld. Het beroep op deze bepaling is daarom ongegrond.
4.21
De grieven van de curatoren die gericht zijn tegen het oordeel van de rechtbank dat art. 54 Fw Pro niet (analogisch) van toepassing is, behoeven dus geen bespreking meer.
De vordering tot vaststelling van de omvang van het bedrag dat SGR onder de bankgarantie mocht trekken
4.22
De curatoren hebben aangevoerd dat het niet vast staat dat SGR gerechtigd was tot de gehele bankgarantie van € 7 miljoen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de curatoren, tegenover de uitvoerige toelichting van SGR, niet kunnen (blijven) volstaan met de stelling dat – kort gezegd – niet duidelijk is dat SGR vorderingen van de consumenten op de Deelnemers heeft verkregen. De curatoren hadden gemotiveerd moeten stellen en deugdelijk moeten onderbouwen dat SGR de bankgarantie niet mocht inroepen vanwege het ontbreken van vorderingen van SGR op de deelnemers ter grootte van ten minste € 7 miljoen. Dat hebben zij niet gedaan, aldus de rechtbank.
4.23
Naar het oordeel van het hof hebben de curatoren ook in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de omvang van de vordering van SGR (waarvoor zij onder de bankgarantie mocht trekken) minder dan € 7 miljoen bedraagt. Laat staan dat het hof op basis van de door de curatoren gestelde feiten zou kunnen vaststellen tot welk bedrag SGR dan wél gerechtigd zou zijn. Het hof is daarom – met de rechtbank – van oordeel dat de curatoren niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Dit oordeel geldt logischerwijs ook voor de vordering van de curatoren tot betaling door SGR van een bedrag van € 7 miljoen onder aftrek van een door het hof vast te stellen bedrag.
Conclusie en proceskosten
4.24
De conclusie is dat het hoger beroep van de curatoren niet slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal de curatoren als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Deze worden aan de zijde van SGR begroot op € 6.561,- aan griffierechten, € 13.218,- aan salaris advocaat (2 punten, tarief VIII) en € 189,- aan nasalaris, in totaal € 19.968,-, te vermeerderen met € 98,- als deze kosten niet tijdig worden voldaan.

5.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2024;
  • veroordeelt de curatoren in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van SGR tot op heden begroot op € 19.968,- , te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de curatoren deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als de curatoren niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de curatoren de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de curatoren deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, I. Brand en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.