ECLI:NL:GHDHA:2026:2248

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
200.355.641/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:233 BWArt. 6:231 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over betaling advocaatkosten en oneerlijk beding in consumentenovereenkomst

MVDP Advocaten vordert betaling van openstaande facturen voor juridische diensten aan een consument, die in eerste aanleg grotendeels werd afgewezen wegens een oneerlijk kostenbeding. De kantonrechter oordeelde dat de advocaat wel het uurtarief had vermeld, maar geen inschatting van de totale kosten had gegeven, waardoor het beding niet transparant en oneerlijk was.

In hoger beroep stelt het hof vast dat het kostenbeding een kernbeding is en dat het enkel noemen van een uurtarief niet voldoet aan het transparantievereiste van de Europese Richtlijn 93/13/EEG. Echter, het ontbreken van een kostenraming betekent niet automatisch dat het beding oneerlijk is. Het hof weegt mee dat de consument niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan als hij vooraf beter geïnformeerd was geweest.

Het hof verwijst uitgebreid naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 (Honoraires d’avocat) en het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2019, waarin de toetsingscriteria voor oneerlijke bedingen worden uiteengezet. Gelet op de omstandigheden en de aard van de zaak concludeert het hof dat het beding niet oneerlijk is, ondanks de tekortkoming in transparantie.

De vordering van MVDP tot betaling van € 1.763,24 aan hoofdsom en € 264,49 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover het de afwijzing van de hoofdsom betreft, en bekrachtigd voor het overige. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van MVDP toe en veroordeelt de consument tot betaling van de hoofdsom, incassokosten en wettelijke rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.355.641/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11005407 CV EXPL 24-1362
Arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
MVDP Advocaten B.V.,
gevestigd in Gorinchem,
appellante,
advocaat: mr. S. Meeuwsen, kantoorhoudend in Gorinchem,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Het hof noemt partijen hierna MVDP en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
MVDP vordert in deze zaak de betaling van twee openstaande facturen voor door een (aan haar verbonden) advocaat verleende diensten aan een consument.
1.2
De kantonrechter heeft de vordering (grotendeels) afgewezen omdat volgens de kantonrechter sprake is van een oneerlijk (kosten)beding in de opdrachtovereenkomst. De advocaat heeft wel informatie gegeven over zijn uurtarief maar nagelaten een inschatting te geven over de omvang van de (totale) kosten.
1.3
Het hof komt – anders dan de kantonrechter – tot de conclusie dat (enkel) deze omstandigheid niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is geweest van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument (in strijd met de goede trouw). Het kostenbeding wordt daarom niet als een ‘oneerlijk beding’ aangemerkt.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 9 mei 2026, waarmee MVDP in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht van 13 februari 2025 (hierna: het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van MVDP Advocaten, met bijlagen.
2.2
[geïntimeerde] is in deze procedure niet verschenen. Aan hem is verstek verleend.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
MVDP heeft in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] in de periode september 2023 tot en met januari 2024 diverse juridische werkzaamheden verricht. Op 27 september 2023 heeft MVDP een opdrachtbevestiging aan [geïntimeerde] toegezonden.
3.2
De opdrachtbevestiging luidt als volgt:
“Geachte heer [geïntimeerde] ,
Onder verwijzing naar onze bespreking van gisteren bericht ik u als volgt.
U verzocht mij u bij te staan inzake een geschil over de zorgregeling van uw dochter. Uw ex heeft eenzijdig de zorgregeling stopgezet. Zoals als afgesproken heb ik een concept schrijven opgesteld, dat aan haar verstuurd kan worden. Graag verneem ik van u of de inhoud akkoord is.
In de brief staan ook […] de stappen die genomen gaan worden indien zij niet reageert. […]
Kosten
Wij bespraken namelijk dat u wellicht in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp. Ik zal dan ook een toevoegingsaanvraag voor u indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. […]
Mocht het zo zijn dat u niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp, dan wel deze op enig moment wordt ingetrokken, merk ik op dat ik voor mijn werkzaamheden een uurtarief van € 205,00 exclusief btw (€ 248,05 inclusief btw) en belaste en onbelaste verschotten (zoals griffierecht, leges en reiskosten) in rekening zal moeten brengen.
[…]
Bijgaand treft u voorts onze algemene voorwaarden aan die op deze opdracht van toepassing zijn. Deze voorwaarden staan tevens vermeld op onze website www.mvdpadvocaten.nl. Mocht u hierover nog vragen hebben verneem ik dit gaarne binnen twee weken na heden van u.
Tot slot
Verder bericht ik u nog dat al mijn werkzaamheden in nauw overleg met u zullen worden verricht. […]”
3.3
[geïntimeerde] heeft op 27 september 2023 per e-mail bericht dat hij akkoord is.
3.4
Vervolgens is er een toevoeging aangevraagd, waarvoor [geïntimeerde] niet in aanmerking kwam. Conform opdrachtbevestiging zijn de verrichte werkzaamheden vervolgens € 1.763,24 in rekening gebracht.
3.5
[geïntimeerde] heeft de verzonden nota's niet betwist.
3.6
[geïntimeerde] heeft MVDP om een betalingsregeling gevraagd, waarmee door MVDP is ingestemd, en hij heeft diverse toezeggingen gedaan om tot betaling over te gaan.
3.7
Betaling is uitgebleven.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
MVDP heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van
- € 1.763,24 voor de door haar aan [geïntimeerde] verstuurde facturen voor verleende juridische diensten;
- € 264,49 aan buitengerechtelijke incassokosten; en
-€ 45,83 aan wettelijke rente tot en met 19 februari 2024,
zijnde in totaal € 2.073,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2024. Daarnaast is ook een proceskostenveroordeling gevorderd.
4.2
[geïntimeerde] is in de procedure bij de kantonrechter niet verschenen en aan hem is verstek verleend.
4.3
De kantonrechter heeft – ambtshalve toetsend – het kostenbeding als niet transparant en oneerlijk aangemerkt en nietig geoordeeld. De kantonrechter heeft daarom de vorderingen voor de verleende juridische diensten afgewezen. De gevorderde vergoeding voor gemaakte kosten (het griffierecht en de kosten voor de geboorteakte) heeft de kantonrechter wel toegewezen. [geïntimeerde] is in de proceskosten veroordeeld.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
MVDP vordert in hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van al haar vorderingen. Zij voert daartoe vier grieven aan. Met haar eerste grief bestrijdt MVDP het oordeel van de kantonrechter dat het kostenbeding niet transparant is. Met haar tweede grief komt MVDP op tegen het oordeel dat sprake is van ‘een oneerlijk beding’. De derde grief klaagt dat de kantonrechter ten onrechte de gehele overeenkomst heeft vernietigd. Volgens de vierde grief is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien [geïntimeerde] helemaal geen vergoeding voor de verleende rechtsbijstand zou moeten betalen.
5.2
Bij de beoordeling van
grief Ien
grief IIwordt het volgende vooropgesteld.
5.3
MVDP vordert de nakoming van een betalingsverplichting onder een opdrachtovereenkomst (hierna: de overeenkomst). [geïntimeerde] is een consument en MVDP een handelaar in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het is aan de rechter om ambtshalve te beoordelen of het kostenbeding dat MVDP aan haar vordering ten grondslag legt een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn.
5.4
Bij deze beoordeling heeft het volgende als uitgangspunt te gelden:
 Op grond van art. 3 lid 1 van Pro de Richtlijn is een beding in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, oneerlijk wanneer het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
 De verplichting tot richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt mee dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW Pro ambtshalve moet onderzoeken of er tussen partijen sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn. Als een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn, moet dit door de rechter worden vernietigd. [1]
 Uit art. 4 lid 2 van Pro de Richtlijn en art. 6:231, onder a, BW volgt dat een kernbeding, dat wil zeggen een bepaling die de kern van de prestatie weergeeft, niet op oneerlijkheid wordt getoetst, behalve als het desbetreffende kernbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd.
 In een arrest van 12 januari 2023 [2] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU), zich uitgesproken over een kostenbeding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten [3] . Dit arrest zal hierna als het
Honoraires d’avocat-arrest worden aangeduid. Het oordeel luidt (samengevat) als volgt.
o Een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin de vergoeding wordt vastgesteld op basis van een uurtarief, is een kernbeding in de zin van art. 4 lid 2 van Pro de Richtlijn (r.o. 32). Dit geldt ongeacht of over dit beding afzonderlijk is onderhandeld, of niet (r.o. 33).
o De rechter komt echter pas toe aan toetsing van het kostenbeding op eventuele oneerlijkheid, als vast komt te staan dat het kostenbeding niet ‘duidelijk en begrijpelijk’ is geformuleerd in de zin van art. 4 lid 2 van Pro de Richtlijn.
o Het is niet voldoende dat een beding formeel en grammaticaal begrijpelijk is om te voldoen aan de eis van transparantie. Deze eis moet ruim worden opgevat, omdat het met de Richtlijn uitgewerkte beschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie beschikt dan laatstgenoemde (r.o. 36).
o De rechter dient na te gaan of aan de consument alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed konden zijn op de omvang van zijn verbintenis en op basis waarvan hij de financiële consequenties daarvan kon inschatten (r.o. 38).
o Het is voor een consument van wezenlijk belang dat hij vóór de sluiting van de overeenkomst kennisneemt van alle contractuele voorwaarden en de gevolgen die aan die sluiting zijn verbonden. Hij zal met name op basis van de aldus verkregen informatie besluiten of hij gebonden wenst te worden door de voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (r.o. 39 en 42).
o Het enkel noemen van een uurtarief stelt de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen (r.o. 40).
o Het is voor een advocaat vaak moeilijk of zelfs onmogelijk om op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, het aantal uren te voorspellen dat nodig zal zijn om die diensten te verlenen, en dus ook de totale daadwerkelijke kosten daarvan (r.o. 41). Toch dient de advocaat de consument informatie te verstrekken die deze in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen met volledige kennis van enerzijds de mogelijkheid dat dergelijke gebeurtenissen zich voordoen en anderzijds de gevolgen die deze kunnen hebben voor de duur van de desbetreffende juridische diensten
(r.o. 43).
o Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld. Het gaat er om de consument in staat te stellen om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst, zijn beslissing te nemen (r.o. 44).
o Het enkele feit dat het kostenbeding niet voldoet aan het transparantievereiste van art. 4 lid 2 van Pro de Richtlijn betekent niet zonder meer dat het beding ook oneerlijk is (r.o. 52).
o Beoordeeld moet worden, in het licht van alle omstandigheden van het geval waaronder de omstandigheid dat het beding niet transparant is, in de eerste plaats of het vereiste van goede trouw is nageleefd en, in de tweede plaats, of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van art. 3 lid 1 van Pro de Richtlijn (r.o. 47).
o Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen.
Is het kostenbeding voldoende transparant?
5.5
In dit geval is het tussen partijen overeengekomen kostenbeding een kernbeding in de zin van art. 4 lid 2 van Pro de Richtlijn. Immers, het gaat om een beding dat de kern van de prestatie betreft: de vergoeding voor het verrichten van juridische diensten.
5.6
Mede gelet op wat is overwogen in het
Honoraires d’avocat-arrest betreft een kostenbeding met enkel een weergave van het uurtarief niet een beding dat ‘duidelijk en begrijpelijk’ is geformuleerd voor de consument. Het gevolg is dat het getoetst kan worden op ‘oneerlijkheid’ gelet op het bepaalde in art. 4 lid 2 van Pro de Richtlijn omdat gesteld noch gebleken is dat afzonderlijk over de hoogte van het uurtarief van de advocaat is onderhandeld.
5.7
Ter toelichting dient nog het volgende.
 Gesteld noch gebleken is dat voor het sluiten van de overeenkomst een raming/redelijke inschatting van de kosten is gegeven. Op dit punt is van belang dat op grond van art. 17 van Pro de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten van een advocaat veelal gevergd kan worden dat een redelijke inschatting wordt gegeven van de te verwachten tijdsbesteding en totale kosten.
 De overeenkomst voorziet evenmin in een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld.
Is sprake van een oneerlijk beding?
5.8
Voor de beoordeling van de vraag of een beding oneerlijk is, heeft de Hoge Raad in het arrest van 22 november 2019 [4] (hierna: het
Euribor-arrest) het daarvoor geldende toetsingskader samengevat weergegeven en daarbij onder meer overwogen als volgt:
“Oneerlijkheidstoetsing
3.2.1
Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro 93/13 […] wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Art. 4 lid 1 Richtlijn Pro 93/13 bepaalt dat voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding moet dus worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst, aangezien een contractueel beding een verstoring van het evenwicht tussen de contractspartijen in zich kan dragen die zich pas tijdens de uitvoering van de overeenkomst manifesteert.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd, aangezien die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft.
3.2.2
Het HvJEU laat het aan de nationale rechter over om in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval te onderzoeken of een specifiek beding oneerlijk is als in Richtlijn 93/13 bedoeld. Naar Nederlands recht vindt dit onderzoek plaats in het kader van art. 6:233, aanhef en onder a, BW. Volgens deze bepaling is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.
3.2.3
Over het in dit verband te verrichten onderzoek, heeft de Hoge Raad in het arrest AOV-polis het volgende overwogen.
“Om te bepalen of een beding een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter bepalen of, en in voorkomend geval, in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit. Een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan al volgen uit het feit dat de rechtspositie waarin de consument als partij bij de betrokken overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien. (Zie onder meer HvJEU 14 maart 2013, C‑415/11, ECLI:EU:C:2013:164 (Aziz/Catalunyacaixa), punt 68, en HvJEU 16 januari 2014, C‑226/12, ECLI:EU:C:2014:10 (Constructora Principado/Menéndez Álvarez), punten 22 en 23.)”
Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter na te gaan of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld. (Zie onder meer het hiervoor genoemde arrest in de zaak Aziz/Catalunyacaixa, punt 69.)”
5.9
Gelet op voormelde maatstaf oordeelt het hof dat het kostenbeding geen ‘oneerlijk’ beding is in de zin van de Richtlijn. De redenen daarvoor zijn de volgende.
 Duidelijk is dat het beding niet voldoet aan het transparantievereiste. Immers, gesteld noch gebleken is dat voor het sluiten van de overeenkomst een raming/redelijke inschatting van de kosten is gegeven, zoals ook op grond van art. 17 van Pro de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten van een advocaat veelal gevergd kan worden.
 Zoals in het
Honoraires d’avocat-arrest overwogen betekent het enkele feit dat het kostenbeding niet voldoet aan het transparantievereiste niet zonder meer dat het beding ook oneerlijk is (r.o. 52).
 Bij de beantwoording van de vraag of een beding in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer contracterende partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek dient te worden bepaald of, en in voorkomend geval, in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke uit het geldende nationale recht voortvloeit (rov. 3.2.3. het
Euribor-arrest, onder verwijzing naar wat was overwogen in het
AOV-polis-arrest).
o Indien partijen geen regeling hadden getroffen voor het verschuldigde loon, zou een redelijk loon verschuldigd zijn geweest op grond van art. 7:405 lid 2 BW Pro.
o Het overeengekomen (uur)loon bedraagt € 248,05 (inclusief btw).
o Mede gelet op de aard van de zaak/ de te verrichten werkzaamheden bestaat geen aanleiding om dit bedrag als een onredelijk (hoog) loon te beschouwen.
o Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat het beding tot gevolg heeft gehad dat daarmee – afgezien van de omstandigheid dat te weinig informatie is verschaft – ook ten nadele van de consument is afgeweken.
 Uit overweging 16 van de considerans van de Richtlijn volgt dat bij de beoordeling van de goede trouw in het bijzonder moet worden gelet op de verschillende onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet om in te stemmen met het beding. Aan de eisen van de goede trouw kan door de handelaar worden voldaan door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen. Het komt aan op de vraag of de handelaar er redelijkerwijze vanuit mocht gaan dat, als hij op eerlijke en billijke wijze zou hebben onderhandeld, de consument het beding zou hebben aanvaard [5] .
o Niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] – indien hem wel was verteld hoe hoog vermoedelijk de totale kosten zouden bedragen en wel voldoende geïnformeerd zou zijn over de economische gevolgen van het aangaan van de overeenkomst – van het sluiten van de overeenkomst zou hebben afgezien. Enkel de hoogte van het bedongen uurloon geeft daartoe geen reden. Verder mag worden verondersteld dat [geïntimeerde] een advocaat nodig had om op te kunnen komen tegen de eenzijdige beëindiging van de zorgregeling door zijn ex-partner. Tegen deze achtergrond bestond de mogelijkheid dat [geïntimeerde] toch van het inschakelen van MVDP had afgezien. Uit het dossier blijkt ook dat [geïntimeerde] niet over veel middelen beschikte. Daarmee is evenwel niet voldoende aannemelijk geworden dat – mede gelet op wat MVDP uiteindelijk heeft gedeclareerd – indien [geïntimeerde] was geïnformeerd over de (totale) te verwachte kosten, hij van het inschakelen van MVDP had afgezien.
o Het hof stelt verder vast dat MVDP geen misleidende informatie heeft verschaft over de kosten die [geïntimeerde] of anderszins ‘op het verkeerde been is gezet’ over de mogelijk te rekenen kosten (zoals het geval was in de arresten van hof ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2025 [6] , hof Amsterdam van 8 april 2025 [7] , en hof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2024. [8]
 Overige omstandigheden – naast de vastgestelde tekortkoming in het verstrekken van een globale prijsopgave – die kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een beding dat in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zijn het hof niet gebleken.
5.1
De conclusie is dat het kostenbeding – hoewel niet transparant – niet ‘oneerlijk’ wordt bevonden.
5.11
Terzijde wordt nog het volgende opgemerkt.
 De omstandigheid dat (het ervoor moet worden gehouden dat) sprake is geweest van een schending van art. 17 van Pro de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten omdat voor aanvang van de werkzaamheden geen inschatting is gemaakt van de hoogte van de kosten, maakt het kostenbeding nog niet oneerlijk (zoals ook is overwogen in het Honoraires d’avocat-arrest). Deze omstandigheid brengt wel mee dat sprake is geweest van een niet transparant kostenbeding.
 Indien niet-transparante bedingen zonder (kenbare) toetsing aan de vraag of daarmee ook wezenlijk ten nadele van de consument wordt afgeweken van wat rechtens had gegolden in het geval partijen geen regeling hadden getroffen, als oneerlijk kunnen worden gekwalificeerd, kleeft aan die benaderingswijze het nadeel dat dit eenvoudig tot zowel onbillijke als rechtsonzekere uitkomsten kan leiden. In dit verband wordt nog het volgende opgemerkt.
o Het transparantiebeginsel is een ruim begrip dat ook ruim dient te worden verstaan volgens HvJEU (
Honoraires d’avocat-arrest, r.o. 36).
o Mede gelet daarop is de vraag of bij de totstandkoming van een beding een consument voldoende informatie is gegeven (op een voldoende transparante wijze is gecontracteerd) om de economische gevolgen van het aangaan van een overeenkomst goed te kunnen inschatten, niet steeds eenvoudig/eenduidig (op voorhand) door een handelaar te beantwoorden.
o Deze onzekerheid vormt temeer een risico voor de handelaar, gelet op de verstrekkende gevolgen die het gevolg zijn van de kwalificatie dat sprake is van een ‘oneerlijk beding’. Deze verstrekkende gevolgen zijn niet te rechtvaardigen indien bedingen zonder kenbare toetsing aan de maatstaf of wezenlijk ten nadele van de consument wordt afgeweken van wat rechtens had gegolden in het geval partijen geen regeling hadden getroffen kunnen worden gekwalificeerd als ‘oneerlijk’.
o De Richtlijn en ook de relevante jurisprudentie van het HvJEU geeft bij de huidige stand van het recht geen aanwijzing dat reeds de enkele omstandigheid dat niet voldoende informatie is verschaft aan een consument om de economische gevolgen van het aangaan van een overeenkomst goed te kunnen inschatten maakt dat een beding (op voorhand) als oneerlijk moet worden beschouwd.
o Dat blijkt ook uit de uitkomst van het
Honoraires d’avocat-arrest. In dit arrest heeft het HvJEU immers overwogen – in antwoord op de vierde vraag – dat enkel de schending van een transparantieverplichting nog niet meebrengt dat sprake is van een oneerlijk beding. Een relevant verschil is verder dat in de casus van het Honoraires d’avocat-arrest het burgerlijk recht van Litouwen voorschreef dat elk beding in een consumentenovereenkomst duidelijk en begrijpelijk moest worden opgesteld en bedingen die niet aan dat vereiste voldeden (zonder verdere toetsing of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in strijd met de goede trouw) als oneerlijk moesten worden beschouwd (zie onder punt 9). Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de opmerkingen van de Litouwse regering, heeft de Republiek Litouwen ervoor gekozen een hoger beschermingsniveau te verzekeren dan waartoe de Richtlijn verplicht (zie onder punt 49). De Nederlandse wetgever heeft daar niet voor gekozen.
5.12
Het gevolg is dat grief 1 faalt, maar grief II slaagt. De grieven III en IV behoeven geen verdere behandeling.
5.13
Het door MVDP gevorderde van € 1.763,24 is toewijsbaar omdat het gevorderde het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Buitengerechtelijke kosten
5.14
MVDP heeft ook veroordeling van de consument tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd.
5.15
Het hof constateert dat MVDP een zogeheten 14-dagenbrief van 19 februari 2024 heeft gezonden die aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro voldoet, zodat een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is. Er zijn geen omstandigheden aanwezig om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan.
5.16
Volgens de tarieven van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is in dit geval, gelet op de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom, een bedrag van € 264,49 aan buitengerechtelijke kosten, toewijsbaar.
Wettelijke rente
5.17
Mede gelet op voornoemde 14-dagen-brief is de wettelijke rente toewijsbaar over de hoofdsom en de BIK vanaf 5 maart 2024.
Conclusie en proceskosten
5.18
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal opnieuw beslissen zoals hierna onder ‘Beslissing’ is weergegeven.
5.19
Het hof zal – omdat [geïntimeerde] niet is verschenen in hoger beroep – de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6.Beslissing

Het hof:
6.1
vernietigt het bestreden vonnis (slechts) voor zover in het dictum onder 3.1 is geoordeeld;

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen € 379,16 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 overeen Pro bedrag van € 329,70 vanaf 16 november 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan MVDP te betalen € 1.763,24 (hoofdsom) en € 264,49 (incassokosten), beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 maart 2024.
6.2
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
6.3
compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen de partijen, in de zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt;
6.4
bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--;
6.5
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
6.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. R.S. van Coevorden, mr. A.J.P. Schild en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

2.ECLI:EU:C:2023:14.
3.ECLI:EU:C:2023:14.
5.HvJEU 20 april 2023,
8.ECLI:NL:GHARL:2024:6225, rov. 3.18-3.25.