ECLI:NL:GHDHA:2026:2338
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep locatieverbod verpleeghuis levenspartner na overlijden partner
De levenspartner van een verpleeghuisbewoner vorderde in kort geding opheffing of schorsing van een locatieverbod dat door de zorginstelling was opgelegd. De rechtbank wees deze vorderingen af en veroordeelde de levenspartner in de proceskosten. Na het overlijden van de partner stelde de levenspartner hoger beroep in tegen de proceskostenveroordeling.
Het hof oordeelde dat het locatieverbod was ingesteld ter bescherming van de gezondheid van de verpleeghuisbewoner en om veilige zorgverlening te waarborgen. Nu de partner was overleden, was het belang bij opheffing van het verbod komen te vervallen. Wel had de levenspartner belang bij een oordeel over de proceskostenveroordeling.
Het hof bevestigde dat het locatieverbod een wettelijke basis had in artikel 45 van Pro de Wet zorg en dwang en dat het noodzakelijk en proportioneel was. De levenspartner had herhaaldelijk de huisregels overtreden, onder meer door het maken en publiceren van filmopnames. Pogingen van de zorginstelling tot dialoog en minder ingrijpende maatregelen werden door de levenspartner afgewezen.
De grief dat de levenspartner een bijzondere juridische positie had werd verworpen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de levenspartner in de kosten van beide procedures, waarbij het griffierecht niet werd opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 18 juni 2026.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, met in stand blijvende proceskostenveroordeling.