ECLI:NL:GHDHA:2026:2346

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/638 tot en met BK-25/643
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.C. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet IB 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001Art. 6:11 AwbArt. 60 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verschoonbare termijnoverschrijding bij ambtshalve vermindering belastingaanslagen

Belanghebbende verzocht om ambtshalve vermindering van ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2013, 2014 en 2016. De Inspecteur wees dit verzoek af wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat de overschrijding verschoonbaar was vanwege ernstige persoonlijke omstandigheden, waaronder langdurige psychische klachten, mantelzorg, schulden en overlijden van naasten. Het Hof onderzocht deze omstandigheden en concludeerde dat belanghebbende niet in redelijkheid kon worden gevergd tijdig het verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen.

Het Hof overwoog dat belanghebbende pas na ontvangst van de brief over loonbeslag in april 2023 bewust werd van de aanslagen en binnen zes weken daarna het bezwaarschrift indiende. Dit was volgens het Hof zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd. Daarom was sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de beschikkingen, en verwees de zaak terug naar de Inspecteur voor inhoudelijke behandeling van het verzoek. Tevens werden de betaalde griffierechten aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: Het Hof oordeelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en wijst de zaak terug naar de Inspecteur voor inhoudelijke behandeling van het verzoek om ambtshalve vermindering.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummers BK-25/638 tot en met BK-25/643

Uitspraak van 2 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 juli 2025, nummers SGR 25/1717, SGR 25/1718, SGR 25/1719, SGR 25/1720, SGR 25/1721 en SGR 25/1723.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft op grond van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en ambtshalve opgelegde aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de belastingjaren 2013, 2014 en 2016 (de aanslagen) afgewezen (beschikkingen).
1.2.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is eenmaal griffierecht van € 53 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 4 mei 2026 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor de belastingjaren 2013, 2014 en 2016, na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, geen aangiften IB/PVV ingediend.
2.2.
Met dagtekening 11 november 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd voor het belastingjaar 2013. De aanslagen zijn berekend naar een geschat resultaat uit overige werkzaamheden van € 26.000. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende € 824 belastingrente in rekening gebracht en is aan hem een verzuimboete opgelegd van € 226. Bij het opleggen van de aanslag Zvw is € 86 belastingrente in rekening gebracht.
2.3.
Met dagtekening 26 oktober 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2014 opgelegd. De aanslagen zijn berekend naar een geschat resultaat uit overige werkzaamheden van € 15.000. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende € 116 belastingrente in rekening gebracht en is aan hem een verzuimboete opgelegd van € 369. Bij het opleggen van de aanslag Zvw is € 46 belastingrente in rekening gebracht.
2.4.
Met dagtekening 21 februari 2018 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 opgelegd. De aanslagen zijn berekend naar een geschat resultaat uit overige werkzaamheden van € 44.000. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV is aan belanghebbende € 402 belastingrente in rekening gebracht en is aan hem een verzuimboete opgelegd van € 369. Bij het opleggen van de aanslag Zvw is € 73 belastingrente in rekening gebracht.
2.5.
Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 8 augustus 2023. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 januari 2024 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen. Bij de beschikkingen van dezelfde datum heeft de Inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, aanhef en onder a, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (Uitvoeringsregeling IB 2001).
2.6.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juli 2024 geoordeeld dat de bezwaren tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast het beroepschrift opgevat als een bezwaarschrift tegen de beschikkingen. De Rechtbank heeft de Inspecteur daarom opgedragen om, voor zover het beroepschrift is gericht tegen de beschikkingen, dit als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
2.7.
Bij uitspraken op bezwaar van 17 januari 2025 heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de verminderingsbeschikkingen ongegrond verklaard.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“8. In geschil is of het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen.
9. In artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat een vermindering niet wordt verleend indien vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
10. De termijn van vijf jaar eindigde voor de onderhavige jaren op respectievelijk
31 december 2018, 31 december 2019 en 31 december 2021.
11. Het verzoek om ambtshalve vermindering is door verweerder ontvangen op 8 augustus 2023. Dat is ruimschoots na het verlopen van de vijfjaarstermijn. Van een verschoonbare termijnoverschrijding acht de rechtbank geen sprake. De geschetste persoonlijke omstandigheden in de afgelopen jaren zijn niet van dien aard dat in redelijkheid van eiser, of een door hem ingeschakelde hulp, geen enkele actie richting de Belastingdienst kon worden verwacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook nadat eiser via het loonbeslag in mei 2023 met de invordering van de aanslagen werd geconfronteerd hij niet meteen, of binnen een termijn van zes weken[2], in actie is gekomen. Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat eiser na ontvangst van de aanslag IB/PVV 2016 in februari 2018 tot aan het loonbeslag in mei 2023 niets van de Belastingdienst heeft vernomen over de in geschil zijnde aanslagen, zoals hij ter zitting onweersproken heeft aangevoerd, dan nog is het verzoek om ambtshalve herziening van 8 augustus 2023 te laat gedaan. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gelet hierop heeft verweerder het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen mogen afwijzen om de reden dat het verzoek te laat is ingediend.[3]
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.
(…)
[2] Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515.
[3] Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is de vraag of de verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht zijn afgewezen. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van een verschoonbare overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001. Belanghebbende acht de termijnoverschrijding verschoonbaar, de Inspecteur niet.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de beschikkingen, tot terugwijzing van de zaken naar de Inspecteur, tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en tot vergoeding van de griffierechten in beroep en hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt dat de overschrijding van de vijfjaarstermijn die geldt voor verzoeken om ambtshalve vermindering verschoonbaar is. De overschrijding is namelijk het gevolg geweest van ernstige persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, waaronder hoge schulden en complexe familieomstandigheden.
5.2.
De Inspecteur stelt dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. De geschetste persoonlijke omstandigheden zijn niet van dien aard dat in redelijkheid van belanghebbende, of een door hem ingeschakelde hulp, geen actie richting de Belastingdienst kon worden verwacht. De verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de aanslagen zijn dus terecht afgewezen.
5.3.
Op grond van artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001, aanhef en onderdeel a, geldt dat de inspecteur ambtshalve een belastingaanslag vermindert die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
5.4.
Aangezien de aanslagen de jaren 2013, 2014 en 2016 betreffen, is voornoemde vijfjaarstermijn verlopen op respectievelijk 31 december 2018, 31 december 2019 en 31 december 2021. Het bezwaarschrift tegen de aanslagen, dat tevens is opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering, is door de Inspecteur ontvangen op 8 augustus 2023. Tussen partijen is daarom niet in geschil dat het verzoek van belanghebbende na afloop van voornoemde vijfjaartermijn door de Inspecteur is ontvangen. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of de overschrijding van de vijfjaarstermijn verschoonbaar is.
5.5.
Het Hof stelt voorop dat een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen is (HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871). Dit artikel bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift, artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing is. Dit betekent dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoek om ambtshalve vermindering, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding).
5.6.
Van een verschoonbare termijnoverschrijding is sprake indien: (i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een verzoek heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het verzoek heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd (Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515).
5.7.
In voornoemd arrest van de Hoge Raad van 5 april 2024 is, voor zover van belang, als volgt geoordeeld met betrekking tot de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding:
“4.2.4 Voor zover het omstandigheden betreft die de belanghebbende persoonlijk betreffen, is er geen reden artikel 6:11 Awb Pro te beperken tot de gevallen waarin de betrokkene feitelijk niet in staat is geweest het rechtsmiddel tijdig aan te wenden. Of artikel 6:11 Awb Pro van toepassing is, zal per geval moeten worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. Aan de belanghebbende van wie in redelijkheid niet kan worden gevergd om dit zelf te doen, kan niet zonder meer worden tegengeworpen dat hij iemand anders had kunnen verzoeken hem hierin bij te staan of te vertegenwoordigen, of dat hij binnen de termijn had kunnen volstaan met het indienen van een beroepschrift waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen (een zogenoemd pro-formaberoepschrift). Ook met betrekking tot zulke maatregelen komt het erop aan of zij van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid konden worden gevergd.[2]
4.2.5
Verder moet ook de vraag of het beroepschrift na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarvoor een termijn van ten minste veertien dagen moet worden gegund.[3] De ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak geven de Hoge Raad aanleiding nu te bepalen dat deze termijn in beginsel verstrijkt zes weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet.[4]
4.2.6
Hetgeen hiervoor in 4.2.5 is overwogen, geldt voor alle zaken en in elk stadium van de behandeling, dus ook in zaken waarin het bestuursorgaan of een bestuursrechter in een eerdere fase van de procedure al een oordeel heeft gegeven over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en tegen dat besluit of die uitspraak een rechtsmiddel is aangewend waarop nog niet is beslist.
4.3
Hetgeen hiervoor is overwogen, geldt ook voor andere rechtsmiddelen waarop artikel 6:11 Awb Pro van toepassing is.
[2] Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 3.2.
[3] Zie HR 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462, rechtsoverweging 3.3, en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078, rechtsoverweging 3.2.
[4] Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 4.2.”
5.8.
In het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625 is, voor zover van belang, als volgt geoordeeld met betrekking tot de uitleg van de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 Awb Pro:
“3.2.5. Verder biedt de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 Awb Pro het bestuursorgaan en de bestuursrechter enige ruimte om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen factoren zoals de hoedanigheid en de mate van deskundigheid van de indiener een rol spelen, en kan ook betekenis toekomen aan andere factoren zoals de informatie die het bestuursorgaan aan de indiener heeft verstrekt en de voortvarendheid waarmee de betrokkene alsnog bezwaar of beroep heeft ingesteld.[3]
(…)
[3] Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 3.3.”
5.9.
Het Hof is van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het Hof legt dat hierna uit.
5.10.
De periode waarin belanghebbende om een ambtshalve vermindering van de aanslagen had kunnen verzoeken betreft grofweg de periode tussen de oplegging van de ambtshalve aanslag over 2013, zijnde november 2015 en het verlopen van de vijfjaarstermijn ter zake van de ambtshalve aanslag over het jaar 2016, zijnde december 2021.
5.11.
In eerste aanleg heeft belanghebbende een omvangrijke tabel overgelegd waaruit zijn persoonlijke omstandigheden blijken vanaf het jaar 2007. Uit deze tabel blijken onder meer de volgende omstandigheden:
 Belanghebbende kon na een relatiebreuk in 2007 zijn woning behouden. Eind 2009 werd hij na een reorganisatie bij zijn werkgever (waar hij vanaf 1996 in dienst was) overgenomen door een andere werkgever tegen een aanzienlijk lager salaris. De beloofde promotie bij zijn nieuwe werkgever bleef uit. Dit maakte dat zijn woonlasten relatief hoog werden en zijn reserves uitgeput raakten.
 In april 2011 kreeg zijn moeder een herseninfarct waardoor belanghebbende mantelzorger werd. Eind 2011 kreeg belanghebbende een burn-out door nare werkomstandigheden en intensieve mantelzorg. In juni 2012 ondertekende belanghebbende een vaststellingsovereenkomst met zijn nieuwe werkgever. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat dit de start was van een traject bij een psycholoog omdat op dat moment alles bij elkaar kwam.
 Eind 2012 schreef belanghebbende zich in als zelfstandig IT’er in de Kamer van Koophandel, maar zijn eerste opdracht werd voortijdig beëindigd en na maart 2013 kreeg hij geen opdrachten meer. Dit betekende het begin van oplopende schulden en onderhandelingen met de bank over de verkoop van zijn huis, waardoor zijn burn-out verschijnselen terugkwamen. Ondertussen was hij nog steeds mantelzorger van zijn moeder.
 In oktober 2014 werd belanghebbende ook mantelzorger van de stiefmoeder en vader van een vriendin (A). De schulden van belanghebbende bleven oplopen en belanghebbende was genoodzaakt zijn huis te verkopen. Vanaf april 2015 woonde hij daarom een paar maanden bij zijn moeder. In oktober 2015 overleed de vader van A, waardoor de mantelzorg voor haar stiefmoeder intensiveerde.
 Door aanhoudende mantelzorg voor zijn eigen moeder en de stiefmoeder van A en zijn oplopende schulden raakte belanghebbende in 2016 in een depressie. Vanaf 1 januari 2016 tot en met maart 2020 woonde belanghebbende bij zijn vader. Hij durfde zijn post niet meer open te maken. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij op een gegeven moment een bijstandsuitkering ontving.
 In juni 2017 probeerde belanghebbende een schuldhulpverleningstraject te starten, maar dit mislukte. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij termijnen had laten verstrijken. De procedures om dit recht te zetten, verloor belanghebbende. In oktober 2017 kreeg zijn vader een herseninfarct waardoor hij tussen ziekenhuis en zorginstelling bewoog.
 Begin 2018 overleed de moeder van belanghebbende, later dat jaar de stiefmoeder van A en eind 2018 overleed ook zijn vader na een euthanasietraject. Belanghebbende, zijnde executeur testamentair, werd gedagvaard door zijn zus in het kader van de afhandeling van het testament. Aangezien de gerechtelijke procedure aan het vrijkomen van de erfenis in de weg stond, bleven de schulden van belanghebbende oplopen.
 Vanaf 31 maart 2020 huurde belanghebbende een kamer en later dat jaar kon hij zijn schulden afbetalen met de vrijgekomen erfenis van zijn vader. In oktober 2020 startte belanghebbende een hersteltraject, kwam hij toe aan rouwverwerking, en zocht hij veelvuldig hulp bij zijn huisarts. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij van zijn huisarts medicatie kreeg om zijn zenuwen te bedwingen.
 In februari 2022 startte belanghebbende met een nieuwe baan in de IT-branche. Na zes maanden stapte hij over naar een andere werkgever in dezelfde branche.
 Per brief met dagtekening 19 april 2023 werd loonbeslag aangekondigd in verband met openstaande belastingschulden van belanghebbende, welke voor het grootste deel betrekking hadden op de aanslagen.
5.12.
In eerste aanleg is voornoemde tabel, opgesteld door A, overgelegd waarin de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende gedetailleerd en op chronologische wijze zijn opgenomen. In zijn bezwaarschrift had belanghebbende reeds opgemerkt dat hij een aantal jaar “meer dan fulltime mantelzorg” had verleend. Ook had belanghebbende opgenomen dat “de jaren die deze aanslagen betreffen voor mij moeilijke, zware en intensieve jaren zijn geweest”. Uit het hoorverslag blijkt voorts dat belanghebbende tijdens het hoorgesprek zijn schuldsaneringstraject had benoemd. Belanghebbende, A en een tweede vriendin van belanghebbende (B) hebben de persoonlijke omstandigheden ter zitting desgevraagd nader toegelicht. De omstandigheden zoals deze uit de tabel blijken, en de toelichting ter zitting, zijn niet door de Inspecteur betwist. Daar komt bij dat uit de Basisregistratie Personen blijkt dat belanghebbende inderdaad is verhuisd op de momenten die in de tabel staan vermeld. Het Hof heeft, mede gelet op de consistente, gedetailleerde en geloofwaardige verklaringen van zowel belanghebbende als zijn vriendinnen A en B, geen reden om aan de juistheid van de tabel te twijfelen.
5.13.
Zoals volgt uit 5.11 heeft belanghebbende vanaf eind 2011 langdurig psychische klachten gehad in de vorm van een burn-out en depressie. Belanghebbende heeft te maken gehad met opvolgende zware omstandigheden waaronder een relatiebreuk, nare werkomstandigheden, werkeloosheid, een lange periode van intensieve mantelzorg voor zijn ouders en naasten, het ontbreken van een eigen woning, oplopende schulden, het overlijden van zijn ouders en naasten en een gerechtelijke procedure aangespannen door zijn zus. Hij heeft in deze periode hulp gehad van een psycholoog en huisarts. Als gevolg van deze problemen heeft belanghebbende, zo heeft hij verklaard, zijn administratie niet bijgehouden. Hoewel hij de ontvangst van de aanslagen niet betwist, heeft belanghebbende ter zitting verklaard zich de aanmaningen met betrekking tot het indienen van de aangiften IB/PVV en de aanslagen niet meer te kunnen herinneren. Belanghebbende heeft ter zitting ook toegelicht dat hij een boekhouder had ingeschakeld om zijn aangiften inkomstenbelasting te doen, en hij daarom in de veronderstelling verkeerde dat dit werd geregeld, maar dat zijn boekhouder in gebreke is gebleven. Zijn boekhouder heeft namelijk wel om uitstel voor indiening van de aangiften IB/PVV 2013 en 2014 verzocht, maar geen aangiften IB/PVV gedaan. Naar het oordeel van het Hof kon van belanghebbende gegeven deze omstandigheden in redelijkheid niet worden gevergd tijdig om ambtshalve vermindering van de aanslagen te verzoeken.
5.14.
Hetgeen de Inspecteur hier tegenin brengt, doet hier niet aan af. De Inspecteur stelt dat belanghebbende, nu hij niet betwist dat hij de aanslagen heeft ontvangen, actie had kunnen ondernemen voor afloop van de vijfjaarstermijn. De Inspecteur wijst hierbij op de verklaringen van belanghebbende dat hij zijn (nihil)aangifte IB/PVV 2015 wel heeft ingediend, uitstel heeft gevraagd voor het indienen van zijn aangiften IB/PVV 2013 en 2014 en betrokken is geweest bij een gerechtelijke procedure. Volgens de Inspecteur was belanghebbende door zijn persoonlijke omstandigheden genoopt prioriteiten te stellen en heeft hij er bewust voor gekozen voornoemde acties wel uit te voeren en andere niet. Het feit dat belanghebbende heeft nagelaten de ambtshalve opgelegde aanslagen aan te vechten is derhalve een eigen keuze van belanghebbende geweest, en dient voor zijn rekening en risico te komen.
5.15.
Het Hof acht het in dit geval aannemelijk dat belanghebbende de aanslagen na ontvangst niet (goed) heeft bestudeerd omdat hij zijn post niet meer openmaakte en zijn administratie niet goed bijhield. B heeft ter zitting toegelicht dat belanghebbende onder stress volledig blokkeert, hetgeen dergelijk gedrag ook verklaart. Als gevolg van het achterwege blijven van invordering van de aanslagen tot 2013, acht het Hof voorts aannemelijk dat belanghebbende zich in feite tot de aankondiging van het loonbeslag per brief van 19 april 2013 niet bewust was van een actiepunt ten aanzien van de aanslagen. Naar het oordeel van het Hof kon van belanghebbende in redelijkheid niet worden verwacht dat hij in de periode november 2015-december 2021 zijn (oude) administratie bijwerkte om vervolgens de oude aanslagen tijdig aan te vechten. Dat belanghebbende wel andere acties heeft ondernomen kan hem niet worden tegengeworpen. Het aanvragen van uitstel voor de indiening van aangiften of het indienen van een nihilaangifte IB/PVV 2015 vergen naar het oordeel van het Hof minder pro-activiteit dan het op orde brengen van zijn (oude) administratie, waar de aanslagen mogelijk geheel in ontbraken. Daar komt bij dat het voeren van een gerechtelijke procedure geen eigen keuze van belanghebbende is geweest (zie 5.11). Belanghebbende heeft overigens ook zaken die direct in zijn voordeel waren geweest, zoals het aanvragen van Persoonsgebonden Budget en zorgtoeslag, of het starten van een schuldhulpverleningstraject, niet (goed) geregeld. Het bewust stellen van prioriteiten door belanghebbende acht het Hof daarom niet aannemelijk. Dat belanghebbende bepaalde zaken wel heeft kunnen regelen, lijkt eerder de uitzondering die de regel bevestigt. Er is geen sprake van verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het verzoek om ambtshalve vermindering. Ook in het geval de verwijtbaarheid gering zou zijn, is de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende toe te rekenen (zie het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625 in 5.8). Het Hof acht voor het aannemen van verschoonbaarheid in dit geval verder van belang dat bij een ambtshalve vermindering van de aanslag de rechtszekerheid van derden met een tegengesteld belang niet in het geding is.
5.16.
Nu het Hof heeft geconcludeerd dat van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid kon worden gevergd tijdig om ambtshalve vermindering van de aanslagen te verzoeken, resteert de vraag of belanghebbende het verzoek na de termijn heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Zoals blijkt uit voornoemde uitspraak onder 5.7, moet deze vraag worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Deze termijn verstrijkt in beginsel zes weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet.
5.17.
Naar het oordeel van het Hof is het, zoals ook volgt uit 5.15, aannemelijk dat belanghebbende tot de ontvangst van de brief met aankondiging van het loonbeslag van 19 april 2023, niet op de hoogte was van een actiepunt ter zake van de aanslagen. Het Hof is daarom van oordeel dat de termijn van (in beginsel) zes weken begon te lopen na ontvangst van deze brief. Belanghebbende had op dat moment zijn eigen woning, was begonnen met een nieuwe baan, had zijn schulden afbetaald, geen psychische problemen meer en was dus in staat actie te ondernemen. In de brief stond dat als belanghebbende het niet eens was met het loonbeslag, hij in verzet diende te komen bij de burgerlijk rechter en hij daarvoor contact moest opnemen met een advocaat. Belanghebbende, die niet beroepsmatig bekend is met het belastingrecht, heeft vergeefs gratis rechtsbijstand proberen te organiseren en vervolgens vóór het daadwerkelijke loonbeslag in mei 2023 telefonisch advies ingewonnen via de Belastingtelefoon. Conform het telefonisch ontvangen advies heeft hij op 6 juli 2023 een bezwaarschrift aangetekend verstuurd. Toen uit de track en trace-gegevens van PostNL bleek dat zijn bezwaarschrift niet was bezorgd, heeft hij het bezwaarschrift opnieuw, tweemaal aangetekend en eenmaal als postpakket, verzonden, waarna de Inspecteur het bezwaarschrift op 8 augustus 2023 ontving. Dat het bezwaarschrift van 6 juli 2023 door een aan de postbezorging te wijten oorzaak de Inspecteur niet heeft bereikt, kan aan belanghebbende niet worden tegengeworpen. Daarom moet van 6 juli 2023 worden uitgegaan als datum van indiening van het bezwaarschrift. Hoewel voornoemde termijn van zes weken is overschreden als wordt gerekend vanaf ontvangst van de brief van 19 april 2023 tot aan het bezwaarschrift van 6 juli 2023, betekent dit niet per definitie dat belanghebbende niet snel genoeg heeft gehandeld. Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad (zie 5.7) dienen de omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Gelet op de acties die belanghebbende heeft ondernomen na ontvangst van de brief van 19 april 2023 is het Hof van oordeel dat hij, beoordeeld naar de omstandigheden van dit geval, heeft gehandeld zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Daarmee is ook aan de tweede voorwaarde voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding voldaan.
Slotsom
5.18.
Gelet op het voorgaande, is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen ten onrechte afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn. Het hoger beroep is gegrond. Het Hof zal de zaak terugwijzen naar de Inspecteur met de opdracht om het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen alsnog inhoudelijk te behandelen.
5.19.
Omdat het Hof de zaak terugwijst naar de Inspecteur voor inhoudelijke behandeling, komt het Hof niet toe aan een beoordeling van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de inhoudelijke juistheid van de aanslagen.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierechten van respectievelijk € 53 en € 143 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vernietigt de beschikkingen;
  • wijst de zaak terug naar de Inspecteur voor verdere behandeling en beslissing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen met inachtneming van deze uitspraak; en
  • gelast de Inspecteur de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 196 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, de voorzitter,
J. Azmi Shenouda P.C. van den Brink
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.