ECLI:NL:GHDHA:2026:2454

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
200.341.166/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 lid 2 BWArt. 7:685 lid 2 BWArt. 612 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep werkgeversaansprakelijkheid bij rughernia door tilwerkzaamheden glaszetter

Een werknemer, werkzaam als glaszetter bij Glashandel Van Es, vordert in hoger beroep een verklaring voor recht dat zijn werkgever aansprakelijk is voor de door hem opgelopen rughernia als gevolg van het tillen van zware glasplaten. Hij stelt dat hij zonder hulpmiddelen en alleen zware glasplaten moest tillen, wat tot zijn letsel heeft geleid.

De kantonrechter wees de vorderingen af omdat onvoldoende bewijs was geleverd voor het causaal verband tussen de werkzaamheden en de gezondheidsklachten. Het hof bevestigt dit oordeel. Hoewel de werknemer stelt dat hij schade heeft geleden, heeft hij onvoldoende concreet gemaakt welke schade dit betreft, met name omdat hij geen raming of onderbouwing gaf van de gemiste inkomsten uit zzp-timmerwerk.

Het hof overweegt dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro het verband tussen de werkzaamheden en de gezondheidsklachten aannemelijk moet zijn. Het enkele medische bewijs toont wel rugklachten, maar niet dat deze door het werk zijn veroorzaakt. Gezien de mogelijke andere oorzaken en het ontbreken van een duidelijke relatie, is het verband te onzeker.

Daarom wordt het hoger beroep verworpen, het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en de werknemer veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de werkgever niet aansprakelijk is voor de rughernia van de werknemer.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.166/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10607960 RL EXPL 23-11314
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats ] ,
appellant,
advocaat: mr. O. Albayrak, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
Glashandel Van Es B.V.,
gevestigd in Rijswijk ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S. Demirci, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Glashandel Van Es .

1.De zaak in het kort

1.1
Werknemer stelt dat hij tijdens zijn werkzaamheden als glaszetter te zware glasplaten alleen heeft moeten tillen als gevolg waarvan hij een rughernia heeft opgelopen. Hij vordert daarom een verklaring voor recht dat zijn werkgever aansprakelijk is voor de daardoor door hem geleden schade. Die schade zou in een andere procedure nog nader moeten worden vastgesteld.
1.2
Het hof oordeelt, net als de kantonrechter, dat de vorderingen van de werknemer moeten worden afgewezen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 9 april 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 10 januari 2024;
  • de memorie van grieven van [appellant] ;
  • de memorie van antwoord van Glashandel Van Es , met bijlage.
2.2
Op 7 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 2 augustus 2021 is [appellant] bij Glashandel Van Es in dienst getreden in de functie van leerling glaszetter.
3.2
Binnen de organisatie van Glashandel Van Es is een Bedrijfsinterne Regeling (de VGM-beleidsverklaring) van toepassing waarin, voor zover relevant, het volgende staat opgenomen:
‘(…) De voornaamste VGM-doelstellingen van ons bedrijf zijn het waarborgen van de veiligheid en gezondheid van onze vaste en tijdelijke werknemers en van derden, alsmede het naleven van de milieuwetgeving. Ons beleid is er dan ook op gericht om persoonlijk letsel, materiele schade en milieuschade te voorkomen. Wij baseren ons beleid op een periodiek uit te voeren inventarisatie en evaluatie van in ons bedrijf voorkomende risico's.
(...)
Wij verspreiden ons beleid binnen onze organisatie op de volgende manieren:
• Mondeling, bij indiensttreding nieuwe werknemer
• Mondeling, bij regelmatig te voeren VGM-overleg (zoals toolbox-meetings)
• Schriftelijk, door opname in onze Bedrijfsinterne regeling (BIR)
(...)
Juiste tilhouding
Zorg dal je altijd stevig staat en je evenwicht bewaart, reik niet te ver
Til altijd met een rechte rug en gebogen benen
Draai vanuit de voeten (niet vanuit de heup)
Gebruik hulpmiddelen (heftruck, kolomkraan. glaskar, etc.)
Til niet meer dan 25 kg per persoon
Til vanaf 50 kg altijd met vier personen (niet meer dan twee ruiten per dag)’
3.3
Op 26 april 2021 en 14 juni 2021 hebben bij Glashandel Van Es toolboxmeetings plaatsgevonden, waarbij [appellant] aanwezig was.
3.4
Op 17 september 2021 heeft [appellant] ter uitoefening van zijn werk samen met twee collega’s werkzaamheden verricht in een pand te Delft.
3.5
Op 20 september 2021 heeft [appellant] zich door middel van een Whatsapp-bericht ziekgemeld bij Glashandel Van Es .
3.6
Op 2 november 2021 is door de bedrijfsarts ten behoeve van het UWV met betrekking tot [appellant] een probleemanalyse opgesteld waarin, voor zover relevant, het volgende staat vermeld:
‘(…)
5.3
Reden(en) van verzuim
 Niet werkgerelateerd
 Werkgerelateerd
 Beroepsziekte
 Anders, mogelijk’
3.7
Bij e-mail van 18 augustus 2022 heeft [appellant] aan Glashandel Van Es een aansprakelijkstelling verstuurd, waarbij Glashandel Van Es werd verzocht om haar aansprakelijkheid voor de door [appellant] geleden (letsel)schade te erkennen.
3.8
Op 21 april 2023 is een periodieke evaluatie afgegeven door de praktijk ondersteuner bedrijfsarts van ArboNed BV waarin, voor zover relevant, het volgende staat:
‘(...)
Het verwachte doel
Volledige terugkeer in eigen werk, verwachting per eind mei 2023.’
3.9
In oktober 2024 is [appellant] nog steeds in dienst bij Glashandel Van Es en bevindt hij zich in het tweede spoor traject van zijn re-integratie. Per 15 maart 2025 is [appellant] weer volledig aan het werk als glaszetter bij Glashandel Van Es . Het salaris van [appellant] is tijdens zijn gehele ziekteperiode volledig doorbetaald.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellant] heeft Glashandel Van Eiseres gedagvaard en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat Glashandel Van Es aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en te lijden schade als gevolg van het arbeidsongeval van 28 september 2021;
II. veroordeling van Glashandel Van Es tot vergoeding van de schade van [appellant] die is ontstaan als gevolg van het arbeidsongeval, nader op te maken bij staat;
III. veroordeling van Glashandel Van Es in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
4.2
[appellant] heeft aan deze vordering het navolgende ten grondslag gelegd. Bij de werkzaamheden op de locatie in Delft, kreeg [appellant] de taak toebedeeld om alleen een aanzienlijk aantal glasplaten naar de eerste en tweede verdiepingen van het pand te tillen, om vervolgens de oude glasplaten mee naar beneden te nemen. Door deze tilwerkzaamheden heeft [appellant] zodanige rugklachten (discushernia) opgelopen dat hij niet meer in staat was om te werken. [appellant] houdt Glashandel Van Es aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg van dit letsel heeft geleden en nog zal lijden. Glashandel Van Es heeft namelijk haar zorgplicht als werkgever geschonden door [appellant] alleen en zonder hulpmiddelen een groot aantal (te) zware glasplaten te laten tillen.
4.3
Glashandel Van Es heeft gemotiveerd betwist dat [appellant] werkzaamheden heeft moeten verrichten die schade aan zijn gezondheid konden veroorzaken. Daarnaast heeft Glashandel Van Es betwist dat [appellant] schade heeft geleden, dat er een causaal verband bestaat en dat zij haar zorgplicht zou hebben geschonden.
4.4
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Hiertoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen.
4.4.1
[appellant] heeft onvoldoende aangetoond dat de klachten die hij heeft, zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden bij Glashandel Van Es , zodat het verband tussen de schade en de gevaarlijke omstandigheden te onzeker en te onbepaald is.
De conclusie is dat de omkeringsregel niet van toepassing is en op [appellant] de volledige bewijslast rust van zijn stelling dat zijn rugklachten in de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn ontstaan. Voor het causaal verband tussen de rugklachten en de werkzaamheden is door [appellant] echter onvoldoende gesteld.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert dat het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigt en alsnog zijn vorderingen toewijst, met veroordeling van Glashandel Van Es in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
5.2
Kort gezegd zien de grieven van [appellant] op het volgende.
5.2.1
Ten onrechte heeft kantonrechter geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft aangetoond dat zijn gezondheidsklachten (rughernia) zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden bij Glashandel Van Es , waardoor ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de omkeringsregel. [appellant] is blootgesteld aan gevaarlijke omstandigheden en hij heeft hierdoor schade opgelopen. Het oorzakelijk verband moet dan ook worden aangenomen. Glashandel Van Es heeft vervolgens de bewijslast.
5.2.2
[appellant] is ten onrechte in de proceskosten veroordeeld.
5.3
Glashandel Van Es heeft de grieven van [appellant] bestreden en daarbij het volgende aangevoerd:
5.3.1
Er bestaan grote twijfels bij het verhaal van [appellant] . Er is destijds nooit iets gemeld. Het verhaal is tegenstrijdig en onbetrouwbaar.
5.3.2
[appellant] dient eerst aan te tonen dat hij schade heeft geleden als gevolg van de werkzaamheden. Dat heeft hij niet gedaan zodat aan de omkeringsregel niet wordt toegekomen. Hij heeft tijdens zijn ziekte altijd zijn salaris voor 100% doorbetaald gekregen en is inmiddels volledig hersteld.
5.3.3
Daarnaast is [appellant] niet blootgesteld aan gevaarlijke omstandigheden; er heeft geen bedrijfsongeval plaatsgevonden. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er een relatie (causaal verband) is tussen de rugklachten en de werkomstandigheden.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
[appellant] vordert dat voor recht wordt verklaard dat Glashandel Van Es aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden in de uitoefening van zijn werk als glaszetter en dat deze schade nader bij staat moet worden opgemaakt.
6.2
Artikel 612 Rv Pro voorziet in de mogelijkheid te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat als een begroting van de schade niet mogelijk is. Hiervoor is nodig dat [appellant] feiten stelt waaruit aannemelijk wordt dat mogelijk schade is geleden, dat er sprake is van aansprakelijkheid en dat er een causaal verband bestaat.
6.3
Hieruit volgt dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure de mogelijkheid van schade aannemelijk moet zijn. Dit houdt in dat [appellant] in deze procedure een toereikende onderbouwing moet geven waaruit naar ervaringsregels volgt dat waarschijnlijk (enige) schade zal zijn of worden geleden. Hoewel daarmee de lat voor de stelplicht relatief laag ligt, moet wel blijken van enige schade. Een vordering tot verwijzing naar de schadestaat moet namelijk worden afgewezen als de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is geworden.
6.4
Vast staat dat [appellant] ter zake zijn werk als glaszetter bij Glashandel Van Es geen inkomensschade heeft geleden, omdat Glashandel Van Es onbetwist heeft gesteld dat zij [appellant] gedurende de gehele tijd van zijn arbeidsongeschiktheid 100% heeft doorbetaald en [appellant] inmiddels weer volledig aan het werk is. Of [appellant] andere schade heeft geleden, is door hem niet gesteld dan wel onderbouwd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het hof aan de advocaat van [appellant] gevraagd naar de schade. De advocaat heeft toen aangevoerd dat [appellant] naast zijn werk voor Glashandel Van Es ook timmerwerkzaamheden verrichtte als zzp’er en dat hij deze inkomsten is misgelopen door het arbeidsongeval. Enige raming van de omvang van deze schade kon (de advocaat van) [appellant] echter niet geven. De schade zou niet ‘extreem hoog’ zijn. Voor het overige verwees de advocaat van [appellant] naar randnummer 12. van de dagvaarding in eerste aanleg. Hierin staat slechts dat Glashandel Van Es op grond van artikel 7:685 lid 2 BW Pro aansprakelijk is voor de (letsel)schade die [appellant] heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van het tillen van de glasplaten en dat de omvang van die schade nog niet vaststaat.
6.5
Het hof is van oordeel dat [appellant] hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij enige schade heeft geleden. Op dit punt had (inmiddels) meer van [appellant] verwacht mogen worden. Glashandel Van Es heeft steeds betwist dat [appellant] schade heeft geleden. Pas ter zitting in hoger beroep en ook pas nadat daarnaar is gevraagd, heeft [appellant] (voor het eerst) aangevoerd dat hij inkomsten uit timmerwerkzaamheden is misgelopen. Gelet op het tijdsverloop had inmiddels wel enige concretisering van de schade van [appellant] op dit punt verwacht mogen worden, minst genomen door inzicht te geven in de omvang van de timmerwerkzaamheden verricht in de periode voor 17 september 2021. [appellant] heeft ook niet gesteld en evenmin is gebleken dat dit niet mogelijk was. Er is bij gebrek aan enige concretisering ten aanzien van schade dan ook onvoldoende aanleiding om te kunnen veronderstellen dat er enige schade is geleden.
6.6
Daarnaast is het volgende van belang. [appellant] stelt dat Glashandel Van Es op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro aansprakelijk is. Het is dan aan [appellant] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het door [appellant] te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade moet in beginsel worden aangenomen indien Glashandel Van Es heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat [appellant] niet alleen stelt, en zo nodig bewijst, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.
6.7
De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat, als de zojuist genoemde feiten komen vast te staan, de gezondheidsschade van een werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is over de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. [1]
6.8
Het hof is van oordeel dat gelet op dit beoordelingskader het door [appellant] gestelde verband tussen het tillen van de glasplaten en zijn rugklachten te onzeker is. Uit het enige door hem overgelegde (medische) stuk van de radioloog die [appellant] op 15 februari 2022 heeft onderzocht, blijkt weliswaar dat [appellant] rugklachten (discushernia) heeft, maar niet dat dit mogelijk is veroorzaakt door het tillen van de (te zware) glasplaten tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden een half jaar eerder. Dat meer dan dat nodig is, geldt vooral nu rugklachten (hernia) ook heel goed verschillende en/of meerdere oorzaken kunnen hebben, ook als er sprake is van een blanco medische voorgeschiedenis. Een behoorlijke mate van waarschijnlijkheid dat de rugklachten van [appellant] zijn veroorzaakt door het tillen van de glasplaten kan dan ook niet worden vastgesteld.
6.9
Dit alles betekent dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om aansprakelijkheid van Glashandel Van Es aan te kunnen nemen en geen verwijzing naar de schadestaatprocedure kan volgen. Dit betekent ook dat de vorderingen door de kantonrechter terecht zijn afgewezen en de grieven van [appellant] falen.
Conclusie en proceskosten
6.1
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.11
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Glashandel Van Es op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.556,-

7.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 10 januari 2024;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Glashandel Van Es begroot op € 3.556,- ;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Verkerk, mr. E.I. Mentink en prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:536.