Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:247

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
200.353.953/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:628 lid 1 BWArt. 7:668a lid 1 BWArt. 7:668a lid 1 sub b BWArt. 7:670b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en loonbetaling na beëindiging

De werknemer werkte sinds april 2021 bij Fooditive op basis van verschillende stage- en arbeidsovereenkomsten. De kern van het geschil betrof de vraag of de arbeidsovereenkomst vanaf 1 juli 2024 voor onbepaalde tijd was en tot wanneer Fooditive loon verschuldigd was.

Het hof stelde vast dat de eerste arbeidsovereenkomst was verlengd, waardoor een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was ontstaan die als onbepaalde tijd geldt volgens de ketenregeling. De werknemer had niet ondubbelzinnig opgezegd op 16 juli 2024, zodat de arbeidsovereenkomst niet eerder eindigde. De kantonrechter had ten onrechte geoordeeld dat de werknemer na 17 december 2024 geen aanspraak meer had op loon.

Fooditive had betoogd dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd door opzegging of onderlinge overeenstemming, maar het hof vond onvoldoende bewijs voor een geldige opzegging of vaststellingsovereenkomst. Ook het beroep op buitengerechtelijke ontbinding wegens bedrog werd buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening.

Het hof vernietigde het deel van de beschikking dat het loon tot 17 december 2024 toekende en veroordeelde Fooditive tot betaling van loon, vakantiedagen en vakantiegeld tot 1 februari 2025. Tevens werden proceskosten aan Fooditive opgelegd. De overige onderdelen van de beschikking werden bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof veroordeelt Fooditive tot betaling van loon en vakantiegeld tot 1 februari 2025 en vernietigt het deel van de beschikking dat loon toekende tot 17 december 2024.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.353.953/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11382278 VZ VERZ 24-9332
Beschikking van 24 februari 2026
in de zaak van
Fooditive B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H.T. Kernkamp, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats],
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.W.E. Horstman, kantoorhoudend in Alphen aan den Rijn.
Het hof noemt partijen hierna Fooditive en [verweerder].

1.De zaak in het kort

1.1
Werknemer stelt dat hij voor onbepaalde tijd in dienst is omdat zijn eerste arbeidsovereenkomst was verlengd, waardoor een tweede arbeidsovereenkomst is ontstaan en in totaal met hem vier arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn aangegaan. Hij verzoekt om doorbetaling van loon. Werkgever stelt dat de eerste arbeidsovereenkomst niet is verlengd maar later is ingegaan. Er is volgens werkgever slechts sprake van een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die is geëindigd van rechtswege of door opzegging door werknemer.
1.2
Het hof oordeelt net als de kantonrechter dat de eerste arbeidsovereenkomst is verlengd. Hierdoor is nadien een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, die heeft te gelden als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De opmerking van werknemer ter zitting bij de kantonrechter dat hij door alle emotie niet meer bij werkgever wil werken, valt niet aan te merken als het moment waarop het niet verrichten van de arbeid voor rekening en risico van werknemer zou komen en hij geen aanspraak op loon meer zou hebben. Op dat punt vernietigt het hof de beschikking van de kantonrechter.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 17 april 2025, is Fooditive in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) van 21 januari 2025.
[verweerder] heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bijlagen, ingediend. Fooditive heeft hierop gereageerd bij verweerschrift in incidenteel appel. Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft Fooditive nog een productie 11 en [verweerder] nog een productie 30 toegezonden.
2.2
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de enkelvoudige mondelinge behandeling op 25 november 2025. Mr. Horstman heeft daartoe een pleitnota overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gezonden en ter beschikking is gesteld aan (de overige leden van) de meervoudige kamer. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[verweerder] heeft sinds 26 april 2021 bij Fooditive gewerkt in verschillende functies, zowel op basis van arbeidsovereenkomsten als stageovereenkomsten.
3.2
Van 26 april 2021 tot en met 12 november 2021 heeft [verweerder] werkzaamheden verricht op basis van een stageovereenkomst.
3.3
Voor de periode van 1 december 2021 tot en met 30 november 2022 is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Deze arbeidsovereenkomst is niet ondertekend.
3.4
Bij e-mail van 30 november 2022 heeft [verweerder] aan [naam] (hierna: [naam]) van Fooditive geschreven dat zijn huidige contract was afgelopen en heeft hij gevraagd om een contract per 1 december 2022. [naam] heeft hierop geantwoord dat hij met genoegen een nieuw contract met salarisverhoging aanbiedt en deze op korte termijn zal worden toegezonden.
3.5
De externe boekhouder van Fooditive heeft [verweerder] op 1 december 2022 geschreven:

Your contract has a little miscommunication. You started 01-02-2022 and the contract is for 12 months. So in my administration your contract expires on 31-01-2023. So in december 2022 and januari 2023 I make your payslip. Just talk to [naam] [[naam]] about this. (…) So I hope you get a new contract soon, but it is not up to me. When you got a new (singed) contract just mail it to me.
3.6
Van 8 februari 2023 tot en met 30 juni 2023 heeft [verweerder] werkzaamheden verricht voor Fooditive op basis van een stageovereenkomst.
3.7
Van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 heeft [verweerder] voor Fooditive werkzaamheden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst.
3.8
Fooditive heeft op 14 juni 2024 aan [verweerder] geschreven dat zijn arbeidsovereenkomst niet werd verlengd ‘met nogmaals een jaar', en daarbij vermeld dat Fooditive het contract niet wil verlengen onder dezelfde voorwaarden, maar wel een arbeidsovereenkomst op uurbasis voor 32 uur per week zou kunnen aanbieden voor de maanden juli en augustus 2024. In deze periode zou [verweerder] op zoek kunnen gaan naar een passende andere baan, of zou er misschien een nieuw contract bij Fooditive kunnen volgen als hij alle aangegeven punten zou verbeteren. Partijen hebben vervolgens ook daadwerkelijk gepraat over een nieuw contract. Hoewel dat niet tot overeenstemming heeft geleid, heeft [verweerder] nog tot 16 juli 2024 bij Fooditive gewerkt.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
Bij verzoekschrift van 31 oktober 2024 heeft [verweerder] de kantonrechter verzocht om - kort gezegd - Fooditive te veroordelen tot betaling van achterstallig vakantiegeld over juni 2024, (achterstallig) loon over de periode 11 juli 2024 tot en met 30 augustus 2024, een vergoeding voor openstaande vakantiedagen, een onkostenvergoeding van € 709,67, de aanzegvergoeding van art. 7:668 lid 3 BW Pro, de transitievergoeding, wettelijke rente en wettelijke verhoging en de (buitengerechtelijke) proceskosten.
4.2
Fooditive zich verweerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [verweerder].
4.3
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:
 voor recht verklaard dat tussen de partijen op 1 juli 2024 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen;
 Fooditive veroordeeld tot betaling van loon van 11 juli 2024 tot 17 december 2024, met wettelijke rente en wettelijke verhoging, en € 709,67 aan onkostenvergoeding, met wettelijke rente, en € 462,50 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.036,00 aan proceskosten.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
Fooditive verzoekt het hof in principaal hoger beroep - zakelijk weergegeven - de beschikking te vernietigen, het verzoek van [verweerder] alsnog af te wijzen en hem te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Fooditive ter uitvoering van de beschikking aan hem heeft betaald, met wettelijke rente, en in de kosten van beide instanties.
5.2
[verweerder] verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep de beschikking gedeeltelijk te vernietigen ten aanzien van rov. 2.4 en 2.10 en:
i. te bepalen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geëindigd per 1 februari 2025;
ii. Fooditive te veroordelen tot betaling van loon van € 18.595,61 bruto over de periode 11 juli 2024 tot en met 31 januari 2025, met wettelijke rente en de wettelijke verhoging;
iii. Fooditive te veroordelen tot betaling van tot 1 februari 2025 opgebouwde vakantiedagen (27) van in totaal € 5.032,83 bruto, met wettelijke rente en wettelijke verhoging;
iv. Fooditive te veroordelen tot betaling van tot 1 februari 2025 opgebouwd vakantiegeld van € 1.362,08 bruto, met wettelijke rente en wettelijke verhoging;
v. Fooditive te veroordelen in de kosten van deze procedure.
5.3
Fooditive heeft op haar beurt geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele verzoeken met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het incidentele beroep.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Fooditive heeft zeven grieven tegen de beschikking aangevoerd. Grief 1 richt zich tegen het oordeel dat na 1 juli 2024 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat [verweerder] geen ontslag heeft genomen (grief 2) en dat er geen vervaltermijn geldt (grief 3). De vervaltermijn geldt in elk geval voor de opzegging van 23 juli 2024 door Fooditive. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de overeenkomst niet door onderlinge overeenstemming is geëindigd (grief 4). De loonvordering had niet tot 17 december 2024 moeten worden toegewezen omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 16 of 17 juli 2024, dan wel per de overeengekomen einddatum van 31 augustus 2024 (grief 5). Ten onrechte is de maximale wettelijke verhoging (grief 6) en een bedrag aan onkosten (grief 7) toegewezen.
6.2
[verweerder] heeft twee grieven in incidenteel beroep aangevoerd. De aanvangsdatum van de tweede stage was 8 februari 2023 in plaats van 7 februari 2023 (grief 1). Verder heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat de loonvordering slechts toewijsbaar is tot 17 december 2024 en dat het niet verrichten van de arbeid vanaf die datum in redelijkheid voor rekening van [verweerder] moet komen (grief 2). [verweerder] maakt daarom aanspraak op loon tot 1 februari 2025, de datum waartegen hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
6.3
Met indiening van productie 11 – het verzoek van Fooditive aan de examencommissie van de Haagse Hogeschool tot herziening en intrekking van het getuigschrift van [verweerder] wegens plagiaat en bedrieglijke misleiding van 6 november 2025 – heeft Fooditive betoogd dat vanwege deze omstandigheid Fooditive de arbeidsovereenkomst wegens bedrog buitengerechtelijk ontbindt, met onmiddellijk terugwerkend effect, en dat dit een feit is dat in de procedure moet worden meegenomen.
6.4
[verweerder] heeft betoogd dat de indiening van productie 11, ingekomen bij het hof op 19 november 2025, en het beroep op buitengerechtelijke ontbinding te laat is gedaan en in strijd is met de twee conclusieregel en met een goede procesorde. Het hof is van oordeel dat het beroep op buitengerechtelijke ontbinding, dat korter dan slechts een week voor de mondeling behandeling is gedaan, een nieuwe stelling/grief betreft die Fooditive op grond van de in beginsel strenge twee conclusieregel uiterlijk bij memorie van grieven had moeten aanvoeren. Het verzoek aan de examencommissie omvat bovendien meer dan 65 pagina’s en hier heeft [verweerder] zich in redelijkheid niet tegen kunnen verweren. Bedrog of plagiaat is ook niet door de examencommissie vastgesteld. Productie 11 wordt daarom buiten beschouwing gelaten, evenals het beroep op buitengerechtelijke ontbinding.
Overeenkomst voor onbepaalde tijd per 1 juli 2024
6.5
[verweerder] stelt zich op het standpunt dat vanaf 1 juli 2024 tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Volgens [verweerder] zijn tussen hem en Fooditive de volgende overeenkomsten tot stand gekomen.
Stage 26 april 2021 tot en met 12 november 2021
Schakel 1 1 december 2021 tot en met 30 november 2022 (arbeidsovereenkomst bepaalde tijd)
Schakel 2 1 december 2022 tot en met 7 februari 2023 (arbeidsovereenkomst bepaalde tijd)
Stage 8 februari 2023 tot en met 30 juni 2023
Schakel 3 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 (arbeidsovereenkomst bepaalde tijd)
Schakel 4 1 juli 2024 tot en met 31 januari 2025 (= onbepaalde tijd)
6.6
[verweerder] heeft ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op de schriftelijke arbeidsovereenkomst voor de periode 1 december 2021 tot en met 30 november 2022. Ook heeft hij twee bankafschriften overgelegd. Hieruit blijkt dat hij op 20 december 2021 een bedrag van € 1.340,- van Fooditive BV heeft ontvangen met als omschrijving “last internship fee” en op 25 januari 2022 een bedrag van € 1.350,- van Fooditive BV met als omschrijving “01-2022 en Bonus OF SALARISVERHOGING”. Deze bedragen corresponderen met het bedrag dat hij op basis van de eerste arbeidsovereenkomst aan loon per maand kreeg (€ 1.500,- bruto) en niet met de stagevergoeding van € 300,- bruto die hij tijdens de eerste stageovereenkomst per maand ontving of de stagevergoeding van € 700,- bruto die hij tijdens de tweede stageovereenkomst per maand ontving.
6.7
Fooditive stelt zich op het standpunt dat geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Volgens Fooditive zijn tussen haar en [verweerder] de volgende overeenkomsten tot stand gekomen:
Stage 26 april 2021 tot en met 12 november 2021, verlengd tot 1 februari 2022
Schakel 1 1 februari 2022 tot en met 31 januari 2023 (bepaalde tijd)
Stage 1 februari 2023 tot en met 30 juni 2023
Schakel 2 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 (bepaalde tijd)
Schakel 3 1 juli 2024 tot en met juli/augustus 2024 (bepaalde tijd)
Er zijn slechts drie arbeidsovereenkomsten geweest. De schriftelijke arbeidsovereenkomst die was opgesteld voor de periode van een jaar, van 1 december 2021 tot en met 30 november 2022, is pas later ingegaan, namelijk per 1 februari 2022, en heeft daarom langer doorgelopen, namelijk tot en met 31 januari 2023. In de maanden december 2021 en januari 2022 was sprake van een verlenging van de eerdere stageovereenkomst. De externe boekhouder van Fooditive heeft deze gang van zaken in haar e-mail van 1 december 2021 bevestigd. Er zijn ook geen loonstroken over die twee maanden verstrekt. De betalingen in december 2021 en januari 2022 waren geen loonbetalingen maar een stagevergoeding, het was een betaling als blijk van waardering en deels ter overbrugging. Het was Kerst en het was een bonus, aldus Fooditive.
6.8
Het hof overweegt hierover als volgt. Het is aan [verweerder] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat al vanaf 1 december 2021 sprake was van een arbeidsovereenkomst in plaats van een stageovereenkomst tussen partijen. Daarbij komt het er mede op aan of het verrichten van de werkzaamheden in overwegende mate in het belang was van de opleiding die hij volgde, of dat het primaire doel van de arbeidsprestatie was verschoven naar een (actieve) bijdrage aan de verwezenlijking van het primaire doel van de onderneming.
6.9
[verweerder] heeft gewezen op de door Fooditive opgemaakte schriftelijke arbeidsovereenkomst die in zou gaan op 1 december 2021 tegen een salarisbetaling van € 1.500,- bruto per maand. Deze zou ingaan na afloop van zijn stage in het kader van zijn bacheloropleiding bij Fooditive en waarvoor de verdediging van zijn scriptie op 13 november 2021 had plaatsgevonden. [verweerder] heeft in de maanden december 2021 en januari 2022 (en ook daarna) arbeid voor Fooditive verricht. Er is toen niet aan [verweerder] bericht dat deze werkzaamheden plaatsvonden op grond van een verlenging van de schriftelijk aangegane stageovereenkomst die op 12 november 2022 zou eindigen. Tegenover het verrichten van arbeid in de maanden december 2021 en januari 2022 heeft [verweerder] in die maanden een beloning ontvangen voor zijn werkzaamheden. De hoogte daarvan (€ 1.340,- en € 1.350,- netto) wijst er veeleer op dat er sprake is van een loonbetaling in plaats van een stagevergoeding en daarmee ook dat het primaire doel van de overeenkomst was dat [verweerder] een bijdrage leverde aan het commerciële doel van de onderneming van Fooditive. [verweerder] heeft verder erop gewezen dat de stageovereenkomst een drie-partijen-overeenkomst voor bepaalde tijd was tussen de Hogeschool van Den Haag, Fooditive en [verweerder] en deze niet eenzijdig door Fooditive na 12 november 2021 verlengd kon worden. Bovendien had [verweerder] op 13 november 2021 zijn bacheloropleiding voltooid.
6.1
Fooditive heeft hier slechts tegenover gesteld de e-mail van de externe boekhouder van 1 december 2022, die schrijft dat de aanvangsdatum van de arbeidsovereenkomst eerder dat jaar is verschoven van 1 december
2021naar 1 februari 2022. Echter, dit maakt de boekhouder op uit de eigen administratie, zo schrijft zij. Niet is gesteld of gebleken dat zij hiervan kennis heeft op basis van de feitelijke gang van zaken (zie 3.5). Datzelfde geldt voor de loonstroken die zijn opgemaakt vanaf februari 2022, die 1 februari 2022 als datum van indiensttreding vermelden. Deze leveren dan ook geen overtuigend bewijs voor de door Fooditive gestelde gang van zaken. Gelet ook op de wisselende kwalificatie van Fooditive over de
aardvan de aan [verweerder] gedane betalingen in de maanden december 2021 en januari 2022 (last internship fee, bonus of salarisverhoging, blijk van waardering en deels ter overbrugging, het was Kerst, het was een bonus) en het ontbreken van een overtuigende uitleg over de
hoogtevan de twee, maandelijkse betalingen die hebben plaatsgevonden, die vele malen hoger was dan de maandelijkse stagevergoeding van € 300,- die [verweerder] daarvoor ontving, acht het hof alle elementen aanwezig voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW Pro. Er was sprake van het verrichten van (loonvormende) arbeid voor het realiseren van het primaire, commerciële doel van de vennootschap - niet langer met het oog op de opleiding van [verweerder] (die immers voor wat betreft zijn bacheloropleiding was voltooid), er werd loon betaald in plaats van een veel lagere stagevergoeding en er was (onbetwist) een gezagsrelatie tussen [verweerder] en Fooditive.
6.11
Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst die door beide partijen is aangeduid als schakel 1, is ingegaan op 1 december 2021. Deze is geëindigd op 30 november 2022 en daarna voortgezet gedurende in ieder geval de maanden december 2022 en januari 2023 tot aanvang van de stageovereenkomst per 8 februari 2023. Deze voortzetting voor de duur van (tenminste) twee maanden telt als de tweede arbeidsovereenkomst en daarmee als een tweede schakel in de zin van de ketenregeling van art. 7:668a BW. De volgende, derde arbeidsovereenkomst liep van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024. Deze is per 1 juli 2024 voortgezet voor de duur van twee maanden en vanaf dat moment gold deze vierde arbeidsovereenkomst ingevolge art. 7:668a lid 1, aanhef en sub b, BW als aangegaan voor onbepaalde tijd.
Einde arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd
6.12
Fooditive heeft zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is door opzegging door [verweerder] op 16 juli 2024. Partijen hadden die dag gesproken over de verdere invulling van het nul-uren-contract, maar daar geen overeenstemming over bereikt. [verweerder] heeft toen met zoveel woorden gezegd dat hij ontslag nam en heeft zijn spullen ingeleverd. Fooditive heeft dit ook bevestigd en hem in de e-mail van die dag geschreven: “
Following our conversation this morning with Nicolas and myself, you expressed that you do not wish to move forward with Fooditive. We respect your decision and will proceed accordingly. Given the circumstances, we would like to settle all outstanding matters. As agreed, we request the return of the salary provided for July, as it was advanced under the assumption of continued work which did not materialize.” [verweerder] is ook niet meer op de werkvloer teruggekeerd. De door [verweerder] ingeschakelde advocaat stelde zich in zijn brief van 6 augustus 2024 ook op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst beëindigd was.
6.13
Als [verweerder] niet zelf heeft opgezegd op 16 juli 2024, moet volgens Fooditive in elk geval de e-mail van 23 juli 2024 als een opzegging van de arbeidsovereenkomst door Fooditive worden beschouwd. In die e-mail heeft zij geschreven:
“(…) and we will be severing all ties with you. This is an official notification, not just a warning”. Het verzoekschrift met de vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] is niet binnen de wettelijke vervaltermijn van twee maanden na 16 juli 2024 of 23 juli 2024 bij de kantonrechter ingediend en moet ook daarom worden afgewezen, aldus Fooditive.
6.14
Het hof stelt voorop dat uit vaste rechtspraak blijkt dat de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist, die erop is gericht te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit is een strenge maatstaf en dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband kan hebben, zoals het verlies van aanspraak op een sociale zekerheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen rust op de werkgever onder omstandigheden een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.
6.15
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [verweerder] gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze blijkt ook niet uit de bevestigingsmail van 16 juli 2024 van Fooditive, waarin slechts staat dat [verweerder] gezegd zou hebben dat hij niet met Fooditive verder wilde gaan (“
you do not wish to move forward with Fooditive”). Zeker gelet op de gesprekken die nog na 16 juli 2024 liepen tussen [naam] en [verweerder] over een verbeterplan en voortzetting van de arbeidsovereenkomst, had het op de weg gelegen van Fooditive om te onderzoeken of [verweerder] de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk had opgezegd en zich realiseerde wat de consequenties waren voor onder andere zijn aanspraak op een WW-uitkering. Fooditive heeft onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is geweest. Dat [verweerder] op enig moment niet meer reageerde op de berichten van Fooditive acht het hof begrijpelijk, gelet op het feit dat zijn account per 16 juli 2024 was afgesloten en het dreigement op 23 juli 2024 dat [naam] de stagebegeleiders van [verweerder] zou informeren dat [verweerder] niet aan de vereisten van zijn afstudeerproject zou hebben voldaan en hem bovendien schreef “
you are the worst thing that happened to me”. Hier kan evenmin een bevestiging van een opzegging uit worden afgeleid. De sommatiebrief van de gemachtigde van [verweerder] van 6 augustus 2024 leidt ook niet tot een andere conclusie. Uit die brief en de daaropvolgende correspondentie blijkt dat [verweerder] meende dat
Fooditivede arbeidsovereenkomst had beëindigd. Dit heeft Fooditive op haar beurt ontkend.
6.16
Dat de arbeidsovereenkomst door Fooditive bij e-mail van 23 juli 2024 was opgezegd, is een standpunt dat Fooditive pas in hoger beroep heeft ingenomen. Die e-mail hoefde [verweerder] in redelijkheid niet als een opzegging van de arbeidsovereenkomst op te vatten. De enkele mededeling “
we will be severing all ties with you” is daartoe onvoldoende.
6.17
Het voorgaande betekent dan ook dat noch vanaf 16/17 juli 2024, noch vanaf 23 juli 2024 een vervaltermijn in de zin van art. 7:686a BW is gaan lopen.
6.18
Evenmin is er overeenstemming bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW Pro, laat staan in de zin van art. 7:670b BW, dat bovendien vereist dat de vaststellingsovereenkomst schriftelijk moet worden aangegaan. Uit de e-mail van 23 september 2024 van de gemachtigde van [verweerder] blijkt ondubbelzinnig dat de verzochte nabetaling onvoldoende was en ook over de overige openstaande punten geen overeenstemming was bereikt. De grief van Fooditive dat door het opstellen van een (nog altijd betwiste) eindafrekening overeenstemming is bereikt over een vaststellingsovereenkomst, wordt dan ook verworpen.
6.19
[verweerder] stelt zich in incidenteel hoger beroep op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst ook na de beschikking van 21 januari 2025 is voortgezet en pas is geëindigd doordat hij de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2025 heeft opgezegd. Fooditive is daarom loon en vakantiegeld verschuldigd tot deze datum en dient zorg te dragen voor uitbetaling van 27 opgebouwde vakantiedagen per die datum, aldus [verweerder].
6.2
[verweerder] heeft gelijk. De kantonrechter heeft in de beschikking onder 2.10 overwogen dat het tot 17 december 2024 voor rekening en risico van Fooditive komt dat [verweerder] niet heeft gewerkt (art. 7:628 lid 1 BW Pro). Fooditive heeft hier geen grief tegen gericht. Grief 5 betoogt slechts dat de arbeidsovereenkomst eerder is geëindigd. In zoverre is de grief hierboven verworpen en staat in hoger beroep vast dat Fooditive het loon c.a. van 11 juli 2024 tot 17 december 2024 moet voldoen.
6.21
Het hof is met [verweerder] van oordeel dat de kantonrechter de uitlating van [verweerder] ter zitting van 17 december 2024 “door alle emotie wil ik eigenlijk toch niet meer bij Fooditive werken” niet had mogen aanmerken als het omslagpunt voor de loonbetalingsplicht, zulks in afwijking van de hoofdregel van art 7:628 BW Pro (‘geen arbeid, wel loon’). Uit de uitlating zelf blijkt al dat [verweerder] deze vanuit een emotionele toestand heeft gedaan, en niet is gebleken is dat de kantonrechter zijn voorgestane juridische consequentie met [verweerder] en zijn gemachtigde heeft besproken, laat staan dat hij geverifieerd heeft of [verweerder] hiermee zijn aanspraak op loon wilde prijsgeven. Fooditive is daarom ook na 17 december 2024 verschuldigd het loon aan [verweerder] te betalen tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde is gekomen. De door Fooditive aangevoerde omstandigheden ([verweerder] heeft een bijbaan bij Praxis, hij wist dat hij moest gaan solliciteren, Fooditive kan zich geen loonbetalingen veroorloven als er niet wordt gewerkt), heeft [verweerder] weersproken, heeft Fooditive verder niet nader onderbouwd, en leiden daarom niet tot een ander oordeel.
6.22
[verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst kort na ontvangst van de beschikking opgezegd tegen 1 februari 2025. Tot die datum is Fooditive loon en vakantiegeld verschuldigd, als ook vergoeding van de per die datum nog opgebouwde en nog openstaande vakantiedagen. De hoogte van het loon en vakantiegeld en het aantal vakantiedagen heeft Fooditive niet inhoudelijk weersproken en wordt daarom toegewezen zoals verzocht.
6.23
Het hof wijst het beroep van Fooditive op matiging van de wettelijke verhoging af. Van de gestelde financiële problemen van Fooditive heeft ook in hoger beroep geen onderbouwing plaatsgevonden. Ook in de handelwijze van Fooditive ziet het hof geen reden voor matiging. Fooditive heeft zich ten onrechte beroepen op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, de loonbetaling stopgezet en zich intimiderend jegens [verweerder] opgesteld, onder andere door (te dreigen met) een beroep op bedrog en plagiaat van zijn afstudeerproject bij de Haagse Hogeschool.
6.24
Fooditive is ook gehouden de onkosten te vergoeden die [verweerder] heeft gemaakt, bestaande uit reiskosten van circa € 130,- per maand, aanschaf van kantoorartikelen en postverzending. Deze kosten acht het hof voldoende gespecifieerd/toegelicht en in redelijkheid gemaakt. Fooditive heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat deze kosten gebruikelijk konden worden gedeclareerd.
Conclusie en proceskosten
6.25
De conclusie is dat de door Fooditive aangevoerde grieven falen en haar hoger beroep doel mist. De incidentele grief van [verweerder] dat de stageovereenkomst is ingegaan per 8 februari 2023 in plaats van 7 februari 2023, is door Fooditive niet bestreden. De juistheid van die stelling blijkt uit de schriftelijke stageovereenkomst. Het hof heeft daarom bij de feitenvaststelling (onder 3.8) 8 februari 2023 als aanvangsdatum van de stageovereenkomst vermeld. Het incidentele beroep van [verweerder] slaagt voor wat betreft de grief die gericht is tegen de einddatum (17 december 2024) in het dictum onder 3.2. Daarom zal het hof de beschikking in zoverre vernietigen en opnieuw recht doen. Voor het overige zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal ook de hierboven onder 5.2, sub i, iii en iv, genoemde verzoeken van [verweerder] toewijzen. Fooditive zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep.
6.26
De proceskosten in principaal hoger beroep worden begroot op:
griffierecht € 373,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II a € 1.290,- per punt)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 3.142,-
6.27
De proceskosten in incidenteel hoger beroep worden begroot op een half punt x tarief II = € 645,-
6.28
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2025, voor zover daarbij Fooditive is veroordeeld om aan [verweerder] het loon te betalen van 11 juli 2024 tot 17 december 2024,

en in zoverre opnieuw rechtdoende

  • veroordeelt Fooditive om aan [verweerder] het achterstallig loon te betalen over de periode van 11 juli 2024 tot 1 februari 2025;
  • bekrachtigt de beschikking voor het overige;
  • bepaalt dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geëindigd op 1 februari 2025;
  • veroordeelt Fooditive om aan [verweerder] te betalen de tot 1 februari 2025 opgebouwde en openstaande vakantiedagen (27) van € 5.032,83 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid en de wettelijke verhoging van 50%;
  • veroordeelt Fooditive om aan [verweerder] te betalen het tot 1 februari 2025 opgebouwde vakantiegeld van € 1.362,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid en de wettelijke verhoging van 50%;
  • veroordeelt Fooditive in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 3.142,-;
  • veroordeelt Fooditive in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 645,-;
  • bepaalt dat als Fooditive niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Fooditive de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.D. Ruizeveld, H.J. van Kooten en P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.