ECLI:NL:GHDHA:2026:2471

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.138.949/02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:100 BWArt. 6:101 BWArt. 6:233 BWArt. 7A:1576e lid 2 BWArt. 6:88 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging oneerlijk beding in effectenleaseovereenkomst en gevolgen betalingsverplichting

De zaak betreft een hoger beroep van een consument tegen Dexia Nederland B.V. over twintig effectenleaseovereenkomsten afgesloten tussen 1994 en 2011. Dexia vorderde betaling van restschulden op basis van een model dat door de Hoge Raad was ontwikkeld. Het geschil spitste zich toe op de vraag of het beding in de bijzondere voorwaarden dat betaling van resterende termijnen bij vroegtijdige beëindiging voorschrijft, oneerlijk is.

Het hof stelde vast dat het beding in artikel 6 van Pro de bijzondere voorwaarden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen veroorzaakt ten nadele van de consument, zoals bevestigd door het HvJ EU in 2021. Dit beding is daarom vernietigd, maar de overige bepalingen, waaronder de contantmakingsregeling in artikel 15, blijven van kracht. Dexia kan geen aanspraak maken op toekomstige rentetermijnen die onder het vernietigde beding vielen.

De restschuld van de consument is dienovereenkomstig aangepast. Voordelen zoals dividend en fiscaal voordeel worden in mindering gebracht, waardoor Dexia geen schadevergoeding aan de consument hoeft te betalen. De consument mag de bedragen die Dexia hem verschuldigd is uit hoofde van vernietigde overeenkomsten verrekenen met zijn betalingsverplichting. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het beding tot betaling van resterende termijnen bij vroegtijdige beëindiging is vernietigd, de contantmakingsregeling blijft van kracht, en de consument mag bedragen uit vernietigde overeenkomsten verrekenen met zijn betalingsverplichting.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.138.949/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : 1150581 \ RL EXPL 12-7014
Arrest van 14 juli 2026
in de zaak van:
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam,
tegen
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam.

1.Het verdere procesverloop

1.1
Op 11 december 2018 heeft het hof in de onderhavige zaak een tussenarrest gewezen. Het hof heeft daarin bepaald dat de beslissing in de zaak wordt aangehouden, omdat in twee vergelijkbare zaken prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie EU (HvJ EU). In afwachting van de beantwoording van deze vragen door het HvJ EU heeft het hof de zaak ambtshalve doorgehaald.
1.2
Op verzoek van [appellant] is de zaak op de rolzitting van 19 september 2023 weer hervat, waarna Dexia een akte uitlaten jurisprudentie heeft genomen en [appellant] een antwoordakte. Vervolgens zijn de akten overgelegd en is arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1
Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan, volgt hierna eerst een overzicht van de procedure tot nu toe.
Aanleiding geschil en de procedure in eerste aanleg
2.2
[appellant] heeft in de periode van januari 1994 tot en met maart 2011 in totaal twintig effectenleaseovereenkomsten afgesloten met Dexia, waarvan er drie zijn verlengd. Het gaat om de navolgende overeenkomsten:
Nr.
Contractnr.
Datum
overeenkomst
Betaalde maandtermijnen/
Inleg
Datum eindafrekening
Resultaat bij beëindiging overeenkomst
1.
31830159
25-01-1994
€ 1401,17
16-03-1999
+ € 7182,83
2.
55550633
30-06-1995
€ 1824,00
30-06-2000
+ € 6148,52
3.
71604132
19-12-1995
€ 1815,12
19-12-2000
+ € 15012,74
4.
80000713
23-04-1996
€ 2284,87
23-04-2001
+ € 8731,64
5.
72007265
28-11-1996
€ 1815,12
11-12-2001
+ € 2352,36
6.
82000211
05-05-1997
€ 2257,82
06-05-2002
+ € 2171,94
7.
73010702/1
09-05-1997
€ 1369,99
09-05-2005
verlengd (zie 23)
8.
69000589
12-06-1997
€ 1846,07
14-06-2004
+ € 1923,31
9.
57006253
25-09-1997
€ 1650,03
25-09-2007
945,90
10.
74025357
03-03-1998
€ 4058,60
05-03-2001
+ € 2423,14
11.
74126747/1
21-12-1998
€ 907,56
21-12-2004
verlengd (zie 21)
12.
51300994/1
16-04-1999
€ 2445,48
18-04-2005
verlengd (zie 22)
13.
59104081
29-09-1999
vernietiging ingeroepen 1:88 BW
hof: vernietigd door eega
14.
74494397
08-09-2000
vernietigd 1:88 BW
pijen: minnelijk afgewikkeld
15.
74680584
13-09-2000
vernietigd 1:88 BW
pijen: minnelijk afgewikkeld
16.
38481443
18-09-2000
vernietiging ingeroepen 1:88 BW
hof: vernietigd door eega
17.
29480090
14-11-2000
vernietigd 1:88 BW
pijen: minnelijk afgewikkeld
18.
56181108
24-11-2000
2089,78
12-04-2005
­ € 4715,23
19.
75040895
05-03-2001
769,82
05-03-2004
­ € 1339,30
20.
29493480
05-03-2001
2190,96
05-03-2004
­ € 6752,33
21.
74126747/2
25-12-2001
914,61
21-12-2004
­ € 1224,27
22.
51300994/2
25-04-2002
1971,71
18-04-2005
­ € 4887,85
23.
73010702/2
25-05-2002
340,06
09-05-2005
+ € 619,77
2.3
Bij inleidende dagvaarding van 5 maart 2012 heeft Dexia een procedure aanhangig gemaakt tegen [appellant] en betaling gevorderd van de bedragen die [appellant] haar nog verschuldigd was uit hoofde van de geëindigde overeenkomsten, berekend conform het in 2009 door de Hoge Raad en hof Amsterdam ontwikkelde hofmodel. Na eiswijziging vorderde Dexia betaling van in totaal € 21.591,33, uit hoofde van de overeenkomsten 9, 11 (met verlenging 21, hierna gezamenlijk aangeduid als: overeenkomst 11⁺), 12 (met verlenging 22, hierna gezamenlijk aangeduid als: overeenkomst 12⁺), 13, 16, 18, 19, 20, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten. De kantonrechter van de rechtbank Den Haag wees bij eindvonnis van 10 juli 2013 de vorderingen van Dexia toe.
De stand van de procedure in hoger beroep tot aan de hervatting
2.4
[appellant] heeft op 4 december 2013 hoger beroep ingesteld tegen het door de kantonrechter gewezen tussen- en eindvonnis van respectievelijk 20 maart en 10 juli 2013.
-
vernietiging overeenkomsten (nrs. 13 t/m 17)
2.5
In de tussenarresten van 14 juli 2015, 13 december 2016 en 10 oktober 2017 heeft het hof in de eerste plaats het beroep op vernietiging door de echtgenote van [appellant] beoordeeld. Het hof stelde vast dat de echtgenote de overeenkomsten 14, 15 en 17 had vernietigd en Dexia dit had aanvaard en afgewikkeld, zodat deze overeenkomsten geen rol meer spelen in de onderhavige procedure. Tijdens de procedure oordeelde het hof dat ook de overeenkomsten 13 en 16 rechtsgeldig door de echtgenote waren vernietigd. Het hof wees het beroep op vernietiging af met betrekking tot de overeenkomsten 9, 18-20 en de (verlengde) overeenkomsten 7 (met verlenging 23; hierna gezamenlijk aangeduid als: overeenkomst 7
), 11⁺ en 12⁺ omdat de echtgenote de (verlengde) overeenkomsten mede had ondertekend. De winstgevende overeenkomsten (1-6 en 8) werden door de echtgenote niet vernietigd.
-
betalingsverplichting [appellant] versus schadevergoeding Dexia (nrs. 7⁺, 9, 10, 11⁺, 12⁺, 18-20)
2.6
Niet in geschil is dat de overeenkomsten 9, 11⁺, 12⁺ en 18-20 geresulteerd hebben in negatieve resultaten die [appellant] heeft geweigerd aan Dexia te betalen. Ook is niet in geschil dat de overeenkomsten 7
en 10 met een opbrengst waren geëindigd, maar gelet op de hoogte van de inleg toch per saldo verliesgevend waren.
2.7
Dexia heeft daarnaast erkend dat zij haar zorgplicht jegens [appellant] heeft geschonden en gehouden is tot vergoeding van zijn schade conform het zogenoemde hofmodel, waarbij rekening wordt gehouden met eigen schuld aan de zijde van [appellant] .
2.8
Bij arrest van 14 juli 2015 heeft het hof vastgesteld dat ten tijde van het afsluiten van overeenkomst 9 geen sprake was van een financieel onaanvaardbare last bij [appellant] in de zin van het hofmodel, maar wel bij het afsluiten van de overeenkomsten 11⁺, 12⁺ en 18-20. Dat betekent dat Dexia in geval van toepassing van het hofmodel uit hoofde van overeenkomst 9 twee derde deel van de restschuld als schade aan [appellant] moet vergoeden en uit hoofde van de andere overeenkomsten naast twee derde deel van de restschuld ook twee derde deel van de termijnen (rente, aflossing en kosten) als schade aan [appellant] moet vergoeden.
2.9
Dexia heeft verzocht om bij het vaststellen van de te vergoeden schade aan [appellant] rekening te houden met de door [appellant] genoten voordelen (voordeelstoerekening 6:100 BW). De voordelen bestaan uit (i) dividend en (fictief of daadwerkelijk genoten) fiscaal voordeel en (ii) batig saldo.
2.1
In het arrest van 14 juli 2015 heeft het hof als vaststaand aangenomen dat de overeenkomsten 1 tot en met 6 en 8 met een batig saldo zijn geëindigd en dat [appellant] op de overeenkomsten 7
en 10 een verlies heeft geleden van € 2.423,14, welk bedrag in mindering is gebracht op het batig saldo. Het hof heeft in lijn met de kantonrechter geoordeeld dat een batig saldo resteert van in totaal € 33.289,61, waarmee de schade van [appellant] verrekend mag worden.
2.11
In zijn arrest van 3 februari 2017 heeft de Hoge Raad de wijze van verrekening van het door afnemers genoten voordeel uiteengezet. [1] In het tussenarrest van 10 oktober 2017 heeft het hof partijen verzocht zich uit te laten over de gevolgen van deze uitspraak voor de vordering van Dexia op [appellant] .
2.12
In haar akte na tussenarrest van 7 november 2017 heeft Dexia haar vordering op [appellant] opnieuw berekend en overgelegd (productie 4). Volgens de berekening van Dexia is [appellant] haar uit hoofde van de overeenkomsten 9, 11⁺, 12⁺ en 18-20 nog een bedrag verschuldigd van € 19.829,64.
2.13
In de antwoordakte van 5 december 2017 heeft [appellant] verklaard akkoord te zijn met de door Dexia uitgevoerde berekening, met dien verstande dat volgens hem op het totale bedrag van € 19.829,64 een bedrag van € 2.659,03 in mindering moet worden gebracht. Volgens [appellant] is hij dit bedrag niet verschuldigd, omdat het bestaat uit in de eindafrekening bij overeenkomst 18 (Profit Effect, 56181108) opgenomen resterende termijnen en de Hoge Raad in zijn arrest van 21 april 2017 heeft geoordeeld dat het beding op grond waarvan Dexia deze termijnen in rekening heeft gebracht oneerlijk, en daarmee nietig is. [2] Het door Dexia te vorderen bedrag bedraagt daarom volgens [appellant] € 17.170,61, waarmee [appellant] de door hem betaalde bedragen van € 5.982,60 en € 2.722,80 vermeerderd met rente, ter zake van de vernietigde overeenkomsten 13 en 16 wenst te verrekenen.
2.14
Het hof heeft in het tussenarrest van 16 januari 2018 partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit punt en vervolgens bij tussenarrest van 11 december 2018 de zaak ambtshalve doorgehaald in afwachting van het antwoord op de door dit hof en het hof Amsterdam aan het HvJ EU gestelde prejudiciële vragen over dit onderwerp. [3]
2.15
Het HvJ EU heeft op 27 januari 2021 arrest gewezen, waarna de zaak op 19 september 2023 weer is hervat. [4]
De verdere beoordeling na hervatting
-
oneerlijk beding - resterende termijnen
2.16
Dexia heeft op 12 april 2005 de met [appellant] gesloten Profit-Effect overeenkomst (overeenkomst 18) vervroegd ontbonden vanwege een betalingsachterstand, overeenkomstig de artikelen 6 en 15 van de op de overeenkomst toepasselijke Bijzondere voorwaarden. Deze artikelen luiden voor zover relevant als volgt:
Artikel 6 Bijzondere Pro voorwaarden:
“6. Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst of enige andere soortgelijke leaseovereenkomst als de onderhavige overeenkomst (…), is de Bank gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke leaseovereenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(-men) uit hoofde van alle lopende leaseovereenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door de Bank te bepalen moment ter beurze of anderszins. De Bank zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door de Bank aan lessee worden uitbetaald.”
2.17
Artikel 15 Bijzondere Pro voorwaarden:
“15. De Bank verleent lessee een eerste pandrecht op de waarden als bedoeld in de Wge betreffende de in de overeenkomst genoemde waarden (…). Lessee doet nu reeds voor alsdan afstand van dit pandrecht voor geval dat de Bank tot verkoop van de waarden overgaat op grond van het bepaalde in artikel 6. In geval van ontbinding van de overeenkomst zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden op de datum van ontbinding verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A:1576e lid 2 BW.”
2.18
Dexia heeft met inachtneming van deze artikelen een eindafrekening opgesteld en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom opgeëist. Deze bestaat uit nog niet betaalde (rente)termijnen en teruggave van de geleende hoofdsom. Over beide bedragen heeft Dexia de in artikel 15 Bijzondere Pro voorwaarden genoemde kortingsregel toegepast van 5% per jaar (aangeduid als “contant maken”). Dat heeft ertoe geleid dat Dexia in de eindafrekening van overeenkomst 18 een bedrag van € 2.659 aan resterende (rente)termijnen in rekening heeft gebracht (67 termijnen x € 45,43 tegen 5% contantmaking) en een bedrag van € 3.302,91 (terugbetaling geleende hoofdsom tegen 5% contantmaking).
2.19
In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 6 Bijzondere Pro voorwaarden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt ten nadele van de consument. Dat komt doordat het beding geen rekening houdt met het voordeel dat Dexia geniet bij vroegtijdige beëindiging. Doordat Dexia na ontbinding het geleende bedrag eerder terug ontvangt dan overeengekomen, geniet zij het voordeel dat dit bedrag onmiddellijk opnieuw rentedragend is tegen het dan geldende percentage. Dit voordeel wordt door de kortingsregel van artikel 15 Bijzondere Pro voorwaarden slechts zeer beperkt gecompenseerd en kan, afhankelijk van de hoogte van de rente en het tijdstip waarop de beëindiging dan wel de ontbinding plaatsvindt, zeer aanzienlijk zijn en tot een hogere schadevergoeding leiden dan Dexia als gevolg van de ontbinding toekomt. Daardoor kan sprake zijn van een onevenredig hoge schadevergoeding. Naar het oordeel van de Hoge Raad is de rechter daarom gehouden het beding van artikel 6 Bijzondere Pro voorwaarden op grond van art. 6:233 BW Pro te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die rentetermijnen kan dus niet op grond van art. 6 Bijzondere Pro voorwaarden aanspraak worden gemaakt. [5]
2.2
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft zowel dit hof als hof Amsterdam in vergelijkbare zaken prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU (zie hiervoor onder 2.14). Hof Amsterdam stelde de vraag of een beding (al) als oneerlijk kan worden aangemerkt als dat beding rond de sluiting van de overeenkomst enkel de mogelijkheid in zich draagt dat, afhankelijk van de omstandigheden die zich gedurende de looptijd van de overeenkomst voordoen, dit beding aan de gebruiker een voordeel biedt doordat – zoals in dit geval – de gebruiker dat voordeel bij voorbaat heeft gefixeerd. Hof Den Haag legde de vraag voor of de gebruiker van een vernietigd beding dat strekte tot betaling van schadevergoeding, bij niet-nakoming door de consument, een beroep kan doen op de bij wege van aanvullend recht geldende wettelijke schadevergoeding.
2.21
In zijn uitspraak van 27 januari 2021 heeft het HvJ EU de vraag van hof Amsterdam bevestigend beantwoord. Een beding in een risicodragende overeenkomst tussen een verkoper en een consument, zoals effectenleaseovereenkomsten, is ook oneerlijk wanneer, gelet op de omstandigheden rond de sluiting van de betrokken overeenkomst en uitgaande van de datum van die sluiting, dat beding gedurende de uitvoering van die overeenkomst het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk kan verstoren, ook al zou deze verstoring alleen onder bepaalde omstandigheden tot uiting kunnen komen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument. Of een beding waarbij het voordeel dat de verkoper bij vervroegde beëindiging van de overeenkomst geniet bij voorbaat wordt gefixeerd, gelet op de omstandigheden rond de sluiting van die overeenkomst, een dergelijke verstoring van het evenwicht kon veroorzaken, is aan de verwijzende rechter. Op de vraag van hof Den Haag heeft het HvJ EU geantwoord dat wanneer de nationale rechter een beding oneerlijk heeft verklaard en de overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan, de verkoper die de consument dat beding heeft opgelegd geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.
2.22
Dexia heeft in haar akte volgend op de uitspraak van het HvJ EU het standpunt ingenomen dat het beding op grond waarvan zij in de eindafrekening aanspraak maakte op toekomstige rentetermijnen oneerlijk is en dat de post “resterende termijnen” van € 2.659,03 is komen te vervallen.
2.23
Dexia meent echter dat naast het vervallen van de post contant gemaakte resterende termijnen, ook de toegepaste korting over het restant van de hoofdsom moet komen te vervallen. Volgens Dexia voorzagen de door het HvJ EU oneerlijk geachte contractuele bepalingen waarin Dexia de financiële consequenties van de tussentijdse beëindiging had geregeld immers in contantmaking van zowel de resterende termijnen als de slottermijn en brengt de vernietiging van de desbetreffende bepalingen daarom mee dat ook de contantmaking van de slottermijn vervalt. Volgens Dexia gaat het om een en hetzelfde contractuele beding dat volledig vervalt, zodat bij de eindafrekening uitgegaan moet worden van € 4.351,35 (
restant hoofdsom) in plaats van € 3.302,91 (
contant gemaakte restant hoofdsom). De restschuld zijdens [appellant] uit hoofde van overeenkomst 18 bedraagt volgens Dexia daarom € 2.994,64 (en met toepassing van het hofmodel nog € 998,21).
2.24
Het hof volgt Dexia hierin niet. Zoals blijkt uit de hiervoor vermelde arresten van de Hoge Raad en het HvJ EU is niet de in artikel 15 Bijzonder Pro voorwaarden vervatte contantmakingsregel oneerlijk geoordeeld, maar het in artikel 6 Bijzondere Pro voorwaarden besloten liggende beding om bij beëindiging nog toekomstige rentetermijnen in rekening te brengen. Nu het schrappen van dit beding het voortbestaan van de overeenkomst objectief beschouwd rechtens niet onmogelijk maakt, dient overeenkomstig vaste rechtspraak de overeenkomst zonder andere wijzigingen (dan die welke het gevolg zijn van de schrapping van dit beding) te worden voortgezet. [6] Het voorgaande voert tot de slotsom dat de contantmaking door Dexia van de nog verschuldigde hoofdsom volgens artikel 15 Bijzondere Pro voorwaarden ongewijzigd in stand blijft.
2.25
Uit het voorgaande volgt dat er voor [appellant] uit hoofde van overeenkomst 18 per 12 april 2005 na verkoop van de bij deze overeenkomst behorende effecten een restschuld resteerde van € 2.056,20 in plaats van € 4.715,23, zoals ook door [appellant] bepleit in zijn akte van 5 december 2017 (zie hiervoor 2.13). Nu Dexia blijkens haar akte van 28 november 2023, onder 5, niet langer aanspraak maakt op vergoeding van beëindigingskosten ad € 110, bedraagt de restschuld uit hoofde van overeenkomst 18 thans in totaal € 1.946,20.
-
conclusie betalingsverplichting [appellant] versus schadevergoeding Dexia (nrs. 7⁺, 9, 10, 11⁺, 12⁺, 18-20)
2.26
Zoals uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017 mogen op grond van artikel 6:100 BW Pro – voorafgaand aan het beroep op eigen schuld van artikel 6:101 BW Pro – de voordelen, waaronder dividend, (fictief of daadwerkelijk genoten) fiscaal voordeel en het batig saldo uit eerdere overeenkomsten, in mindering worden gebracht op het nadeel van [appellant] bestaande uit termijnen en restschuld. Partijen zijn het erover eens dat uit de door Dexia als productie 4 bij akte van 7 november 2017 overgelegde berekening volgt dat na aftrek van dividend en fiscaal voordeel, het batig saldo (waarin het verlies uit de overeenkomsten 7⁺ en 10 is verdisonteerd), de schade (in de zin van nadeel) van [appellant] uit de overeenkomsten 9, 11⁺, 12⁺, 18-20 (termijnen en restschuld) overstijgt. Dat betekent dat er geen vergoedingsplicht voor Dexia geldt en [appellant] per saldo geen schade in rekening kan brengen aan Dexia. Op [appellant] rust nog altijd wel de verplichting om aan Dexia uit hoofde van deze overeenkomsten de restschuld, vermeerderd met rente, te betalen zoals door Dexia in deze procedure is gevorderd.
2.27
Nu het beroep op voordeelstoerekening tot gevolg heeft dat geen vergoedingsplicht voor Dexia resteert, is voor de vaststelling van de omvang van haar vergoedingsplicht het beroep op eigen schuld (art. 6:101 BW Pro) zinledig. Dat Dexia in haar laatste akte, slot, op de gecorrigeerde restschuld van overeenkomst 18 abusievelijk de schadeverdeling conform het hofmodel toepast, heeft dan ook geen effect op de omvang van de contractuele betalingsverplichting van [appellant] aan Dexia.
2.28
Wel staat aan toewijzing van een bedrag van € 1.946,20 uit hoofde van overeenkomst 18 aan Dexia in de weg dat de kantonrechter – overeenkomstig de gewijzigde vordering van Dexia in eerste aanleg – [appellant] uit hoofde van overeenkomst 18 veroordeelde tot betaling van € 1.510,27. Doordat Dexia geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen dit oordeel, is het hof daaraan gebonden, omdat het hof niet meer kan toewijzen dan gevorderd. Datzelfde geldt met betrekking tot de overeenkomsten 19 en 20. Hoewel op grond van de door Dexia overgelegde herberekening in hoger beroep de oorspronkelijke restschuld van € 1.304,06 en € 6.752,33 voor vergoeding door [appellant] in aanmerking komt, geldt ook hier dat het hof niet meer kan toewijzen dan hetgeen door Dexia uit hoofde van deze overeenkomsten na eiswijziging is gevorderd en door de kantonrechter is toegewezen.
Conclusie en proceskosten
2.29
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellant] gedeeltelijk slagen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd, behoudens voor zover [appellant] in het eindvonnis onder 1 sub d en sub e is veroordeeld tot betaling uit hoofde van de overeenkomsten 13 en 16. [appellant] heeft geen inhoudelijke grief gericht of bezwaar gemaakt tegen de toewijzing van (de hoogte van de) buitengerechtelijke kosten aan Dexia. Het betoog van [appellant] dat deze kosten verrekend moeten worden met door hemzelf gemaakte buitengerechtelijke kosten, wordt verworpen bij gebreke van enige onderbouwing en/of grondslag daarvoor.
2.3
[appellant] heeft terecht naar voren gebracht dat Dexia hem uit hoofde van de vernietigde overeenkomsten 13 en 16 nog een bedrag verschuldigd is van € 5.982,60 en van € 2.722,80, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum van vernietiging van de desbetreffende overeenkomst. [appellant] wenst deze bedragen met zijn schuld aan Dexia te verrekenen. Nu Dexia de juistheid van deze bedragen en het beroep op verrekening niet heeft bestreden, zal het hof bepalen dat deze bedragen moeten worden verrekend met de door [appellant] te betalen bedragen aan Dexia, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar is vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was (te weten 9 januari 2004, zijnde vier weken na 12 december 2003) en tot aan de datum van voldoening van al hetgeen Dexia ter zake van deze overeenkomsten verschuldigd is.
2.31
Aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld zullen de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep tussen partijen worden gecompenseerd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013 en 10 juli 2013, behoudens voor zover [appellant] in laatstgenoemd vonnis, onder 1 sub d en e is veroordeeld tot betaling uit hoofde van de overeenkomsten 13 (contractnummer 59104081) en 16 (contractnummer 38481443) en voor zover Dexia in dat vonnis onder 2 in de proceskosten is veroordeeld, vernietigd dit vonnis in zoverre, en beslist (voorts) als volgt:
  • bepaalt dat [appellant] bevoegd is zijn schuld aan Dexia te verrekenen met een bedrag van respectievelijk € 5.982,60 en € 2.722,80 die Dexia hem verschuldigd is ter zake van de overeenkomsten 13 (contractnummer 59104081) en 16 (contractnummer 38481443), te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling van deze bedragen in verzuim is geraakt tot aan de datum van voldoening van al hetgeen Dexia ter zake van deze overeenkomsten aan [appellant] verschuldigd is;
  • compenseert tussen [appellant] en Dexia de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, M.J. van der Ven en M.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164
2.HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773
3.Gerechtshof Den Haag 18 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2313 en Gerechtshof Amsterdam 6 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4063.
4.HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68
5.HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773, rov. 3.4.2 en 3.4.3.
6.Zie o.m. HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, punt 62, en HvJ EU 14 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:207, punt 51.