Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
De leaseovereenkomsten zijn zogeheten restschuldproducten; de verschuldigde maandelijkse termijnen bestonden uitsluitend uit rente, en de geleende bedragen zouden telkens eerst worden afgelost aan het einde van de looptijd, door het te gelde maken van de effecten en het verrekenen van de opbrengst daarvan. De leasesom (het totaalbedrag van lening, rente en kosten) bedroeg bij alle overeenkomsten iets minder dan € 30.000,--.
Het heeft ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of het door Dexia aan haar vordering ten grondslag gelegde art. 6 Bijzondere Pro voorwaarden een oneerlijk beding is als bedoeld in Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13), in het bijzonder of dit beding een onevenredig hoge schadevergoeding oplegt als bedoeld in de indicatieve lijst van die richtlijn (Bijlage bij de richtlijn, punt 1, aanhef en onder e) (rov. 3.12). Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over deze vraag uit te laten.
De toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen leggen de consument in het algemeen niet de verplichting op gedurende de resterende looptijd van een lening het volledige rentepercentage over de vervroegd afgeloste hoofdsom als schade te vergoeden. (rov. 2.7)
4.Beslissing
21 april 2017.