Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:26

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.351.621/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 985 RvArt. 1 lid 2 sub a Overeenkomst Nederland-SurinameArt. 2 lid 1 sub a Overeenkomst Nederland-SurinameArt. 3 lid 1 sub b Overeenkomst Nederland-SurinameArt. 4 Overeenkomst Nederland-Suriname
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlof tot tenuitvoerlegging Surinaams vonnis met beperking aansprakelijkheid erfgenaam

In deze civiele zaak verzoekt [verweerster] verlof tot tenuitvoerlegging van een Surinaams vonnis in Nederland, waarbij [verzoekster] is veroordeeld tot betaling van een schuld van haar overleden vader. De rechtbank verleende dit verlof, waarbij werd geoordeeld dat het verweer van beneficiaire aanvaarding in de Surinaamse procedure had moeten worden gevoerd.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, maar verbetert de gronden. Het hof stelt vast dat [verzoekster] het verweer van beneficiaire aanvaarding wel heeft gevoerd in Suriname, maar dat het Hof van Justitie daar geen betekenis aan hechtte omdat de procedure alleen ging over de vordering op de nalatenschap, niet over de wijze van afwikkeling.

Het hof benadrukt dat uit het Surinaamse vonnis niet volgt dat [verzoekster] privé aansprakelijk is voor de schulden van de nalatenschap. Daarom kan het verlof tot tenuitvoerlegging niet leiden tot beslag op haar privévermogen. De beslaglegging op haar privébankrekening is onrechtmatig. De procedure in Suriname betrof de geldleningsovereenkomst tussen [verweerster] en de erflater, waarbij [verzoekster] als minderjarige erfgenaam beneficiair heeft aanvaard en dus niet privé aansprakelijk is.

Hoewel de grief van [verzoekster] gegrond is, leidt dit niet tot vernietiging van de beschikking. Het hof compenseert de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis blijft mogelijk, maar met inachtneming van de beperking dat privévermogen van [verzoekster] niet kan worden aangesproken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het verlof tot tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis, met de beperking dat privévermogen van de erfgenaam niet kan worden aangesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.351.621/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/10/616314/ KG RK 21-358
Beschikking van 20 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat: mr. A.J.F. Gonesh, kantoorhoudend in 's-Gravenhage,
tegen
[verweerster],
wonend in [woonplaats] ,
verweerster,
advocaat: mr. N. van Collem, kantoorhoudend in Zoetermeer.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en [verweerster] .

1.De zaak in het kort

1.1
[verzoekster] is de enige erfgenaam van haar overleden vader en [verweerster] is de zus van [verzoekster] ’s vader. Bij een in Suriname gewezen rechterlijk vonnis is [verzoekster] veroordeeld tot betaling van een schuld van haar vader aan [verweerster] . Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd door het Hof van Justitie in Suriname. [verweerster] heeft in Nederland executoriaal beslag gelegd op bezittingen van de erflater, maar ook op de privébankrekening van [verzoekster] . In deze procedure verzoekt [verweerster] verlof tot tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis in Nederland op grond van een verdrag tussen beide landen. Tussen partijen is in geschil of uit het Surinaamse vonnis volgt dat [verzoekster] met haar privévermogen aansprakelijk is voor schulden van de nalatenschap.
1.2
De rechtbank heeft verlof tot tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis verleend. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat het verweer van [verzoekster] dat zij de erfenis beneficiair heeft aanvaard, en daarom niet in privé aansprakelijk is voor de schuld, in de Surinaamse procedure had moeten worden gevoerd. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat het beslag op de bankrekening van [verzoekster] een uitvloeisel is van haar door de gerechten in Suriname vastgestelde positie als schuldenaar.
1.3
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, maar verbetert de gronden waarop de beslissing is genomen. Het hof overweegt dat [verzoekster] in de Surinaamse procedure wel het verweer heeft gevoerd dat zij de nalatenschap van de erflater beneficiair heeft aanvaard. Het Hof van Justitie was echter van oordeel dat aan dat verweer geen betekenis toekwam omdat in die procedure alleen aan de orde was of [verweerster] een vordering op de erflater had die in de nalatenschap viel. Het hof legt deze beslissing aldus uit dat daarin niet is vastgesteld dat [verzoekster] in privé aansprakelijk is voor schulden van de nalatenschap. Dat betekent dat [verweerster] zich niet kan verhalen op het privévermogen van [verzoekster] . Het verlof tot tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis kan immers niet leiden tot een tenuitvoerlegging die verder strekt dan waartoe [verzoekster] in dat vonnis is veroordeeld.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 16 januari 2025, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2024.
[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend dat op 11 juni 2025 door de griffie van het hof is ontvangen.
2.2
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 10 september 2025. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald. In verband met herhaalde verzoeken van partijen tot aanhouding van de uitspraak, is de uitspraakdatum nader bepaald op vandaag.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[verzoekster] is de dochter en enig erfgenaam van [erflater] . De erflater is op 10 april 2012 overleden. [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , was toen nog minderjarig.
3.2
[verweerster] is een zus van de erflater, en dus een tante van [verzoekster] .
3.3
[verweerster] heeft in Suriname conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken die behoren tot de nalatenschap van de erflater. Zij heeft bij het kantongerecht in Paramaribo een procedure aanhangig gemaakt tegen [verzoekster] en gevorderd [verzoekster] te veroordelen tot betaling van € 546.250 met rente en kosten. Aan die vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat zij op 1 maart 2002 € 250.000 aan de erflater heeft uitgeleend, waarbij is overeengekomen dat de erflater 6% rente per jaar is verschuldigd en dat bij overlijden van de erflater de hoofdsom en de rente onmiddellijk opeisbaar zijn. [verweerster] heeft verder gesteld dat [verzoekster] , als gerechtigde tot de nalatenschap, gehouden is tot betaling van deze schuld. Het kantongerecht in het eerste kanton in Paramaribo heeft bij eindvonnis van 11 december 2018 [verzoekster] veroordeeld om aan [verweerster] € 546.250 te betalen, de conservatoire beslagen van waarde verklaard, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [verzoekster] veroordeeld in de proceskosten.
3.4
[verweerster] heeft in Nederland executoriaal (derden)beslag laten leggen op bezittingen van de erflater maar ook op de privébankrekening van [verzoekster] .
3.5
[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het kantongerecht in Paramaribo. In hoger beroep heeft zij een deskundigenbericht van C.A. Kraan van 3 juni 2021 overgelegd. Daarin is onder meer vermeld:
‘[…]
Minderjarige erfgename. Gevolgen beneficiaire aanvaarding
2. [verzoekster] , van Nederlandse nationaliteit, was ten tijde van het overlijden van haar vader 17 jaar en daarmee naar zowel Surinaams als Nederlands recht minderjarig. Naar Surinaams recht wordt de minderjarige bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd meerderjarig, naar Nederlands recht bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Omdat [verzoekster] ten tijde van het openvallen van de nalatenschap van haar vader minderjarig was, kon de nalatenschap door haar wettelijk vertegenwoordiger ingevolge artikel 1073 jo Pro artikel 458 van Pro het Surinaams BW uitsluitend beneficiair, dat wil zeggen onder het voorrecht van boedelbeschrijving, worden aanvaard. Naar huidig Nederlands recht geldt
overigens hetzelfde. In beginsel dient deze beneficiaire aanvaarding te geschieden door het afleggen van een verklaring ter griffie van het kantongerecht, maar ook als een dergelijke verklaring, zoals in dit geval, niet is afgelegd, geldt de nalatenschap ten opzichte van de minderjarige als beneficiair aanvaard [voetnoot]. Beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap houdt in dat de erfgenaam niet in zijn eigen vermogen aansprakelijk wordt voor de schulden van de erflater en dat de nalatenschap volgens bepaalde regels moet worden afgewikkeld. De minderjarige [verzoekster] is dus, als de enige erfgename van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van [erflater] , niet in haar eigen vermogen aansprakelijk voor de schulden van erflater en de nalatenschap had met inachtneming van de volgende regels door de vertegenwoordiger van de minderjarige erfgenaam moeten worden afgewikkeld:
[…]
Indien na de vereffening van de nalatenschap een tekort blijkt te bestaan, komt dit ten laste van de schuldeisers. Blijft een positief saldo over, dan komt dit toe aan de erfgename.
Indien een nalatenschap beneficiair is aanvaard zijn de schuldeisers van de nalatenschap niet bevoegd ieder voor zich de goederen van de nalatenschap uit te winnen omdat dit in strijd is met het doel van de vereffening.[voetnoot]
Het meerderjarig worden van de erfgename verandert niets aan de beneficiaire aanvaarding en de beperking van haar aansprakelijkheid. Het ligt voor de hand dat degene die met de vereffening is aangevangen, deze vereffening na het meerderjarig worden van de erfgename voortzet.’
3.6
Bij vonnis van 16 februari 2024 heeft het het Hof van Justitie van Suriname (hierna: het Hof van Justitie) het vonnis van het kantongerecht in Paramaribo van 11 december 2018 bevestigd. Over het rapport van Kraan heeft het overwogen:
’10. Aan het door appellante […] overgelegde rapport van mr. C.A. Kraan betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van erflater komt in dit geding geen betekenis toe nu in dit geding de vraag beantwoord moet worden of geïntimeerde een vordering heeft op erflater die in zijn nalatenschap valt. Hoe die nalatenschap moet worden afgewikkeld is in dat kader niet van belang.’

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Bij verzoekschrift van 7 april 2021 heeft [verweerster] de rechtbank verzocht verlof te verlenen om de beslissing van het kantongerecht in Paramaribo van 11 december 2018 in Nederland ten uitvoer te leggen.
4.2
De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en [verzoekster] in de proceskosten veroordeeld. Zij heeft hiertoe overwogen:
2.8. […]
Het vonnis [van het kantongerecht in Paramaribo; hof] is bekrachtigd door het Hof van Justitie van Suriname en heeft daardoor kracht van gewijsde. Het vonnis is daarmee definitief en rechtstreeks uitvoerbaar. Het werkt rechtstreeks tegenover verweerster als, in dat vonnis, veroordeelde partij.
Het verweer inzake de beneficiaire aanvaarding had in de Surinaamse procedure gevoerd moeten worden en als dat niet gedaan is, komt dat voor rekening en risico van verweerster. Datzelfde geldt voor de vereffening, als dat al een reden was om, bijvoorbeeld, de beslissing in hoger beroep daarvoor aan te houden. De rechtbank herhaalt dat het haar niet is toegestaan om een onderzoek te doen naar de juistheid van de in Suriname gegeven beslissing(en). Nu deze verweren geen hout snijden en overigens niets (voldoende onderbouwd) is gesteld dat het oordeel rechtvaardigt dat verlof tot tenuitvoerlegging kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland, moet het verzoek worden toegewezen.
Ten overvloede wordt nog overwogen dat het beslag op de bankrekening van verweerster een uitvloeisel van haar, door de gerechten in Suriname vastgestelde, positie als schuldenaar is en dat verweerster onvoldoende gemotiveerd betwist heeft dat zij al jarenlang beheer- en beschikkingsdaden verricht in de vorm van het incasseren van huurinkomsten uit een tot de nalatenschap behorend pand in Den Haag. Dat feitelijke handelen staat haaks op haar stellingen over beneficiaire aanvaarding.

5.Beoordeling in hoger beroepGrief

5.1
De (enige) grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat [verzoekster] het verweer inzake de beneficiaire aanvaarding in de Surinaamse procedure had moeten voeren en dat het voor haar rekening en risico blijft als zij dat niet heeft gedaan. [verzoekster] voert aan dat het de rechtbank kennelijk is ontgaan dat zij deze verweren wel degelijk in de Surinaamse procedure heeft gevoerd. Het Hof van Justitie heeft naar aanleiding daarvan in rov. 10 van zijn vonnis overwogen dat het aan de opinie van mr. Kraan ‘betreffende de afwikkeling van de nalatenschap’ geen betekenis toekent omdat in dit geding slechts de vraag beantwoord moet worden of [verweerster] een vordering heeft op erflater die in zijn nalatenschap valt, en dat het in dat kader niet van belang is hoe die nalatenschap wordt afgewikkeld. Het Hof van Justitie heeft dus, met zoveel woorden, slechts de vraag beantwoord of de nalatenschap uit hoofde van een (door [verzoekster] eveneens bestreden) overeenkomst van geldlening schuldenaar is van [verweerster] . Die vraag kon slechts worden beantwoord in een procedure tussen [verweerster] als schuldeiser en [verzoekster] in haar hoedanigheid van enig erfgenaam van erflater, waarbij niet relevant is dat [verzoekster] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. Beslissingen over schulden van respectievelijk vorderingen op de erflater kunnen dan slechts diens nalatenschap raken. Met inachtneming van deze overwegingen moet het dictum, waarin het vonnis van het kantongerecht in Paramaribo wordt bekrachtigd, worden gelezen, aldus [verzoekster] .
5.2
Volgens [verzoekster] is de beslissing van de rechtbank om verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen om die reden rechtens onjuist.
Verweer
5.3
[verweerster] voert verweer. Zij stelt voorop dat in deze exequaturprocedure geen plaats is voor een inhoudelijke toetsing – lees: van de geldigheid van de overeenkomst van geldlening – en dat het onderzoek door de rechter is beperkt tot de vraag of aan alle formaliteiten en de toetsingscriteria van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk Nederland en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning van tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken van 27 augustus 1976, Trb. 1976, 144 (hierna: de Overeenkomst) is voldaan. Op grond van artikel 4 van Pro de Overeenkomst kan erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing slechts worden geweigerd als zij onverenigbaar is met de openbare orde van het aangezochte land. Daarvan is geen sprake.
5.4
Volgens [verweerster] is het dictum van het vonnis van het kantongerecht in Paramaribo, zoals bekrachtigd door het Hof van Justitie van Suriname, duidelijk: [verweerster] heeft uit hoofde van een geldleenovereenkomst een vordering op [verzoekster] . Voor zover al wordt toegekomen aan een uitleg, bestrijdt [verweerster] de uitleg van [verzoekster] . [verzoekster] is op niet mis te verstane wijze in privé en zonder voorbehoud veroordeeld tot betaling. Verder merkt [verweerster] op dat rov. 10 van het Hof van Justitie een
obiter dictumis: deze overweging ligt niet uitdrukkelijk ten grondslag aan de beslissing van het Hof van Justitie en daaraan dient slechts beperkte, en geen doorslaggevende, betekenis te worden toegekend. Overigens meent [verweerster] dat rov. 10 zo moet worden uitgelegd dat het Hof van Justitie aan het deskundigenrapport geen betekenis toekent omdat het hof (impliciet) van het vaststaande feit lijkt te zijn uitgegaan dat [verzoekster] – conform haar eigen gedragingen en stellingen – enig (zuiver) erfgenaam is. Daarbij merkt zij op dat het verweer dat [verzoekster] de erfenis beneficiair heeft aanvaard pas na negen jaar procederen in Suriname en voor het eerst in hoger beroep is opgeworpen. Het Hof van Justitie is kennelijk van oordeel dat voor dat verweer in die procedure geen plaats meer was, aldus [verweerster] . Zij voegt daaraan toe dat [verzoekster] sinds 2013 heeft geprocedeerd als ware zij zuiver erfgenaam en dat zij zich ook al die tijd zo heeft gedragen door het verrichten van beheer- en beschikkingsdaden, onder meer door het innen van huur en het verkopen van eigendommen van de erflater.
5.5
[verweerster] concludeert dat het vonnis van het Hof van Justitie van Suriname in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd.
Toetsingskader
5.6
Het verzoek is gebaseerd op artikel 985 Rv Pro en de Overeenkomst. Artikel 985 Rv Pro bepaalt dat wanneer een beslissing van een rechter van een vreemde Staat in Nederland uitvoerbaar is krachtens een verdrag, deze beslissing pas ten uitvoer kan worden gelegd na daartoe verkregen rechterlijk verlof. Daarbij wordt de zaak zelf niet aan een nieuw onderzoek onderworpen. In hoger beroep is niet in geschil dat op het verzoek van [verweerster] tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis de Overeenkomst van toepassing is. Zoals de rechtbank in haar tussenvonnis van 8 juli 2021 heeft overwogen, is het hoofdonderwerp van het geschil in de Surinaamse procedure een overeenkomst van geldlening tussen [verweerster] en de erflater en is dus geen sprake van een geschil over erfrecht. Om die reden is de uitzondering van artikel 1 lid 2 sub a van Pro de Overeenkomst niet van toepassing.
5.7
[verweerster] voert op zichzelf terecht aan dat in deze exequaturprocedure het onderzoek door de rechter beperkt is tot de vraag of alle formaliteiten in acht zijn genomen en aan de toetsingscriteria van de Overeenkomst is voldaan. Niet in geschil is dat voldaan is aan de voorwaarden dat tegen het Surinaamse vonnis geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en dat de Surinaamse gerechten in deze zaak moeten worden beschouwd als bevoegd de beslissingen te geven (artikel 2 lid 1 sub a en Pro b jo. artikel 3 lid 1 sub Pro b). De tenuitvoerlegging van het vonnis kan alleen worden geweigerd als de tenuitvoerlegging kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland (artikel 4). [verzoekster] stelt niet dat tenuitvoerlegging van het vonnis van het kantongerecht in Paramaribo kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde en dat is het hof ook niet gebleken. Het verzoek van [verweerster] is daarom toewijsbaar, zoals de rechtbank heeft beslist.
Uitleg van de Surinaamse vonnissen
5.8
Het voorgaande neemt niet weg dat de grief tegen rov. 2.8 van het bestreden vonnis naar het oordeel van het hof gegrond is. Uit het vonnis van het Hof van Justitie van Suriname volgt dat [verzoekster] in de Surinaamse procedure wel degelijk het verweer heeft gevoerd dat zij de nalatenschap van de erflater beneficiair heeft aanvaard. Het Hof van Justitie was echter van oordeel dat aan dat verweer geen betekenis toekwam omdat in die procedure alleen aan de orde was
of [verweerster] een vordering op de erflater had die in de nalatenschap viel. In dat kader achtte het Hof van Justitie niet van belang hoe de nalatenschap moet worden afgewikkeld; zoals uiteengezet in het deskundigenbericht moet in geval van beneficiaire aanvaarding de nalatenschap volgens bepaalde regels worden afgewikkeld. Deze beslissing van het Hof van Justitie laat geen andere uitleg toe dan dat daarin niet is vastgesteld dat [verzoekster] in privé aansprakelijk is voor schulden van de nalatenschap. Dit betekent dat, zolang dat niet (in een separate procedure) is vastgesteld, [verweerster] zich niet kan verhalen op het privévermogen van [verzoekster] . Het verlof tot tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis kan immers niet leiden tot een tenuitvoerlegging in Nederland die verder strekt dan waartoe [verzoekster] in dat vonnis is veroordeeld.
5.9
Bij het voorgaande moet worden bedacht dat de procedure in Suriname tot onderwerp had of tussen [verweerster] en de erflater een overeenkomst van geldlening tot stand was gekomen op grond waarvan [verweerster] een vordering had op (de nalatenschap van) de erflater. [verzoekster] , die bij aanvang van die procedure nog minderjarig was en door haar moeder werd vertegenwoordigd, is in de hoedanigheid van enig erfgenaam in rechte betrokken. [verweerster] heeft niet betwist dat naar Surinaams erfrecht (de wettelijke vertegenwoordiger van) [verzoekster] de nalatenschap uitsluitend beneficiair heeft kunnen aanvaarden omdat [verzoekster] ten tijde van het openvallen daarvan minderjarig was, zoals uiteengezet in het deskundigenbericht van C.A. Kraan (zie hiervoor onder 3.5). Dit betekent dat zij niet met haar privévermogen aansprakelijk is voor een schuld van de erflater. Dat [verzoekster] dit verweer in de Surinaamse procedure voor het eerst in hoger beroep heeft gevoerd – om welke reden dan ook – doet niet af aan de geldigheid daarvan. Het Hof van Justitie heeft dit verweer ook niet om die reden buiten beschouwing gelaten, maar om een andere reden, te weten dat in die procedure niet ter beoordeling voorlag of de nalatenschap al of niet beneficiair is aanvaard. Om dezelfde reden doet ook niet terzake of, zoals [verweerster] stelt en [verzoekster] betwist, [verzoekster] beheersdaden heeft verricht en daardoor geacht moet worden de nalatenschap alsnog zuiver te hebben aanvaard. Daarover is in de Surinaamse procedure niet beslist en dit is dus ook in de onderhavige exequaturprocedure niet aan de orde. Hieruit volgt dat het Surinaamse vonnis niet kan worden tenuitvoergelegd ten laste van het privévermogen van [verzoekster] en dat [verweerster] ten onrechte executoriaal beslag heeft gelegd op de privébankrekening van [verzoekster] .
5.1
Het hof merkt, terzijde, op dat de Overeenkomst niet van toepassing zou zijn voor zover de Surinaamse rechter wel zou hebben beslist over de (al dan niet) beneficiaire aanvaarding van de erfenis, gelet op de uitzondering van artikel 1 lid 2 sub a van Pro de Overeenkomst.
Conclusie en proceskosten
5.11
De grief is gegrond, maar de gegrondheid van de grief kan niet tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank leiden. De conclusie is dan ook dat het hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt. Het hof zal de beschikking van de rechtbank bekrachtigen met verbetering van gronden. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank om verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van het Surinaamse vonnis in Nederland in stand blijft. Deze tenuitvoerlegging dient echter wel plaats te vinden met inachtneming van het in rov. 5.8 tot 5.10 overwogene.
5.12
Omdat de grief op zichzelf terecht is aangevoerd, ziet het hof aanleiding de proceskosten van het hoger beroep te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2024 met verbetering van gronden;
  • compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Verduyn, mr. J.I. de Vreese-Rood en mr. C. Mak en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.