Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Universitair Medisch Centrum Utrecht,
Universiteit Utrecht,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 13 februari 2024, waarmee UMC c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 november 2023;
- de memorie van grieven van UMC c.s., met producties;
- de memorie van antwoord van BVE, met producties;
- de producties die UMC c.s. en BVE ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
(…) een beperkt destructief onderzoek uit te voeren aan de vloerconstructie. Hiermee kunnen diverse gegevens worden geverifieerd die van significante invloed zijn op de resultaten. Bijvoorbeeld verificatie van de ligging en diameters van de koppelwapening, type tralieligger, diepte van de tralieligger in de schil, ruwheid van de schil en daadwerkelijk aanwezige betonsterkteklasse.(…)
a) Welke mogelijkheden bestaan om de huidige situatie te kunnen continueren?
(…) In het kader van het gemeentelijk project aanpak breedplaatvloeren is met u overleg geweest over (…) de Heidelberglaan 100[het gebouw, toevoeging hof].
De eerste onderzoeken naar de staat van breedplaatvloeren in dit gebouw dateren van 2018. Er is vervolgens een stappenplan opgesteld. Uit de laatste versie van 20 mei 2019[het Stappenplan 2019, toevoeging hof]
blijkt dat de vloeren met de huidige rekenmethoden op veel verschillende plaatsen niet aan het wet- en regelgevingniveau voldoen. Rekentechnisch is er met de constructieve veiligheidsvoorschriften (prestatie eisen) uit het Bouwbesluit strijdigheid, ook bij toepassing van de lastbeperking. Om die reden kwalificeren wij de situatie als onveilig. Er is naar onze mening sprake van urgentie in de vervolgaanpak. De door u voorgestelde herstelperiode van 10 jaar is te lang, hetgeen uw constructeur ook bevestigd heeft. (…)
10. Conclusie en vervolgstappen
Er zijn extra analyses uitgevoerd voor het geval er 2D tralieliggers zijn toegepast. Dit betreft vooral de periode 2000-2005. De resultaten zijn vergelijkbaar met de resultaten in het TNO rapport TNO 2022 R10122.”
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
verborgengebrek, (iv) de vervaltermijn voor verborgen gebreken is verstreken, (v) de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken is verstreken, (vi) UMC c.s. hebben niet tijdig geklaagd, (vii) BVE is niet aansprakelijk omdat het gaat om een door UMC c.s. voorgeschreven bouwstof, (viii) een eventuele tekortkoming kan niet aan BVE worden toegerekend, en (ix) eventuele schade is het gevolg van eigen schuld van UMC c.s., dan wel het resultaat van fouten van ABT, die door UMC c.s. is ingeschakeld en waarvoor BVE dus niet aansprakelijk is. BVE concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van UMC c.s. in de proceskosten.
6.Beoordeling in hoger beroep
ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel bij de opneming van het werk, bedoeld in paragraaf 9, tweede lid, door de directie redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden”. BVE stelt dat UMC c.s., dan wel de door haar ingeschakelde adviseur ABT, het gebrek had kunnen onderkennen bij de controle van de tekeningen en berekeningen van BVE, en een mogelijk gebrek dus niet ‘verborgen’ was.
onder verborgen gebrek mede wordt verstaan, materialen en/of constructies welke niet beantwoorden aan de redelijkerwijs hieraan te stellen eisen voor zover de toepassing van deze materialen en/of constructies vallen onder de verantwoordelijkheid van de aannemer”. Volgens UMC c.s. zijn de vloeren te beschouwen als constructies in de zin van deze bepaling en is daarmee het wel of niet feitelijk ‘verborgen’ zijn van het gebrek niet meer aan de orde.
het geval voorzien in 1645 BW”. Met artikel 1645 BW Pro wordt gedoeld op artikel 1645 (later: artikel 7A:1645) van het oude BW. Artikel 7A:1645 (oud) BW bepaalde dat als een gebouw, voor een bepaalde prijs aangenomen en afgemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling of de ongeschiktheid van de grond, de aannemer daarvoor gedurende 10 jaar aansprakelijk is. Van vergaan is in ieder geval sprake indien het gebouw geheel of gedeeltelijk is ingestort, dan wel dreigt in te storten als geen maatregelen ter voorkoming van instorting worden genomen. [1] In de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen wordt aangenomen dat met paragraaf 12 lid 2 onder a UAV 1989 de aansprakelijkheid van de aannemer voor het geheel of gedeeltelijk vergaan van een gebouw is uitgebreid tot 10 jaar na de oplevering. Binnen die termijn moet in ieder geval sprake zijn van een (risico op het) geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouw (in de praktijk ook wel een ‘ernstig gebrek’ genoemd) en moet de aannemer aansprakelijk zijn gesteld. Als aan een van beide voorwaarden niet is voldaan, is een vordering uit hoofde van een dergelijk gebrek niet ontvankelijk. [2]
(…) In de gehele bouwwereld (door architecten, constructeurs, aannemers en wetenschappers) werd er tot 2017 van uitgegaan dat het realiseren van grotere overspanningen op de hier toegepaste wijze ook tot een constructief veilige situatie zou leiden; het ontwerp, de detailtekeningen en detailberekeningen wijken volgens[een deskundige ingeschakeld door de aannemer, toevoeging hof]
- wiens deskundigheid niet ter discussie staat - niet af van hetgeen in die periode gebruikelijk was. Het voegdetail dat volgens ABT op basis van een rekenkundige analyse niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, werd volgens[de eerdergenoemde deskundige, toevoeging hof]
al tientallen jaren toegepast. Dat wordt niet bestreden, al is het wel zo dat het detail van de koppelwapening oorspronkelijk alleen werd toegepast bij kleinere overspanningen van één richting overspannende vloeren (waarbij die wapening alleen diende als secundaire verdeelwapening) en dat de overspanningen met de komst van de bollenplaatvloeren aanmerkelijk zijn vergroot (waarbij de koppelstaven deel uit gingen maken van de hoofdwapening). Uit niets blijkt echter dat er indertijd aanleiding toe bestond over die ontwikkeling vragen te stellen (…)”
.
blind” het advies van ABT heeft gevolgd en geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van de gemeente waarbij aan UMC c.s. beperkingen zijn opgelegd voor het gebruik van het gebouw. Dit verweer staat of valt met de hierna te bespreken vraag of de aansluitingen van de vloerplaten een gebrek vertoonden dat moest worden hersteld. Als dat het geval is, dan kan UMC c.s. niet worden verweten dat zij maatregelen heeft getroffen om het gebrek te herstellen.
deemed to satisfy” principe). Daarbij is ook van belang dat het gebouw sinds 2005 heeft gefunctioneerd zonder dat zich problemen in de vloeren hebben voorgedaan. Verder voert BVE aan dat UMC c.s. ten minste een proefbelasting had moeten uitvoeren. Het enkele feit dat de aansluitingen tussen de vloerplaten niet voldeden aan de rekenregels van het Stappenplan 2019 brengt immers niet automatisch mee dat niet werd voldaan aan het Bouwbesluit 2003. Een nadere risicoanalyse is zinvol, ook als sprake is van een niet-geringe overschrijding van NEN 8700. De risico’s van een proefbelasting hadden door het treffen van voorzieningen en het opstellen van een protocol aanzienlijk kunnen worden beperkt. Het uitvoeren van een proefbelasting had door UMC c.s. moeten worden gedaan.
Ten overvloede merkt UMCU nog op dat nergens in het Stappenplan[bedoeld is het Stappenplan 2019, toevoeging hof]
is opgenomen dat dat Stappenplan alleen relevant c.q. geldig zou zijn voor CC3-gebouwen. Om praktische redenen is in dit Stappenplan gesuggereerd om het toetsen eerst te beperken tot CC3-gebouwen hetgeen de Minister heeft overgenomen. Dat neemt niet weg dat de normen uit dit Stappenplan ook gelden voor niet CC3-gebouwen zoals het UMCU.(…)”.
uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij”. In dit stadium van de procedure was de vraag tot welke gevolgklasse het gebouw behoorde nog geen geschilpunt tussen partijen. Reeds daarom kan geen sprake zijn van een uitdrukkelijke erkenning van een stelling van de wederpartij in de zin van deze bepaling. Het gaat hier veeleer om een gegeven waarvan UMC c.s. destijds is uitgegaan. Het staat UMC c.s. in het kader van de herstelfunctie van het hoger beroep vrij om daarop terug te komen.
In welke gevolgklasse moet het gebouw worden ingedeeld? Moet daarbij worden uitgegaan van het aantal personen dat gevaar loopt indien het gehele gebouw bezwijkt of van het aantal personen dat gevaar loopt als een vloerdeel bezwijkt?
(…) Na het vaststellen van het Stappenplan 2022 (…) is door TNO een aantal aanvullende analyse gemaakt waarin onder andere het effect van 2D tralieliggers is beschouwd. (…)
Is het juist dat vloeren met 2D-tralieliggers in beginsel even veilig zijn als vloeren met 3D-tralieliggers? Zo ja, is er dan nog een reden om vast te houden aan de voorwaarde van het Stappenplan 2022 dat 3D-tralieliggers zijn gebruikt, en de veiligheid van vloeren waarin 2D-tralieliggers zijn gebruikt, te onderzoeken aan de hand van de rekenkundige beoordeling conform het Stappenplan 2019?
Is het juist dat de geometrie van het gebouw zodanig afwijkt van de uitgangspunten van het Stappenplan 2022 dat deze voorwaarde (de overspanningen in de vloeren zijn kleiner dan 8,5 m) niet zonder meer op het gebouw kan worden toegepast? Op hoeveel plaatsen in de vloeren in het gebouw zijn er overspanningen van meer dan 8,5 m? Is de geometrie van het gebouw zodanig afwijkend en/of zijn er zoveel overspanningen van meer dan 8,5 m, dat niet op grond van het Stappenplan 2022 kan worden aangenomen dat de aansluitingen tussen de vloerplaten veilig zijn?
Als niet aan de voorwaarden van het Stappenplan 2022 is voldaan, volstaat het dan om de veiligheid van de aansluitingen tussen de vloerplaten te toetsen aan de hand van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019? Moeten de aansluitingen tussen de vloerplaten volgens deze rekenkundige beoordeling als onveilig worden aangemerkt? Of is daarvoor een nadere analyse nodig, waaronder een proefbelasting? Had zo’n proefbelasting met voldoende voorzorgsmaatregelen voor de mogelijke risico’s kunnen worden uitgevoerd?
Heeft UMC c.s. op grond van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019 en de overige bekende gegevens de aansluitingen tussen de vloerplaten redelijkerwijs als onveilig kunnen aanmerken en zonder nader onderzoek naar de veiligheid van het gebouw tot herstel kunnen overgaan? Zou het antwoord op deze vraag anders luiden als de veiligheid van de aansluitingen tussen de vloerplaten naar de stand van de techniek in 2005 zou zijn beoordeeld?
Zijn de tekeningen van de aansluitingen tussen de vloerplaten standaard verwerkings- en montagevoorschriften die in het algemeen voor vloeren van BubbleDeck worden gebruikt, of gaat het hier om tekeningen van de aansluitingen die BubbleDeck op verzoek van BVE voor het gebouw heeft gemaakt?
Zijn de tekeningen van de aansluitingen tussen de vloerplaten door BVE aan UMC c.s. voorgelegd? Had UMC c.s., of hadden de architect en/of ABT namens UMC c.s., als onderdeel van de controle op de berekeningen en tekeningen van BVE die zij krachtens het bestek in hun hoedanigheid van directievoerder/architect/hoofdconstructeur verrichten, mogelijke tekortkomingen in deze tekeningen moeten opmerken?
Heeft de deskundige overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?