ECLI:NL:GHDHA:2026:261

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.338.009/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:251 BWArt. 6:76 BWArt. 6:89 BWArt. 7:760 BWArt. 7:751 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aansprakelijkheid aannemer voor gebrekkige bollenplaatvloeren universiteitsgebouw

UMC c.s. gaf BVE opdracht voor de nieuwbouw van een universiteitsgebouw met bollenplaatvloeren, opgeleverd in 2005. Na bezwijken van soortgelijke vloeren in Eindhoven in 2017 ontstonden zorgen over de veiligheid. Diverse stappenplannen van TNO en Hageman werden opgesteld om de vloeren te beoordelen. ABT voerde onderzoeken uit en concludeerde dat de vloeren in het gebouw mogelijk onveilig waren, wat leidde tot herstelmaatregelen door UMC c.s. en een vordering tot schadevergoeding tegen BVE.

De rechtbank wees de vorderingen af omdat UMC c.s. geen proefbelasting had uitgevoerd en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gebrek. In hoger beroep handhaaft UMC c.s. haar standpunt dat de vloeren een verborgen gebrek vertonen en dat BVE aansprakelijk is. BVE voert meerdere verweren, waaronder niet-ontvankelijkheid, het ontbreken van een gebrek, verjaring, en eigen schuld van UMC c.s.

Het hof oordeelt dat de vraag of sprake is van een gebrek niet zonder deskundigenonderzoek kan worden beantwoord. Het hof bespreekt uitgebreid de toepasselijkheid van UAV 1989-bepalingen, de gevolgen van tegenstrijdige besteksregels, en de vraag of de vloeren als verborgen gebrek kunnen worden aangemerkt. Ook wordt ingegaan op de stand van de techniek, de rol van 2D- versus 3D-tralieliggers, overspanningen, en de noodzaak van een proefbelasting. Het hof benoemt een onafhankelijke deskundige die deze technische en juridische vragen moet beantwoorden en houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: Het hof gelast deskundigenonderzoek en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.338.009
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/625610/ HA ZA 22-194
Arrest van 10 maart 2026
in de zaak van

1.Universitair Medisch Centrum Utrecht,

2.
Universiteit Utrecht,
beide zetelend te Utrecht,
appellanten,
advocaat: mr. R.J. Kwaak, kantoorhoudend te Zwolle,
tegen
[naam 2] B.V.,
gevestigd te Rijswijk,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.J.H. Rutten, kantoorhoudend te Amsterdam.
Het hof noemt appellanten hierna gezamenlijk UMC c.s. (in enkelvoud) en ieder afzonderlijk UU en UMC, en geïntimeerde BVE.

1.De zaak in het kort

1.1
UMC c.s. heeft BVE opdracht gegeven voor de nieuwbouw van een universiteitsgebouw in Utrecht. Het gebouw is in 2005 opgeleverd. In het gebouw is een bepaald type vloeren (zogenoemde bollenplaatvloeren) toegepast. In 2017 is een aantal soortgelijke vloeren in een parkeergarage in Eindhoven bezweken. Naar aanleiding daarvan zijn vragen gerezen over de veiligheid van deze vloeren, en zijn algemene regels opgesteld voor de rekenkundige beoordeling daarvan. Volgens UMC c.s. vertoonde het gebouw een verborgen gebrek omdat de vloeren niet voldeden aan het veiligheidsniveau dat deze regels voorschrijven. UMC c.s. heeft herstelmaatregelen laten uitvoeren en wil de kosten daarvan op BVE verhalen. BVE betwist dat de vloeren een gebrek vertoonden.
1.2
De rechtbank heeft de vorderingen van UMC c.s. afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank had UMC c.s. een proefbelasting van de vloeren moeten uitvoeren voordat zij overging tot herstelmaatregelen. UMC c.s. heeft hoger beroep ingesteld. Het hof acht een deskundigenonderzoek noodzakelijk voor een beslissing.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 13 februari 2024, waarmee UMC c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 november 2023;
  • de memorie van grieven van UMC c.s., met producties;
  • de memorie van antwoord van BVE, met producties;
  • de producties die UMC c.s. en BVE ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
2.2
Op 11 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
UMC c.s. heeft BVE opdracht gegeven voor de nieuwbouw van het Hijmans van den Berghgebouw (hierna: het gebouw) in Utrecht. De afspraken zijn vastgelegd in een aannemingsovereenkomst van 2 december 2003 (hierna: de aannemingsovereenkomst). Op de aannemingsovereenkomst zijn van toepassing de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV 1989). Van de aannemingsovereenkomst maakt een bestek deel uit. Het gebouw is in 2005 opgeleverd en door UMC c.s. in gebruik genomen. In het gebouw zijn zogenoemde bollenplaatvloeren (breedplaatvloeren met gewichtsbesparende kunststof bollen) toegepast.
3.2
Op 27 mei 2017 is een aantal breedplaatvloeren in de parkeergarage bij vliegveld Eindhoven bezweken. Uit onderzoek van Adviesbureau ir. J.G. Hageman (hierna: Hageman) en TNO bleek dat breedplaatvloeren in bepaalde gevallen onveilig kunnen zijn. Om te kunnen beoordelen of bestaande gebouwen met deze vloeren voldoende veilig zijn, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: het ministerie) aan Hageman opdracht gegeven rekenregels op te stellen. Vooruitlopend op de vaststelling van deze rekenregels heeft Hageman voor de tussenliggende periode (totdat de rekenregels golden) het ‘Stappenplan 2017’ opgesteld. Daarmee konden alle eigenaren van gebouwen waarin sinds 1999 dergelijke vloeren zijn toegepast (laten) beoordelen of sprake zou kunnen zijn van een onveilige situatie in het desbetreffende gebouw.
3.3
Het Stappenplan 2017 voorzag in een aantal te toetsen aspecten en te beantwoorden vragen over de toegepaste breedplaatvloeren om te kunnen bepalen of de vloeren moesten worden aangemerkt als (i) een urgent veiligheidsrisico, (ii) een mogelijk veiligheidsrisico of (iii) geen veiligheidsrisico. Aan deze risico’s waren vier kleurcategorieën gekoppeld, naar gelang de p8noodzaak van het treffen van maatregelen: (a) rood voor vloeren waarbij urgent maatregelen getroffen moesten worden, (b) oranje voor vloeren ten aanzien waarvan nader onderzoek noodzakelijk was, en in afwachting van de uitkomsten daarvan geen toename van de belasting mocht plaatsvinden, (c) blauw voor vloeren waarbij gewacht moest worden op nader onderzoek en vooralsnog geen maatregelen noodzakelijk waren, en (d) groen voor vloeren waarbij in het geheel geen maatregelen nodig waren.
3.4
UMC c.s. heeft voor het uitvoeren van een toets op basis van het Stappenplan 2017 ABT B.V. (hierna: ABT) in de arm genomen. ABT had als “adviseur hoofddraagconstructies” UMC c.s. al geadviseerd bij de controle op de tekeningen en berekeningen van BVE voor de bouw van het gebouw. ABT heeft op 1 december 2017 een rapport uitgebracht (hierna: het rapport 2017). Daarin concludeerde ABT dat de vloerdelen in het gebouw in de categorie ‘oranje’ moesten worden geplaatst. Dit bracht mee dat, in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek, de belasting van de vloeren in het gebouw niet verhoogd mocht worden en er geen veranderingen in of aan het gebouw mochten plaatsvinden.
3.5
Op basis van gezamenlijk vervolgonderzoek van Hageman en TNO heeft Hageman in mei 2019 het ‘Stappenplan 2019’ opgesteld. Dit stappenplan bevat algemene regels voor een rekenkundige beoordeling van de constructie van bestaande breedplaatvloeren volgens NEN 8700. Aan de hand van dit stappenplan heeft ABT de toegepaste bollenplaatvloeren in het gebouw beoordeeld. ABT heeft daarover gerapporteerd in een rapport van 19 december 2019 (hierna: het rapport 2019). Daarin heeft ABT aanbevolen (p. 38 van het rapport):

(…) een beperkt destructief onderzoek uit te voeren aan de vloerconstructie. Hiermee kunnen diverse gegevens worden geverifieerd die van significante invloed zijn op de resultaten. Bijvoorbeeld verificatie van de ligging en diameters van de koppelwapening, type tralieligger, diepte van de tralieligger in de schil, ruwheid van de schil en daadwerkelijk aanwezige betonsterkteklasse.(…)
Met een nadere risicobeoordeling kan worden overwogen of daadwerkelijk versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn voor alle naden met onvoldoende capaciteit. (…)
3.6
Op 20 augustus 2020 heeft ABT destructief onderzoek verricht. Daarvan is geen rapport overgelegd.
3.7
Naar aanleiding van vragen van UMC c.s. over vervolgmaatregelen heeft ABT op 6 oktober 2020 een notitie opgesteld (hierna: de notitie 2020). In deze notitie merkt ABT onder meer het volgende op (voetnoot niet overgenomen in het citaat):

a) Welke mogelijkheden bestaan om de huidige situatie te kunnen continueren?
(…)
Onderzoeksplicht
De minister heeft aangegeven dat gebouwen met breedplaatvloeren onderzocht moeten worden. In eerste instantie is dat nu bij wettelijk besluit geregeld voor CC3-gebouwen. Voor deze gebouwen is de verplichting in de Staatscourant gepubliceerd. (…)
Het HvdB-gebouw is een aantal jaren geleden ontworpen volgens CC2. (…) Voor de volgende groepen CC2b en CC2a is nog geen einddatum voor het uitvoeren van het onderzoek vastgesteld. Er is wel over gesproken met als richting dat deze gebouwen twee jaar later onderzocht moeten zijn. (…) Wanneer alleen gekeken wordt naar de hierboven genoemde criteria hadden de vloeren van HvdB-gebouw nog niet aan het Stappenplan (…) 2019 getoetst hoeven te worden.
Echter is de onderzoeksplicht op dit moment geen issue meer voor HvdB-gebouw: het onderzoek is al uitgevoerd. (…)
In ieder geval is het onderzoek uitgevoerd en is nu bekend dat de vloeren van het HvdB-gebouw niet voldoen aan de wettelijke eisen. (…)
Conclusie:
Met de wetenschap dat de vloeren niet aan de eisen van het Bouwbesluit voldoen moet het UMC Utrecht handelen. Gezien de door jullie uitgesproken wens om het gebouw weer te kunnen gebruiken zoals het bedoeld is, is de aangewezen oplossing om de vloeren te gaan versterken.
(…)
b) Welke tijdslijnen hebben we voor eventuele versterkingen?
Handhaving van de bestaande situatie (met de daarbij behorende beperkingen) is voor korte tijd aanvaardbaar, maar op lange termijn niet toegestaan. De exacte toegestane termijn is niet nader omschreven en hiervoor bestaat ook geen algemeen aanvaarde periode. Hierover dient overleg gevoerd te worden met de toezichthoudende instantie, de gemeente Utrecht.
c) Kunnen we de versterkingen wellicht uitstellen door de vloeren te stutten? Welke impact heeft dat?
Het korte antwoord is: Ja, de versterkingen zijn uit te stellen door de vloeren te stempelen. (…) Hierbij plaatsen wij de volgende kanttekeningen:
- (…) Naar eerste inschatting gaat het om tientallen stempels per vloer. Het vergt aanzienlijke inspanning om aan te tonen dat met een stempelplan de constructieve veiligheid op langere termijn gewaarborgd is. In wezen is dit een nieuwe constructieve opzet van de vloeren, die (…) moet worden geanalyseerd.
- (…)
Afgezien van deze kanttekeningen, blijft het een mogelijkheid om verkennend onderzoek te verrichten naar een stempelplan. In eerste instantie kan op basis van een conservatieve inschatting van de maximale vloeroverspanningen worden bepaald of onlogische plaatsing van de stempels voorkomen kan worden.
d) Wat is in huidige situatie de maximaal toelaatbare belasting op de vloeren?
(…)
Conclusie
Het niet verhogen van de aanwezige belastingen is praktisch te vertalen ineen maximaal toelaatbare belasting op de vloeren van 240 kg/m2. Dat geldt voor alle kantoor en onderwijs vloeren. (…)
Ter vergelijking: voor een nieuw kantoor- en onderwijsgebouw is de norm dat gerekend wordt met een belasting van 250 kg/m2. Hieruit volgt dat normaal kantoor en onderwijs gebruik nog steeds is toegestaan. Hieronder valt dus ook een afdelingsoverleg en dergelijke. Grotere bijeenkomsten, zoals een afscheidsreceptie, waarbij relatief veel mensen op elkaar staan en vrij kunnen rondlopen (dynamische belasting) wordt niet aanbevolen op de verdiepingsvloeren. Dit kan bijvoorbeeld wel op de begane grond.
Resume
Het HvdB-gebouw voldoet op dit moment niet aan het vereiste veiligheidsniveau van het bouwbesluit. Voor korte termijn is een vloerbelasting van 240 kg/m2 acceptabel, maar exacte termijnstelling dient overlegd te worden met gemeente Utrecht.
3.8
In de notitie 2020 is sprake van CC2- en CC3-gebouwen. CC1, CC2 en CC3 zijn ‘gevolgklassen’ van gebouwen. In NEN-EN 1990 worden de volgende definities van deze ‘gevolgklassen’ gehanteerd, en (onder meer) de volgende voorbeelden genoemd (tabel NB.23 - B1 - Definitie van gevolgklassen en tabel NB.24 - B1 – Voorbeelden van toepassingen gevolgklassen voor bouwwerken):
Gevolgklasse
Omschrijving
Voorbeelden
CC1
Geringe gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, kleine of verwaarloosbare economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving
Gebouwen voor de landbouw waar mensen normaal niet verblijven (bijv. opslagschuren, tuinbouwkassen)
CC2
Middelmatige gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, aanzienlijke economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving
Voor zover niet opgenomen in CC1 of CC3: woongebouwen, hotels en kantoorgebouwen, onderwijsgebouwen, winkels
CC3
Grote gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, zeer grote economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving
Bouwwerken met de bestemming publieksfunctie (bijv. onderwijsgebouwen, stadions, concerthallen, tribunes), waarbij in geval van bezwijken meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen
3.9
UMC c.s. heeft het rapport 2017, het rapport 2019 en het rapport van het hiervoor vermelde destructieve onderzoek gedeeld met de gemeente Utrecht (hierna: de gemeente). De gemeente, UMC c.s. en ABT hebben op 26 oktober 2020 overlegd. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente UMC c.s. bij brief van 16 december 2020 bevestigd dat op 16 november 2020 telefonisch met UMC c.s. is afgesproken dat de vloeren uiterlijk 1 januari 2023 gerepareerd moeten zijn, zodanig dat ze voldoen aan het Bouwbesluit.
3.1
De gemeente Utrecht heeft UMC c.s. bij brief van 16 december 2020 onder meer het volgende geschreven:

(…) In het kader van het gemeentelijk project aanpak breedplaatvloeren is met u overleg geweest over (…) de Heidelberglaan 100[het gebouw, toevoeging hof].
De eerste onderzoeken naar de staat van breedplaatvloeren in dit gebouw dateren van 2018. Er is vervolgens een stappenplan opgesteld. Uit de laatste versie van 20 mei 2019[het Stappenplan 2019, toevoeging hof]
blijkt dat de vloeren met de huidige rekenmethoden op veel verschillende plaatsen niet aan het wet- en regelgevingniveau voldoen. Rekentechnisch is er met de constructieve veiligheidsvoorschriften (prestatie eisen) uit het Bouwbesluit strijdigheid, ook bij toepassing van de lastbeperking. Om die reden kwalificeren wij de situatie als onveilig. Er is naar onze mening sprake van urgentie in de vervolgaanpak. De door u voorgestelde herstelperiode van 10 jaar is te lang, hetgeen uw constructeur ook bevestigd heeft. (…)
Afspraken.
De vloeren moeten uiterlijk 1 januari 2023 gerepareerd zijn, zodanig dat ze voldoen aan het Bouwbesluit. Tot die tijd blijft de opgelegde gebruiksbeperking, zoals vastgelegd in bijgaand verslag dd. 26 oktober 2020 van kracht[Dat is de eerder genoemde maximaal toelaatbare belasting op de vloeren van 240 kg/m2, toevoeging hof]”
3.11
Op 5 en 6 januari 2021 is destructief onderzoek uitgevoerd aan het gebouw. ABT was daarbij aanwezig om aan te geven waar het onderzoek moest plaatsvinden en die plaatsen te onderzoeken. In een notitie van 12 januari 2021 stelt ABT dat uit de uitgevoerde metingen blijkt dat de wapening van de vloeren overeenkomt met de tekeningen.
3.12
In een rapport van 29 januari 2021 (bij vergissing gedateerd 29 januari 2020, hierna: het rapport 2021) heeft ABT het volgende geconcludeerd (p. 37):

10. Conclusie en vervolgstappen
Conclusie
(…)
In het rapport is onderscheid gemaakt tussen resultaten als gevolg van belastingen conform het oorspronkelijk ontwerp en belastingen volgens het wettelijk minimum (normwaarde). Voor beiden gevallen is de conclusie dat een grote hoeveelheid naden niet voldoen aan het vereiste veiligheidsniveau. (…) Benadrukt wordt dat de conclusie van dit rapport niet betekent dat er sprake is van acuut gevaar bij het huidige gebruik van het gebouw. Het verrichte delaminatie onderzoek (…) en het inmiddels verrichte destructief onderzoek (…) geven geen reden tot extra urgentie. (…)
Vervolgstappen.
Gemeente Utrecht heeft opgelegd dat de vloeren van het Hijmans van den Berghgebouw vanaf 1 januari 2023 zodanig versterkt zijn, dat deze voldoen aan het Bouwbesluit. Inmiddels zijn in overleg met UMCU de eerste stappen gezet tot het versterken van de vloeren met koolstofvezellijmwapening. (…)
3.13
UMC c.s. heeft BVE bij brief van 23 april 2021 op de hoogte gesteld van de bevindingen van ABT. Vervolgens heeft UMC c.s. BVE bij brief van 3 juni 2021 van haar advocaat aansprakelijk gesteld voor het aanbrengen van onvoldoende koppelwapening in de bollenplaatvloeren. UMC c.s. heeft BVE verzocht binnen veertien dagen te bevestigen dat zij aansprakelijkheid erkent en aan te geven of zij bereid en in staat is om voor eigen rekening en risico het herstel aan de vloeren uit te voeren. Daar heeft UMC c.s. aan toegevoegd dat zij het herstel zelf zal laten uitvoeren als BVE geen aansprakelijkheid erkent of niet bereid is herstel voor eigen rekening uit te voeren. BVE heeft aansprakelijkheid gemotiveerd van de hand gewezen. Daarop heeft UMC c.s. bij brief van haar advocaat van 29 november 2021 aan BVE laten weten dat zij niet langer aanspraak maakt op nakoming, en in plaats daarvan schadevergoeding zal vorderen. Uiteindelijk heeft UMC c.s. zelf herstelmaatregelen laten uitvoeren aan de vloeren. UMC c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg de kosten van deze herstelmaatregelen geraamd op € 5 miljoen, te vermeerderen met nog eens € 5 miljoen voor het uithuizen van het gebouw tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen.
3.14
In een notitie van 1 november 2022 hebben TNO en Hageman, naar aanleiding van een onderzoek van TNO in april 2022, een revisie van het Stappenplan 2019 opgesteld (hierna: het Stappenplan 2022). Volgens het Stappenplan 2022 zijn CC2-gebouwen veilig als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Een rekenkundige beoordeling is dan niet meer nodig. Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende twee voorwaarden van belang: de tralieliggers in het gebouw zijn zogenoemde 3D-tralieliggers, en de (verdiepings)vloeren in het gebouw hebben een overspanning die niet groter is dan 8,5 m.
3.15
In een aanvullend rapport van 14 november 2022 is TNO ingegaan op enkele aspecten die niet aan de orde zijn gekomen in het Stappenplan 2022 maar wel van belang zijn bij de toepassing van dat Stappenplan. Een van deze aspecten betreft de invloed van 2D-tralieliggers. Ten aanzien daarvan stelt TNO het volgende in het aanvullend rapport (p. 16):

Er zijn extra analyses uitgevoerd voor het geval er 2D tralieliggers zijn toegepast. Dit betreft vooral de periode 2000-2005. De resultaten zijn vergelijkbaar met de resultaten in het TNO rapport TNO 2022 R10122.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
UMC c.s. heeft BVE gedagvaard en gevorderd voor recht te verklaren dat BVE aansprakelijk is voor de schade die UMC c.s. lijdt als gevolg van de gebreken in de vloeren van het gebouw, en BVE te veroordelen tot vergoeding van die schade nader op te maken bij staat, met veroordeling van BVE in de proceskosten.
4.2
BVE heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van UMC c.s. althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van UMC c.s. in de proceskosten.
4.3
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en UMC c.s. veroordeeld in de proceskosten. De overwegingen van de rechtbank kunnen als volgt worden samengevat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft UMC c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gebrek. Uit de door ABT verrichte rekenkundige beoordeling aan de hand van het Stappenplan 2019 volgt dat de vloeren deels niet voldeden aan de constructieve veiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit. Het Stappenplan 2019 noemt het uitvoeren van een proefbelasting als een alternatief voor het nemen van maatregelen. Dat de vloeren op basis van de rekenkundige beoordeling niet voldoen aan de eisen, leidt dus niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van een (ernstig) gebrek. De nieuwe inzichten die volgen uit het Stappenplan 2022 duiden erop dat in de praktijk veel minder problemen worden ervaren met breedplaatvloeren dan op grond van de rekenkundige beoordeling conform het Stappenplan 2019 kon worden verwacht. ABT stelt weliswaar dat de nieuwe inzichten uit het Stappenplan 2022 alleen gebruikt mogen worden als 3D-tralieliggers zijn gebruikt, maar uit het aanvullende rapport van TNO 14 november 2022 blijkt dat de betrouwbaarheid van vloeren met 2D-tralieliggers vergelijkbaar is met die van vloeren met 3D-tralieliggers. Aan de stelling van UMC c.s. dat de overspanningseisen uit het Stappenplan 2022 niet kunnen worden toegepast vanwege afwijkende overspanningen, wordt voorbijgegaan omdat UMC c.s. niet heeft betwist dat geen grotere overspanningen zijn toegepast dan 8,5 m. Het had in de rede gelegen om na de rekenkundige beoordeling conform het Stappenplan 2019 een proefbelasting uit te voeren, niet alleen omdat het Stappenplan 2019 daarin voorzag, maar ook omdat geen sprake was van scheurvorming of hoogteverschillen tussen de platen en zowel ABT als de gemeente van mening waren dat de situatie in oktober 2020 niet urgent was. Er was dus voldoende tijd voor het uitvoeren van een proefbelasting. De conclusies uit het Stappenplan 2022 en de aanvullende rapportage van TNO van 14 november 2022 bevestigen dat een proefbelasting aangewezen was. In deze omstandigheden kan UMC c.s. zich er niet op beroepen dat zij geen andere keuze had dan de vloeren te laten herstellen omdat de gemeente haar had opgedragen vóór 1 januari 2023 voor herstel zorg te dragen.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
UMC c.s. vorderen hetzelfde als bij de rechtbank. Kort gezegd zien de bezwaren van UMC c.s. tegen het vonnis van de rechtbank op het volgende.
5.2
Volgens het Stappenplan 2022 is de constructieve veiligheid afdoende als sprake is van een CC2-gebouw, bij de realisatie van de vloer 3D-tralieliggers zijn gebruikt en de overspanning van de vloeren niet groter is dan 8,5 m. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Het gebouw is een CC3-gebouw omdat het een publieksfunctie heeft en in geval van bezwijken meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen. Verder zijn 2D-tralieliggers verwerkt in de vloeren van het gebouw. Het aanvullende rapport van TNO van 14 november 2022 heeft niet geleid tot een wijziging van het Stappenplan 2022. De eis dat sprake moet zijn van 3D-tralieliggers is dus ongewijzigd gebleven. Ten slotte wijken de vloeren van het gebouw zozeer af van de reguliere rechthoekige vloeren die TNO in het Stappenplan 2022 tot uitgangspunt heeft genomen, dat niet op grond van de enkele omstandigheid dat de overspanningen van de vloeren niet groter zijn dan 8,5 m aangenomen kon worden dat de vloeren van het gebouw constructief veilig waren. Bovendien zijn er plaatselijk overspanningen die groter zijn dan 8,5 m. Het was dus niet mogelijk om op grond van het Stappenplan 2022 te concluderen dat het gebouw constructief veilig was.
5.3
Het uitvoeren van een proefbelasting kan leiden tot schade aan de constructie. Daarom moet een proefbelasting alleen worden uitgevoerd als deskundigen de verwachting hebben dat de vloeren de proefbelasting zonder schade kunnen doorstaan. Tijdens de controle die in het voorjaar van 2020 is uitgevoerd, is besloten geen proefbelasting uit te voeren omdat de vloeren de proefbelasting niet aankonden. Als proefbelasten wel tot de mogelijkheden zou hebben behoord, dan had BVE die proefbelasting moeten uitvoeren. Zo zou BVE tegenbewijs hebben kunnen leveren tegen de rekenkundige beoordeling op grond van het Stappenplan 2019, waarbij is gebleken dat de vloeren niet voldoen aan de minimale veiligheidseisen van het Bouwbesluit. BVE heeft echter nagelaten een proefbelasting uit te voeren.
5.4
Ten slotte heeft UMC c.s. gewezen op een aantal feitelijke onjuiste uitgangspunten die de rechtbank aan haar overwegingen ten grondslag heeft gelegd. Deze gestelde onjuiste uitgangspunten zijn niet overgenomen in de feitelijke achtergrond opgenomen in dit arrest, en kunnen dus verder buiten beschouwing blijven.
5.5
BVE voert verweer. Naast de bestrijding van de hiervoor genoemde bezwaren handhaaft BVE de volgende verweren die zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, en aan de beoordeling waarvan de rechtbank niet is toegekomen: (i) UMC is niet ontvankelijk in haar vorderingen, (ii) er is geen sprake van een gebrek, (iii) als sprake zou zijn van een gebrek, dan was dat geen
verborgengebrek, (iv) de vervaltermijn voor verborgen gebreken is verstreken, (v) de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken is verstreken, (vi) UMC c.s. hebben niet tijdig geklaagd, (vii) BVE is niet aansprakelijk omdat het gaat om een door UMC c.s. voorgeschreven bouwstof, (viii) een eventuele tekortkoming kan niet aan BVE worden toegerekend, en (ix) eventuele schade is het gevolg van eigen schuld van UMC c.s., dan wel het resultaat van fouten van ABT, die door UMC c.s. is ingeschakeld en waarvoor BVE dus niet aansprakelijk is. BVE concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van UMC c.s. in de proceskosten.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Het hof zal eerst de verweren van BVE bespreken aan de beoordeling waarvan de rechtbank niet is toegekomen. Daarna zal het hof ingaan op de vraag of er sprake is (geweest) van een gebrek in de vloeren van het gebouw. Om redenen die het hof hierna uiteen zal zetten, kan het hof die vraag niet zonder nadere inbreng van een deskundige beantwoorden.
Ontvankelijkheid UMC
6.2
BVE heeft in eerste aanleg aangevoerd dat UMC niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat de aannemingsovereenkomst is gesloten tussen UU en BVE, en BVE dus geen contractuele relatie heeft met UMC. De rechtbank heeft dit verweer verworpen in rechtsoverweging 3.2 van het bestreden vonnis. BVE stelt in 3.1 van de memorie van antwoord dat zij alle verweren die zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, handhaaft. Voor zover BVE daarmee heeft bedoeld de ontvankelijkheid van UMC in haar vordering opnieuw aan de orde te stellen, overweegt het hof het volgende.
6.3
De rechtbank heeft het ontvankelijkheidsverweer van BVE verworpen onder verwijzing naar de leveringsakte van 25 mei 2005, die UMC c.s. in eerste aanleg als productie 19 heeft overgelegd. Uit deze akte volgt dat UMC en UU het gebouw voor gezamenlijke rekening en risico hebben gerealiseerd. Bij de akte hebben zij over en weer de onverdeelde helft van de grond met het daarop in aanbouw zijnde gebouw aan elkaar overgedragen. Met deze overdracht zijn de aanspraken die UU kan doen gelden jegens BVE op grond van de aannemingsovereenkomst voor de helft als kwalitatieve rechten in de zin van artikel 6:251 BW Pro overgegaan op UMC. BVE heeft dat in hoger beroep niet bestreden. Het hof sluit zich dus aan bij het oordeel van de rechtbank dat (ook) UMC in haar vordering kan worden ontvangen.
Het gaat (niet) om een verborgen gebrek
6.4
Voor het geval het hof tot de conclusie zou komen dat de vloeren van het gebouw een gebrek vertonen, stelt BVE dat het geen verborgen gebrek is. Dat is van belang omdat de aannemer op grond van paragraaf 12 lid 1 UAV 1989 na de oplevering niet langer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk, en artikel 12 lid 2 onder Pro b UAV 1989 daar een uitzondering op maakt voor verborgen gebreken. BVE beroept zich op paragraaf 12 lid 3 UAV 1989. Volgens deze bepaling is een gebrek alleen verborgen als het “
ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel bij de opneming van het werk, bedoeld in paragraaf 9, tweede lid, door de directie redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden”. BVE stelt dat UMC c.s., dan wel de door haar ingeschakelde adviseur ABT, het gebrek had kunnen onderkennen bij de controle van de tekeningen en berekeningen van BVE, en een mogelijk gebrek dus niet ‘verborgen’ was.
6.5
In het bestek is een aantal aanvullingen en uitzonderingen op de UAV 1989 opgenomen. Volgens de volgorde van geldigheid, vastgelegd in besteksregel 01.02.02.91, gaat het bestek vóór de UAV 1989. UMC c.s. verweert zich met een beroep op besteksregel 01.02.12.92, waarin onder verwijzing naar paragraaf 12 lid 3 UAV 1989 is bepaald dat “
onder verborgen gebrek mede wordt verstaan, materialen en/of constructies welke niet beantwoorden aan de redelijkerwijs hieraan te stellen eisen voor zover de toepassing van deze materialen en/of constructies vallen onder de verantwoordelijkheid van de aannemer”. Volgens UMC c.s. zijn de vloeren te beschouwen als constructies in de zin van deze bepaling en is daarmee het wel of niet feitelijk ‘verborgen’ zijn van het gebrek niet meer aan de orde.
6.6
Het hof volgt UMC c.s. in dit verweer. Naar het oordeel van het hof zijn de vloeren een constructie in de zin van paragraaf 12 lid 3 UAV 1989, waarvoor BVE op grond van deze paragraaf de verantwoordelijkheid draagt. Een eventueel gebrek in de vloeren dient dus gelijk te worden gesteld met een verborgen gebrek waarvoor BVE na de oplevering van het gebouw aansprakelijk kan zijn. Daarvoor is niet van belang of UMC c.s. of haar adviseur het gebrek had kunnen onderkennen bij toezicht op de uitvoering van het werk.
Kan BVE een beroep doen op de vervaltermijn van vijf jaar voor verborgen gebreken?
6.7
BVE heeft een beroep gedaan op de vervaltermijn voor verborgen gebreken van vijf jaar na de oplevering van het gebouw opgenomen in paragraaf 12 lid 4 UAV 1989. Het bestek bevat twee ogenschijnlijk tegenstrijdige bepalingen ten aanzien van deze vervaltermijn: besteksregel 01.02.12.92 bepaalt dat de vervaltermijn van paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 niet van toepassing is als het gebrek te wijten is aan opzet of aan opzet grenzende grove schuld van de aannemer, terwijl besteksregel 01.02.12.93 bepaalt dat paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 vervalt. Volgens BVE laat besteksregel 01.02.12.93 paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 onverlet, gezien besteksregel 01.02.12.92. Wat besteksregel 01.02.12.92 toevoegt aan paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 zou immers overbodig zou zijn als het hele lid 4 zou zijn komen te vervallen. Subsidiair stelt BVE dat de twee besteksregels tegenstrijdig zijn en dat in een dergelijk geval de regel van paragraaf 2 lid 4 UAV 1989 geldt, dat een tegenstrijdigheid, met inachtneming van de billijkheid, moet worden uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie het bestek is opgesteld. Het bestek is opgesteld door of namens UMC c.s., zodat de tegenstrijdigheid moet worden uitgelegd in het nadeel van UMC c.s. en dus aangenomen moet worden dat de vervaltermijn van vijf jaar voor verborgen gebreken is gehandhaafd, met de toevoeging dat deze termijn niet van toepassing is in geval van opzet of grove schuld van de aannemer.
6.8
Volgens UMC c.s. is als gevolg van het bepaalde in besteksregel 01.02.12.93 de vervaltermijn voor aansprakelijkheid voor verborgen gebreken van paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 komen te vervallen. Dat partijen in besteksregel 01.02.12.92 een beroep op deze vervaltermijn hebben uitgesloten in geval van opzet of grove schuld van de aannemer doet daar niet aan af. Deze toevoeging heeft volgens UMC c.s. haar betekenis verloren met het volledig schrappen van de vervaltermijn. In reactie op de stelling van BVE dat sprake is van een tegenstrijdigheid die in het nadeel van UMC c.s. als opsteller van het bestek moet worden uitgelegd, wijst UMC c.s. erop dat volgens besteksregel 01.02.02.91 de aannemer de verantwoordelijkheid draagt voor onderlinge tegenstrijdigheden tussen twee of meer documenten, alsmede voor onderlinge tegenstrijdigheden tussen verschillende onderdelen van één document.
6.9
Het hof oordeelt als volgt. Besteksregels 01.02.12.92 en 01.02.12.93 leiden tot verschillende uitkomsten. Partijen hebben afspraken gemaakt over hoe met zulke tegenstrijdigheden moet worden omgegaan. Op grond van besteksregel 01.02.02.91 draagt de aannemer de verantwoordelijkheid voor tegenstrijdigheden. Deze besteksregel gaat vóór paragraaf 2 lid 4 UAV 1989. De tegenstrijdigheid moet dus in het nadeel van BVE worden uitgelegd. Dat betekent dat paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 vervalt en de vervaltermijn van vijf jaar voor verborgen gebreken niet van toepassing is.
Kan BVE een beroep doen op de aansprakelijkheidstermijn van 10 jaar voor ernstige gebreken?
6.1
De volgende vraag is of BVE zich kan beroepen op de aansprakelijkheidstermijn van 10 jaar voor ernstige gebreken. Deze aansprakelijkheidstermijn is opgenomen in paragraaf 12 lid 2 onder a UAV 1989. Daarin is een uitzondering opgenomen op de regel in paragraaf 12 lid 1 UAV 1989 dat de aannemer na de oplevering niet langer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk in “
het geval voorzien in 1645 BW”. Met artikel 1645 BW Pro wordt gedoeld op artikel 1645 (later: artikel 7A:1645) van het oude BW. Artikel 7A:1645 (oud) BW bepaalde dat als een gebouw, voor een bepaalde prijs aangenomen en afgemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling of de ongeschiktheid van de grond, de aannemer daarvoor gedurende 10 jaar aansprakelijk is. Van vergaan is in ieder geval sprake indien het gebouw geheel of gedeeltelijk is ingestort, dan wel dreigt in te storten als geen maatregelen ter voorkoming van instorting worden genomen. [1] In de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen wordt aangenomen dat met paragraaf 12 lid 2 onder a UAV 1989 de aansprakelijkheid van de aannemer voor het geheel of gedeeltelijk vergaan van een gebouw is uitgebreid tot 10 jaar na de oplevering. Binnen die termijn moet in ieder geval sprake zijn van een (risico op het) geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouw (in de praktijk ook wel een ‘ernstig gebrek’ genoemd) en moet de aannemer aansprakelijk zijn gesteld. Als aan een van beide voorwaarden niet is voldaan, is een vordering uit hoofde van een dergelijk gebrek niet ontvankelijk. [2]
6.11
Volgens BVE gelden in het geval van een verborgen, ernstig gebrek zowel de vervaltermijn voor verborgen gebreken als de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken. Als geen beroep kan worden gedaan op de vervaltermijn voor verborgen gebreken, dan blijft de mogelijkheid bestaan om een beroep te doen op de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken. BVE beroept zich in dit verband op de regel in paragraaf 2 lid 4 sub c UAV 1989 dat een bijzondere regeling vóór een algemene regeling gaat. Als de vervaltermijn voor verborgen gebreken niet van toepassing is, dan is de aansprakelijkheidstermijn voor ernstige gebreken de bijzondere regeling en heeft deze voorrang.
Volgens UMC c.s. moet voor beide uitzonderingen op de regel van paragraaf 12 lid 1 UAV 1989 dat de aannemer na oplevering niet langer aansprakelijk is - de uitzondering voor verborgen gebreken en de uitzondering voor ernstige gebreken - afzonderlijk worden bezien of de verval- of aansprakelijkheidstermijn verbonden aan die uitzondering, verstreken is. UMC c.s. beroept zich in dit geval op de uitzondering voor verborgen gebreken. Daarvoor geldt geen vervaltermijn omdat partijen die hebben uitgesloten.
6.12
Naar het oordeel van het hof biedt paragraaf 2 lid 4 sub c UAV 1989 niet de oplossing. De beide uitzonderingen op de uitsluiting van aansprakelijkheid na oplevering in paragraaf 12 lid 2 UAV 1989 zijn gelijkwaardig, althans er is niets dat erop wijst dat de uitzondering voor ernstige gebreken een bijzondere regeling is, die voorrang heeft boven een algemene regeling voor verborgen gebreken. Dat wordt niet anders als de vervaltermijn voor aansprakelijkheid voor verborgen gebreken is komen te vervallen. Het hof is met UMC c.s. van oordeel dat uitgegaan moet worden van de termijn die van toepassing is op het gebrek dat aan de ingestelde vordering ten grondslag is gelegd. Dat betekent dat bij een vordering op grond van een verborgen gebrek uitgegaan moet worden van de vervaltermijn voor aansprakelijkheid voor verborgen gebreken. In het systeem van de UAV 1989, met verschillende regelingen voor verval en verjaring van vorderingen op grond van verborgen, respectievelijk ernstige gebreken, leidt de benadering voorgestaan door BVE, waarbij de aannemer tegenover een vordering op de ene grondslag ook de verval- of aansprakelijkheidstermijn van toepassing op de vordering op de andere grondslag zou kunnen inroepen, tot onredelijke uitkomsten. In dat geval zou in een situatie waarin een gebouw zeven jaar na oplevering instort, de aannemer zich tegenover een vordering van de opdrachtgever op grond van een ernstig gebrek kunnen beroepen op de vervaltermijn van vijf jaar voor verborgen gebreken. Dat is duidelijk niet wat paragraaf 12 lid 2 UAV 1989 beoogt. De bedoeling van deze bepaling is juist om de termijn voor aansprakelijkstelling in het geval van ernstige gebreken tot 10 jaar te verlengen. De conclusie moet dan ook zijn dat BVE zich in het systeem van de UAV alleen kan beroepen op de verval- of aansprakelijkheidstermijn die geldt voor het type gebreken op grond waarvan zij wordt aangesproken. [3] Dat is in dit geval de vervaltermijn voor verborgen gebreken, die partijen hebben uitgesloten. Verder kan ervan worden uitgegaan dat als partijen overeenkomen dat voor de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken geen vervaltermijn geldt, zij hebben beoogd om de aansprakelijkheid voor álle verborgen gebreken niet in tijd te beperken; zowel voor de niet-ernstige als voor de ernstige verborgen gebreken. Een andere uitleg zou tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat BVE altijd aansprakelijk zou blijven voor niet-ernstige verborgen gebreken, maar voor ernstige verborgen gebreken na 10 jaar van aansprakelijkheid zou zijn ontheven. Dat kan niet de bedoeling van partijen zijn geweest.
Heeft UMC c.s. tijdig geklaagd?
6.13
Voor het geval zou worden geoordeeld dat de verval- en aansprakelijkheidstermijnen voor verborgen en ernstige gebreken niet zijn verstreken, beroept BVE zich op artikel 6:89 BW Pro en artikel 12 lid 2 onder Pro b UAV 1989. Op grond van artikel 6:89 BW Pro kan een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. Uit artikel 12 lid 2 onder Pro b UAV 1989 volgt dat de aannemer niet aansprakelijk is voor een verborgen gebrek als de opdrachtgever de aannemer niet binnen een redelijke termijn na de ontdekking daarvan op de hoogte heeft gesteld. Volgens BVE had UMC c.s. bij haar moeten klagen na het rapport 2017 of het rapport 2019. UMC c.s. heeft BVE echter pas op 23 april 2021 op de hoogte gesteld van de bevindingen van ABT, en BVE pas in juni 2021 aansprakelijk gesteld. Daardoor stelt BVE in haar belangen te zijn geschaad.
6.14
UMC c.s. betwist dat te laat is geklaagd en dat BVE door het vermeende te late klagen benadeeld is. Het rapport 2017 leverde volgens haar nog slechts voorlopige bevindingen op. Pas na nader onderzoek, op basis van het Stappenplan 2019, kon UMC c.s. conclusies trekken over de vraag of sprake was van een gebrek waarvoor BVE aansprakelijk was.
6.15
Het hof verwerpt het beroep van BVE op artikel 6:89 BW Pro en artikel 12 lid 2 onder Pro b UAV 1989. In het rapport 2017 zijn de vloerdelen in het gebouw in de categorie ‘oranje’ geplaatst. Dat betekende dat nader onderzoek noodzakelijk was. In het rapport 2019 heeft ABT geadviseerd beperkt destructief onderzoek uit te voeren. Dat onderzoek is verricht in augustus 2020, waarna ABT in oktober 2020 in de notitie 2020 heeft geadviseerd versterkingen aan te brengen. Vervolgens heeft de gemeente bij brief van 16 december 2020 bevestigd dat zij met UMC c.s. heeft afgesproken dat de vloeren uiterlijk 1 januari 2023 gerepareerd moeten zijn. Gezien de informatie waarover UMC c.s. beschikte, heeft zij naar het oordeel van het hof BVE tijdig op de hoogte gesteld van het gestelde gebrek. Het rapport 2017 en het rapport 2019 bevatten voorlopige bevindingen. ABT heeft UMC c.s. in oktober 2020 concreet geadviseerd versterkingen aan te brengen. UMC c.s. heeft BVE een half jaar later (23 april 2021) op de hoogte gesteld van de bevindingen van ABT. Naar het oordeel van het hof is dat nog binnen een redelijke termijn na het ontdekken van het gebrek. In ieder geval is niet aannemelijk geworden dat BVE door het verstrijken van de tijd tussen oktober 2020 en april 2021 in haar belangen is geschaad. “Meedenken” over een mogelijke oplossing was ook in april 2021 - en ook na de aansprakelijkstelling van 3 juni 2021 - nog mogelijk. BVE heeft echter van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, en aansprakelijkheid zonder meer van de hand gewezen.
Is BVE niet aansprakelijk omdat sprake is van een voorgeschreven bouwstof en BVE volgens het bestek verplicht was te werken overeenkomstig de verwerkings- en montagevoorschriften van BubbleDeck?
6.16
BVE wijst op besteksregel 23.42.42-a. Daarin staat dat BVE betonnen bekistingsplaatvloeren met gewichtsbesparende elementen van BubbleDeck moet toepassen. Verder beroept BVE zich op besteksregels 01.01.10.90 en -91, die bepalen dat de verwerking en montage van een materiaal of bouwstof moet plaatsvinden overeenkomstig de door de fabrikant/leverancier bij de levering te verstrekken verwerkings- en montagevoorschriften. BVE stelt dat zij de vloeren van BubbleDeck heeft toegepast, en deze heeft verwerkt en gemonteerd zoals voorgeschreven in de tekeningen van BubbleDeck, die zijn goedgekeurd door ABT, de door UMC c.s. ingeschakelde hoofdconstructeur. De verantwoordelijkheid voor eventuele fouten in deze materialen, voorschriften en tekeningen ligt volgens BVE niet bij haar maar bij UMC c.s.
6.17
Volgens UMC c.s. houdt dit verweer geen stand omdat het gebrek niet is veroorzaakt door verwerkings- of montagevoorschriften van BubbleDeck, maar door een onjuiste detaillering van de aansluitingen van de vloerplaten. De vloerplaten zijn volgens UMC c.s. ter plaatse van de aansluitingen van onvoldoende koppelwapening voorzien. Het tekenen en berekenen van die koppelwapening was de verantwoordelijkheid van BVE. UMC c.s. verwijst naar besteksregel 21.40.10-b onder 02, waar staat dat de aannemer de wapening moet aanbrengen in de druklaag van de BubbleDeck vloeren, volgens tekeningen en berekeningen van de aannemer. Het is de keuze van BVE geweest om voor deze tekeningen en berekeningen BubbleDeck in te schakelen. Op grond van artikel 6:76 BW Pro is BVE aansprakelijk voor fouten van BubbleDeck. De controle van tekeningen en berekeningen door de directie is beperkt tot een controle op het hanteren van de juiste uitgangspunten uit het bestek door de aannemer. De directie controleert niet of tekeningen en berekeningen juist zijn (vgl. besteksregel 23.00.39.90, waarin staat dat de directie het verlangde tekenwerk beoordeelt op de juiste overname van ontwerpprincipes en het rekenwerk controleert op correcte toepassing van (ontwerp)uitgangspunten). UMC c.s. merkt ten slotte op dat op grond van besteksregels 01.05.10.02 en 01.05.10.04 de aannemer ook na goedkeuring door de directie verantwoordelijk blijft voor de door hem gemaakte tekeningen en berekeningen.
6.18
Het hof overweegt als volgt. Op grond van paragraaf 5 lid 4 UAV 1989 is de opdrachtgever aansprakelijk voor de functionele ongeschiktheid van bouwstoffen die bij een door hem voorgeschreven leverancier moeten worden betrokken. Artikel 7:760 BW Pro bevat een soortgelijke regeling. Deze regeling kan aansprakelijkheid van BVE echter niet uitsluiten, omdat het niet de BubbleDeck vloerplaten als zodanig zijn die mogelijk een gebrek vertonen, maar de aansluitingen tussen deze vloerplaten. Vooralsnog gaat het hof ervan uit dat de detailtekeningen voor deze aansluitingen door BubbleDeck op verzoek van BVE speciaal voor het gebouw zijn gemaakt, en daarom niet gezien kunnen worden als verwerkings- of montagevoorschriften in de zin van besteksregels 01.01.10.90 en 01.01.10.91 waarvoor BVE niet aansprakelijk kan worden gehouden.
6.19
Als de detailtekeningen voor de aansluitingen tussen de vloerplaten op verzoek van BVE door BubbleDeck speciaal voor het gebouw zijn gemaakt, moet BubbleDeck worden gezien als hulppersoon van BVE waarvoor BVE in beginsel aansprakelijk is, op grond van paragraaf 6 lid 26 UAV 1989 en artikel 7:751 BW Pro (deze specifieke bepalingen vormen een uitwerking van de algemene regeling van artikel 6:76 BW Pro). Paragraaf 6 lid 27 UAV 1989 beperkt de omvang van de aansprakelijkheid van BVE ten opzichte van UMC c.s. in dat geval tot de aansprakelijkheid van BubbleDeck jegens BVE, maar deze regel geldt slechts als UMC c.s. BVE heeft verplicht om BubbleDeck de detailtekeningen voor de aansluitingen tussen de vloerplaten te laten maken, en dat volgt niet zonder meer uit het bestek. Daarin staat niet meer dan dat BVE vloeren van BubbleDeck moet toepassen (en de verwerkings- en montagevoorschriften van BubbleDeck moet volgen, maar het hof gaat er zoals hiervoor overwogen vooralsnog vanuit dat de detailtekeningen voor de aansluitingen tussen de vloerplaten niet als verwerkings- of montagevoorschriften in de zin van het bestek kunnen worden gezien).
6.2
De voorlopige conclusie van het hof is dat ook dit verweer van BVE faalt. Het hof zal echter aan de te benoemen deskundige de vraag voorleggen of het juist is dat de detailtekeningen van de aansluitingen tussen de vloerplaten geen verwerkings- of montagevoorschriften van de BubbleDeckvloeren zijn, maar op verzoek van BVE door BubbleDeck zijn gemaakt.
Kan een tekortkoming aan BVE worden toegerekend?
6.21
Voor het geval de eerder genoemde verweren worden verworpen, doet BVE een beroep op overmacht. Zij stelt dat UMC c.s. feitelijk heeft erkend dat het gebrek niet te wijten is aan haar schuld door te betogen dat het schuldvereiste van paragraaf 12 lid 2 UAV 1989 in besteksregel 01.02.12.90 buiten toepassing is verklaard, en dat zij hoe dan ook geen schuld draagt aan het gebrek omdat zij de vloeren heeft aangelegd conform de destijds bestaande ‘stand der techniek’. Het ontwerp voor het gebouw met daarin de toepassing van de breedplaatvloeren van BubbleDeck is gemaakt door de architect en de hoofdconstructeur in samenwerking met UMC c.s. Een ontwerpfout in het bestek die pas vele jaren later wordt onderkend, blijft volgens BVE voor risico van UMC c.s. BVE heeft verwezen naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:186), waar het ook ging om de toepassing van bollenplaatvloeren. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in dat arrest onder meer overwogen dat de aannemer een ‘stand der techniek’-verweer kan voeren en het gebouw in 2008 toen het werd gebouwd aan de geldende normen voldeed.
6.22
UMC c.s. stelt dat het niet van toepassing verklaren van het schuldvereiste vanzelfsprekend niet betekent dat BVE geen schuld heeft aan het gebrek. Doordat het schuldvereiste uit de UAV 1989 in het bestek niet van toepassing is verklaard, is BVE zonder meer aansprakelijk in geval van een verborgen gebrek. Overigens is het gebrek volgens UMC c.s. wel degelijk toerekenbaar aan BVE, omdat het te wijten is aan het ondeugdelijke ontwerp van de aansluitingen tussen de vloerplaten dat BVE in samenwerking met BubbleDeck heeft gemaakt. Een ‘stand der techniek’ verweer gaat niet op omdat BVE ook met de kennis van destijds de krachtwerking in dit wezenlijke detail had kunnen analyseren en het bezwijkmechanisme had kunnen onderkennen.
6.23
Het hof overweegt als volgt. Het is niet nodig om vast te stellen dat BVE schuld heeft aan het gebrek omdat het schuldvereiste uit het UAV 1989 in het bestek is geschrapt. Met betrekking tot het ‘stand der techniek’-verweer is de volgende overweging uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van belang (rechtsoverweging 3.33):

(…) In de gehele bouwwereld (door architecten, constructeurs, aannemers en wetenschappers) werd er tot 2017 van uitgegaan dat het realiseren van grotere overspanningen op de hier toegepaste wijze ook tot een constructief veilige situatie zou leiden; het ontwerp, de detailtekeningen en detailberekeningen wijken volgens[een deskundige ingeschakeld door de aannemer, toevoeging hof]
- wiens deskundigheid niet ter discussie staat - niet af van hetgeen in die periode gebruikelijk was. Het voegdetail dat volgens ABT op basis van een rekenkundige analyse niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, werd volgens[de eerdergenoemde deskundige, toevoeging hof]
al tientallen jaren toegepast. Dat wordt niet bestreden, al is het wel zo dat het detail van de koppelwapening oorspronkelijk alleen werd toegepast bij kleinere overspanningen van één richting overspannende vloeren (waarbij die wapening alleen diende als secundaire verdeelwapening) en dat de overspanningen met de komst van de bollenplaatvloeren aanmerkelijk zijn vergroot (waarbij de koppelstaven deel uit gingen maken van de hoofdwapening). Uit niets blijkt echter dat er indertijd aanleiding toe bestond over die ontwikkeling vragen te stellen (…)
.
In de zaak die voorligt bij dit hof verschillen partijen van mening over de grootte van de overspanningen in de vloeren en de vraag of bij de toegepaste overspanningen de juiste koppelwapening is aangebracht. Het hof zal aan de te benoemen deskundige de vraag voorleggen of de aansluitingen tussen de vloerplaten niet geacht kunnen worden een gebrek te vertonen omdat zij overeenkomstig de stand van de techniek in 2005 zijn aangelegd.
Eigen schuld van UMC c.s.
6.24
BVE verwijt UMC c.s. dat zij “
blind” het advies van ABT heeft gevolgd en geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van de gemeente waarbij aan UMC c.s. beperkingen zijn opgelegd voor het gebruik van het gebouw. Dit verweer staat of valt met de hierna te bespreken vraag of de aansluitingen van de vloerplaten een gebrek vertoonden dat moest worden hersteld. Als dat het geval is, dan kan UMC c.s. niet worden verweten dat zij maatregelen heeft getroffen om het gebrek te herstellen.
Voorlopige tussenconclusie
6.25
Naar het voorlopig oordeel van het hof kunnen de vorderingen van UMC c.s. (vooralsnog) niet op grond van een van de besproken verweren worden afgewezen. Hierna zal het hof ingaan op de vraag of de aansluitingen tussen de vloerplaten, voordat UMC c.s. versterkingen heeft laten aanbrengen, een gebrek vertoonden.
Is sprake van een gebrek?
6.26
Volgens het Stappenplan 2022 kan ervan worden uitgegaan dat CC2-gebouwen veilig zijn als is voldaan aan een aantal voorwaarden. Partijen verschillen van mening over de vraag of het gebouw een CC2-gebouw is. Verder verschillen partijen van mening over de vraag of aan twee voorwaarden van het Stappenplan 2022 is voldaan: de tralieliggers in het gebouw zijn 3D-tralieliggers, en de (verdiepings)vloeren in het gebouw hebben een overspanning die niet groter is dan 8,5 m.
6.27
Als het gebouw niet op grond van het Stappenplan 2022 als veilig kan worden aangemerkt, moet de veiligheid van het gebouw volgens UMC c.s. worden beoordeeld aan de hand van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019. Die rekenkundige beoordeling heeft volgens UMC c.s. uitgewezen dat de aansluitingen tussen de vloerplaten niet veilig waren en niet voldeden aan NEN 8700 (de wettelijke eis voor minimale veiligheid uit het Bouwbesluit voor bestaande bouw) en de eisen voor nieuwbouw uit het Bouwbesluit 2003. Daarmee was naar de mening van UMC c.s. sprake van een gebrek in de vloeren en was herstel noodzakelijk. Proefbelasten was niet aan de orde omdat NEN 8700 ruim werd overschreden. Overigens konden de vloeren een proefbelasting niet aan, en als een proefbelasting al mogelijk was, had BVE die moeten uitvoeren.
6.28
BVE betwist dat de aansluitingen tussen de vloerplaten een gebrek vertoonden als zij niet op grond van het Stappenplan 2022 als veilig konden worden aangemerkt. De constructeur van de leverancier van de vloeren (BubbleDeck) heeft gewerkt met de in 2005 geldende rekenregels voor beton vastgelegd in NEN 6720 en de aanvullende regels uit CUR-Aanbeveling 86 “Bollenplaatvloeren”. Het gebouw voldeed daarmee aan de in 2005 algemeen geldende basiseisen (NEN 6700). Als er overeenkomstig de toenmalige normen en voorschriften van het Bouwbesluit is gewerkt, wordt de constructie geacht veilig te zijn (“
deemed to satisfy” principe). Daarbij is ook van belang dat het gebouw sinds 2005 heeft gefunctioneerd zonder dat zich problemen in de vloeren hebben voorgedaan. Verder voert BVE aan dat UMC c.s. ten minste een proefbelasting had moeten uitvoeren. Het enkele feit dat de aansluitingen tussen de vloerplaten niet voldeden aan de rekenregels van het Stappenplan 2019 brengt immers niet automatisch mee dat niet werd voldaan aan het Bouwbesluit 2003. Een nadere risicoanalyse is zinvol, ook als sprake is van een niet-geringe overschrijding van NEN 8700. De risico’s van een proefbelasting hadden door het treffen van voorzieningen en het opstellen van een protocol aanzienlijk kunnen worden beperkt. Het uitvoeren van een proefbelasting had door UMC c.s. moeten worden gedaan.
6.29
De uiteenzettingen van de deskundigen van partijen (ABT en Van Rossum Raadgevende Ingenieurs B.V, hierna: Van Rossum ) geven geen (sluitend) antwoord op alle vragen en bovendien zijn deze deskundigen niet onafhankelijk. Voor ABT geldt bovendien dat zij een eigen belang heeft bij de uitkomst, gelet op het feit dat BVE haar aansprakelijk houdt voor het geval BVE aansprakelijk is jegens UMC c.s. Het hof kan daarom geen oordeel geven over deze geschilpunten zonder nadere inbreng van een onafhankelijke deskundige. Het hof zou aan deze deskundige een aantal vragen willen voorleggen, die het hof hierna zal uitwerken.
CC2-gebouw
6.3
BVE stelt dat UMC c.s. in de inleidende dagvaarding heeft erkend dat sprake is van een CC2-gebouw en dat UMC c.s. op grond van artikel 154 Rv Pro niet kan terugkomen op deze gerechtelijke erkenning. UMC c.s. heeft het volgende gesteld in randnummer 60 van de inleidende dagvaarding:

Ten overvloede merkt UMCU nog op dat nergens in het Stappenplan[bedoeld is het Stappenplan 2019, toevoeging hof]
is opgenomen dat dat Stappenplan alleen relevant c.q. geldig zou zijn voor CC3-gebouwen. Om praktische redenen is in dit Stappenplan gesuggereerd om het toetsen eerst te beperken tot CC3-gebouwen hetgeen de Minister heeft overgenomen. Dat neemt niet weg dat de normen uit dit Stappenplan ook gelden voor niet CC3-gebouwen zoals het UMCU.(…)”.
6.31
UMC c.s. betwist dat dit een gerechtelijke erkenning in de zin van artikel 154 Rv Pro is. Het hof is het daarmee eens. Een gerechtelijke erkenning wordt in artikel 154 Rv Pro omschreven als het “
uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij”. In dit stadium van de procedure was de vraag tot welke gevolgklasse het gebouw behoorde nog geen geschilpunt tussen partijen. Reeds daarom kan geen sprake zijn van een uitdrukkelijke erkenning van een stelling van de wederpartij in de zin van deze bepaling. Het gaat hier veeleer om een gegeven waarvan UMC c.s. destijds is uitgegaan. Het staat UMC c.s. in het kader van de herstelfunctie van het hoger beroep vrij om daarop terug te komen.
6.32
UMC c.s. beroept zich ter ondersteuning van haar standpunt dat het gebouw tot gevolgklasse CC3 moet worden gerekend onder meer op het feit dat het gaat om een onderwijsgebouw met een publieksfunctie. Dergelijke gebouwen worden gerekend tot gevolgklasse CC3 als in geval van bezwijken meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen (vgl. 3.8 van dit arrest). BVE betwist niet dat sprake is van een onderwijsgebouw, maar wijst erop dat onderwijsgebouwen ook als voorbeeld worden genoemd van CC2-gebouwen. Dat zich op een moment meer dan 500 personen in het gebouw kunnen bevinden acht BVE niet relevant. Het gaat er volgens BVE om hoeveel personen bij het gedeeltelijk bezwijken van een vloer gevaar lopen. Aangezien zich in het gebouw om de 7,2 m kolommen bevinden die de vloer ondersteunen, kan alleen een vloerdeel binnen deze kolommen bezwijken. In dat geval lopen aanzienlijk minder dan 500 personen gevaar.
6.33
Het hof wil hierover aan de deskundige de volgende vraag voorleggen:
I.
In welke gevolgklasse moet het gebouw worden ingedeeld? Moet daarbij worden uitgegaan van het aantal personen dat gevaar loopt indien het gehele gebouw bezwijkt of van het aantal personen dat gevaar loopt als een vloerdeel bezwijkt?
3D-tralieliggers
6.34
In het gebouw zijn 2D-tralieliggers verwerkt. BVE stelt dat het niet langer relevant is of 2D- of 3D-tralieliggers zijn verwerkt, omdat de onderzoeksplicht bij breedplaatvloeren in CC2-gebouwen volgens de Omgevingsregeling per 1 juli 2024 alleen nog van toepassing is bij bouwwerken met breedplaatvloeren die een overspanning hebben van meer dan 8,5 m. Verder stelt BVE dat TNO zowel in een rapport van 14 november 2022 als in een brief van 10 juni 2024 heeft geconcludeerd dat een vloer waarin 2D-tralieliggers zijn verwerkt, constructief gelijkwaardig is aan een vloer waarin 3D-tralieliggers zijn verwerkt. Het gaat er volgens BVE alleen om of de constructie veilig is, dus dan maakt het niet uit of 2D-tralieliggers of 3D-tralieliggers zijn toegepast.
6.35
UMC c.s. acht het wel van belang of 3D-tralieliggers zijn gebruikt. Zij wijst erop dat ook als 2D-tralieliggers even veilig zouden zijn als 3D-tralieliggers, dat niet wegneemt dat volgens het Stappenplan 2022 de veiligheid van de vloer aan de hand van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019 moet worden onderzocht als geen 3D-tralieliggers zijn toegepast. Het rapport van TNO van 14 november 2022 heeft er dan ook niet toe geleid dat de voorwaarde dat 3D-tralieliggers moeten zijn toegepast, uit het Stappenplan 2022 is verwijderd.
6.36
Het hof stelt vast dat TNO in haar brief van 10 juni 2024 (productie 3 bij memorie van grieven) het volgende heeft geschreven:

(…) Na het vaststellen van het Stappenplan 2022 (…) is door TNO een aantal aanvullende analyse gemaakt waarin onder andere het effect van 2D tralieliggers is beschouwd. (…)
Op basis van de aanvullende analyses blijkt dat de invloed van het type tralieligger op de bewezen-sterkte-analyse beperkt is. Dit kan gezien worden als nieuw inzicht, ontstaan na het gereedkomen van het Stappenplan 2022. Desalniettemin is, in overleg met de opdrachtgever (BZK), besloten het stappenplan hier niet op aan te passen.
6.37
Het hof wil hierover aan de deskundige de volgende vraag voorleggen:
II.
Is het juist dat vloeren met 2D-tralieliggers in beginsel even veilig zijn als vloeren met 3D-tralieliggers? Zo ja, is er dan nog een reden om vast te houden aan de voorwaarde van het Stappenplan 2022 dat 3D-tralieliggers zijn gebruikt, en de veiligheid van vloeren waarin 2D-tralieliggers zijn gebruikt, te onderzoeken aan de hand van de rekenkundige beoordeling conform het Stappenplan 2019?
Overspanningen
6.38
UMC c.s. betoogt dat de voorwaarden van het Stappenplan 2022 zijn ontworpen voor reguliere rechthoekige gebouwen. Bij gebouwen die in vorm of problematiek afwijken van een regulier rechthoekig gebouw kunnen deze voorwaarden volgens UMC c.s. niet zonder meer worden toegepast. Het gebouw is geen regulier rechthoekig gebouw. Daarom kan niet op grond van de enkele omstandigheid dat de overspanningen in de vloeren kleiner zijn dan 8,5 m, geconcludeerd worden dat de aansluitingen tussen de vloerplaten constructief veilig zijn. Bovendien zijn er volgens UMC c.s. op bepaalde plaatsen in het gebouw overspanningen van meer dan 8,5 m.
6.39
BVE stelt dat als er al twijfels zouden zijn met betrekking tot deze voorwaarde van het Stappenplan 2022, die twijfels alleen betrekking kunnen hebben op de aansluitingen tussen de vloerplaten rondom de vides. Voor die aansluitingen zal volgens BVE met constructief inzicht beoordeeld moeten worden of de herverdeling van krachten waar in het Stappenplan 2022 vanuit is gegaan, mogelijk is. Verder betwist BVE dat er plaatselijk overspanningen zijn van meer dan 8,5 m, afgezien van één situatie op de tweede verdieping. Uit de nadere analyse van Van Rossum volgt echter dat de constructie ook hier voldoende capaciteit heeft (vgl. de spreekaantekeningen van de advocaat van BVE in hoger beroep, 3.28).
6.4
Het hof heeft de volgende vragen voor de deskundige:
III.
Is het juist dat de geometrie van het gebouw zodanig afwijkt van de uitgangspunten van het Stappenplan 2022 dat deze voorwaarde (de overspanningen in de vloeren zijn kleiner dan 8,5 m) niet zonder meer op het gebouw kan worden toegepast? Op hoeveel plaatsen in de vloeren in het gebouw zijn er overspanningen van meer dan 8,5 m? Is de geometrie van het gebouw zodanig afwijkend en/of zijn er zoveel overspanningen van meer dan 8,5 m, dat niet op grond van het Stappenplan 2022 kan worden aangenomen dat de aansluitingen tussen de vloerplaten veilig zijn?
Niet voldaan aan de voorwaarden van het Stappenplan 2022
6.41
Partijen verschillen ook van mening over wat er moet gebeuren als niet op grond van het Stappenplan 2022 kan worden aangenomen dat de aansluitingen tussen de vloerplaten van het gebouw veilig zijn. Volgens UMC c.s. moet in dat geval de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019 worden gevolgd. Als de aansluitingen tussen de vloerplaten die rekenkundige beoordeling niet kunnen doorstaan, dan moet volgens UMC c.s. worden aangenomen dat het gebouw niet veilig is, en dat sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Een proefbelasting is daarvoor niet nodig, en daarnaast konden de vloeren een proefbelasting niet doorstaan. Volgens BVE kan niet met die rekenkundige beoordeling worden volstaan en is nader onderzoek nodig, waaronder een proefbelasting. BVE is van mening dat voorzorgsmaatregelen getroffen hadden kunnen worden om de risico’s van een proefbelasting af te dekken.
6.42
Het hof wil hierover de volgende vragen aan de deskundige voorleggen:
IV.
Als niet aan de voorwaarden van het Stappenplan 2022 is voldaan, volstaat het dan om de veiligheid van de aansluitingen tussen de vloerplaten te toetsen aan de hand van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019? Moeten de aansluitingen tussen de vloerplaten volgens deze rekenkundige beoordeling als onveilig worden aangemerkt? Of is daarvoor een nadere analyse nodig, waaronder een proefbelasting? Had zo’n proefbelasting met voldoende voorzorgsmaatregelen voor de mogelijke risico’s kunnen worden uitgevoerd?
6.43
Naast deze vragen met betrekking tot afzonderlijke geschilpunten wil het hof de deskundige ook meer in het algemeen de vraag voorleggen of UMC c.s. op grond van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019 en de overige bekende gegevens de aansluitingen tussen de vloerplaten redelijkerwijs als onveilig heeft kunnen aanmerken en zonder nader onderzoek naar de veiligheid van het gebouw tot herstel heeft kunnen overgaan. Het hof wil in dit verband ook van de deskundige vernemen of het verschil maakt of daarbij naar de stand van de techniek in 2005 of de stand van de techniek in 2021 (het jaar waarin de herstelmaatregelen zijn getroffen) naar de aansluitingen tussen de vloeren wordt gekeken.
V.
Heeft UMC c.s. op grond van de rekenkundige beoordeling van het Stappenplan 2019 en de overige bekende gegevens de aansluitingen tussen de vloerplaten redelijkerwijs als onveilig kunnen aanmerken en zonder nader onderzoek naar de veiligheid van het gebouw tot herstel kunnen overgaan? Zou het antwoord op deze vraag anders luiden als de veiligheid van de aansluitingen tussen de vloerplaten naar de stand van de techniek in 2005 zou zijn beoordeeld?
6.44
Verder is het hof voornemens om de deskundige de volgende vragen voor te leggen, die voortvloeien uit hetgeen het hof hiervoor in 6.16 en verder heeft overwogen:
VI.
Zijn de tekeningen van de aansluitingen tussen de vloerplaten standaard verwerkings- en montagevoorschriften die in het algemeen voor vloeren van BubbleDeck worden gebruikt, of gaat het hier om tekeningen van de aansluitingen die BubbleDeck op verzoek van BVE voor het gebouw heeft gemaakt?
VII.
Zijn de tekeningen van de aansluitingen tussen de vloerplaten door BVE aan UMC c.s. voorgelegd? Had UMC c.s., of hadden de architect en/of ABT namens UMC c.s., als onderdeel van de controle op de berekeningen en tekeningen van BVE die zij krachtens het bestek in hun hoedanigheid van directievoerder/architect/hoofdconstructeur verrichten, mogelijke tekortkomingen in deze tekeningen moeten opmerken?
6.45
Ten slotte wil het hof de volgende, algemene vraag aan de deskundige voorleggen:
VIII.
Heeft de deskundige overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
Conclusie
6.46
Het hof heeft deskundige voorlichting nodig ten aanzien van de hiervoor geformuleerde vragen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de vragen die het hof voornemens is aan de deskundige te stellen, en een bij voorkeur gezamenlijk voorstel voor een te benoemen deskundige te doen. Een deskundige zal moeten beschikken over de nodige kennis van en ervaring met de beoordeling van de veiligheid van gebouwen en vloeren in het bijzonder, onafhankelijk van beide partijen moeten zijn, beschikbaar moeten zijn en zijn onderzoek binnen een redelijke termijn moeten kunnen afronden. Als partijen niet tot een gezamenlijk voorstel kunnen komen, dienen zij ieder een deskundige voor te stellen en de bezwaren tegen de door de andere partij voorgestelde deskundige te motiveren. Als het hof besluit een niet door partijen voorgedragen deskundige te benoemen, zal het partijen in de gelegenheid stellen om zich over de persoon van die deskundige uit te laten. Het hof zal de deskundige vragen zijn kosten te begroten. UMC c.s. zal worden verzocht een voorschot voor deze kosten bij de griffie te storten.

7.Beslissing

Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 7 april 2026 zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de punten genoemd in 6.46 van dit arrest;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. P. Glazener, mr. J.E.H.M. Pinckaers en mr. A.A. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Chao-Duivis, M.A.B e.a. (2005),
2.Chao-Duivis e.a., 2005, p. 74; zie ook Van den Berg, M.A.M.C. (2007), Asser/Van den Berg 5-IIIc,
3.Zie ook Rutten, S.J.H. (2014),