III. Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat de rechter op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan beslissen dat een strafbaar feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend, als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.
Het hof gaat ervan uit dat de verdachte lijdt aan een ernstige en complexe andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met in ieder geval narcistische en borderline kenmerken, zoals door zowel de rapporteurs als de contra-rapporteur onderbouwd is vastgesteld. Dit was ook het geval ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte daarnaast lijdt aan andere stoornissen. De contra-rapporteur heeft die wel gediagnostiseerd, maar zij heeft haar diagnose onvoldoende onderbouwd, mede in aanmerking genomen dat de door haar beschreven kenmerken ook kunnen passen bij de andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Ook acht het hof het onvoldoende onderbouwd, en kan daarom niet vaststellen, dat de verdachte hoogbegaafd is – nog daargelaten dat hoogbegaafdheid geen psychische stoornis of verstandelijke handicap in de zin van artikel 39 Sr is. De contra-rapporteur heeft een intelligentietest gebruikt, WAIS-IV-NL, maar zij heeft dat niet op de voorgeschreven manier gedaan. Zij heeft de tijdlimiet bij het onderdeel perceptueel redeneren niet meegewogen en de test binnen twee jaar opnieuw afgenomen, terwijl dat wordt afgeraden. Reeds om die reden gaat het hof voorbij aan een massieve doorwerking van die gestelde hoogbegaafdheid op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, zoals door de contra-rapporteur is beschreven, en die mede leidt tot haar conclusie dat het feit niet is toe te rekenen aan de verdachte.
Het hof stelt vast dat de verdachte in staat was te begrijpen dat het bewezenverklaarde feit wederrechtelijk was. Dit heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard en wordt door de rapporteurs en de contra-rapporteur onderschreven. De vraag is vervolgens of haar persoonlijkheidsstoornis tot gevolg heeft gehad dat de verdachte niet in staat was in overeenstemming te handelen met haar begrip van de wederrechtelijkheid van het feit.
Op grond van de hiervoor weergegeven rapportages en verklaringen van de deskundigen, gaat het hof ervan uit dat de persoonlijkheidsstoornis van invloed is geweest op het handelen van de verdachte. De narcistische en borderline kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis hebben gemaakt dat de verdachte zich steeds verder met [slachtoffer] is gaan terugtrekken en in een isolement is geraakt. Toen in het leven van de verdachte het aantal stressoren toenam, raakte zij voor haar gevoel de regie zodanig kwijt dat zij tot de conclusie kwam dat het beter zou zijn om [slachtoffer] en zichzelf van het leven te beroven. Zij heeft vervolgens de keuze daartoe gemaakt, waarbij haar wilsvrijheid verminderd was als gevolg van haar persoonlijkheidsstoornis. Dat de verdachte geen enkele wilsvrijheid had en dus niet in staat was anders te handelen dan zij heeft gedaan, is naar oordeel van het hof niet komen vast te staan. Er is geen enkel onderbouwd aanknopingspunt dat de verdachte volkomen buiten de realiteit is komen te staan en stond ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Integendeel, het stapsgewijze handelen van de verdachte geeft juist blijk van een zekere mate van helder denken: zij heeft [slachtoffer] twee keer medicijnen toegediend, heeft gewacht op de uitwerking hiervan en heeft vervolgens [slachtoffer] met een kussen gesmoord. Naar eigen zeggen van de verdachte heeft zij, nadat [slachtoffer] niet meer ademde, geld overgeboekt, een afspraak met een hovenier afgezegd, een briefje opgehangen, geld klaargelegd voor ‘te verwachten onkosten’ en haar bankgegevens opgeschreven. Daarna heeft de verdachte uitvoering gegeven aan haar voornemen om ook zichzelf van het leven te gaan beroven door medicatie van verschillende soort in te nemen, wat ruitenvloeistof te drinken en de plastic zak, die met een slang was verbonden aan een heliumtank, over haar hoofd te doen, het ventiel te openen en een paar ‘halen’ helium te nemen.
Dit voert het hof tot de conclusie dat het bewezenverklaarde feit weliswaar in een – ten minste - verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, maar niet dat dit feit haar in het geheel niet kan worden toegerekend.
Het verweer wordt verworpen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van straf en maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft haar negenjarige zoon [slachtoffer] om het leven gebracht. Zij heeft hem medicijnen toegediend, heeft gewacht tot hij slap werd en heeft hem vervolgens met een kussen gesmoord.
Aldus is [slachtoffer] beroofd van zijn meest kostbare bezit, namelijk zijn leven, door de persoon van wie hij volkomen afhankelijk was en die hij geheel vertrouwde. De verdachte heeft van het vertrouwen dat [slachtoffer] in haar stelde op grove wijze misbruik gemaakt en haar verantwoordelijkheid als ouder ernstig miskend door eigenmachtig te beslissen over het leven van haar zoon.
Het overlijden van [slachtoffer] is voor diegenen voor wie hij lief en dierbaar was onverteerbaar en heeft een onpeilbaar verdriet bij hen veroorzaakt. Uit hetgeen de vader en de grootvader van moederszijde van [slachtoffer] ter uitoefening van het slachtofferspreekrecht ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht, blijkt dat het overlijden van [slachtoffer] een intens gemis heeft veroorzaakt, dat zij de rest van hun leven met zich zullen moeten meedragen. Ook voor de samenleving als geheel is de moord op een jong kind schokkend, in het bijzonder als deze is gepleegd door zijn eigen moeder.
Moord is een van de meest ernstige strafbare feiten die de wet kent. Dat komt tot uitdrukking in de straf die de wetgever op dit feit heeft gesteld: een levenslange gevangenisstraf of een maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit misdrijf geen landelijke oriëntatiepunten.
Hoewel het hof zich realiseert dat iedere zaak uniek is, blijkt uit een analyse van recente rechterlijke uitspraken dat voor een enkelvoudige moord momenteel straffen worden opgelegd tussen de 15 en 20 jaren.Wanneer sprake is van een ‘liquidatie’ (een moord uit geldelijk gewin) is het uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaar.Van dit laatste is in dit geval geen sprake, zodat het hof voor de bepaling van de straf uitgaat van een gevangenisstraf van tussen de 15 en 20 jaren.
Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen omtrent de aard en ernst van het bewezenverklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een die vrijheidsbeneming met zich meebrengt. De ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt in beginsel een gevangenisstraf die in duur ligt in de hiervoor vermelde bandbreedte van 15 tot 20 jaren.
Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of haar persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Op de straftoemeting is dat dus niet van invloed.
Wel van invloed op de straftoemeting is de – ten minste - verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte als gevolg van haar ernstige en complexe persoonlijkheidsstoornis, waarop het hof hiervoor reeds uitgebreid is ingegaan. Dit heeft een matigende invloed op de op te leggen straf.
Een matigende invloed op de straf heeft ook de omstandigheid dat de verdachte ook zelf gebukt gaat onder het verlies van [slachtoffer]. Weliswaar is zij hier zelf verantwoordelijk voor, maar dit laat onverlet dat ook zij moet leven zonder haar zoon, van wie zij heeft gehouden en die zij mist. Daarmee is de verdachte zelf ook geraakt door de gevolgen van haar handelen.
Het hof acht – alles afwegende en gelijk de rechtbank heeft opgelegd - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof zal vervolgens de vraag moeten beantwoorden of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof acht geslagen op de hiervoor reeds genoemde omtrent de verdachte uitgebrachte rapportages.
De rapporteurs komen tot de inschatting van een laag tot matig recidiverisico op geweld in het algemeen. Indien de verdachte nog een kind zou krijgen of onder haar gezag zou krijgen en er daarbij specifieke omstandigheden aanwezig zijn zoals problemen met de vader van dat kind, dan verwachten de rapporteurs een reële kans op herhaling. De kans op recidive wordt volgens de rapporteurs sterk bepaald door specifieke omstandigheden waarin de verdachte op meerdere gebieden in haar leven de controle niet meer kan behouden zoals zij die wenst en zij daarbij haar zelfbeeld niet meer hoog kan houden en nog meer specifiek als het daarbij iemand aangaat die zij als een verlengstuk van zichzelf ziet, zoals een (eigen) kind.
De rapporteurs verwachten dat de verdachte vanuit haar borderline- en narcistische problematiek in een ingewikkelde dynamiek met behandelaren terecht komt waardoor er veel tijd nodig is om tot een behandeling te komen. Er is dan ook behandeling door een multidisciplinair team nodig dat gespecialiseerd is in persoonlijkheidsproblematiek. Gezien de ernst van de problematiek, de verwachte moeizame behandeling, de ernst van het feit, alsmede de kans dat de verdachte nog een kind krijgt en er daarmee een reëel recidiverisico aanwezig is, adviseren de rapporteurs om een behandeling op te leggen in het kader van terbeschikkingstelling (hierna: tbs). Aangezien er bij de verdachte beperkt tot geen ziektebesef en daarmee geen echte bereidheid is tot het aangaan van een behandeling waar zij haar problematiek onder ogen komt, wordt verpleging van overheidswege geadviseerd.
De contra-rapporteur schat het recidiverisico in als klein, omdat de verdachte zelf geen kind meer zal (willen) krijgen en de kans dat de verdachte ooit een vergelijkbare intens emotionele relatie zal krijgen met een kind dat veel zorg vraagt, niet groot is te achten. Daarnaast weegt de contra-rapporteur mee dat de verdachte ernstig lijdt onder de gevolgen van het feit en zij intelligent en empathisch genoeg is om zichzelf en anderen in de toekomst tegen herhaling te beschermen. Niettemin komt de contra-rapporteur tot het advies, gelet op de ernst van het feit, de complexiteit en gelaagdheid van haar problematiek, alsmede het nog beperkte overzicht dat de verdachte hier over heeft, tbs met verpleging van overheidswege op te leggen.
Dit voert het hof tot de volgende conclusies.
Het hof stelt vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarvoor tbs kan worden opgelegd, nu daarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het hof stelt voorts vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van dat feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, die haar handelen mede heeft bepaald. De vraag is vervolgens of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft, mede onder invloed van haar stoornis, een zeer ernstig strafbaar feit begaan. Weliswaar was dit feit situationeel gebonden, maar niet denkbeeldig is dat in de toekomst een vergelijkbare situatie ontstaat. Doet een vergelijkbare situatie zich voor, dan bestaat een reëel gevaar voor herhaling. Het hof volgt op dit punt de conclusie van de rapporteurs. Dat de empathische vermogens van de verdachte en haar intelligentie tegen het gevaar voor herhaling zouden beschermen, zoals de contra-rapporteur heeft geschetst, volgt het hof niet. Die vermogens en intelligentie waren immers ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit aanwezig.
In aanmerking genomen de ernst van het feit, acht het hof het onverantwoord om de verdachte te laten terugkeren in de maatschappij zonder dat het gevaar voor herhaling is teruggedrongen. Het terugdringen daarvan zal een langdurige en intensieve behandeling vergen door een multidisciplinair team dat gespecialiseerd is in persoonlijkheidsproblematiek. Een dergelijke behandeling is onvoldoende gewaarborgd in een ander kader dan dat van een tbs met bevel tot verpleging.
Het hof komt daarmee tot het oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.
Het hof zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat zij van overheidswege wordt verpleegd.
De maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven kan gaan.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de bij de doorzoeking in beslag genomen voorwerpeninmiddels zijn teruggegeven aan de verdachte, met uitzondering van het notitieblok en de geheugenkaarten. Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van deze voorwerpen, voor zover deze nog niet zijn teruggegeven. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft de advocaat-generaal oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte niet betwist.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij vordert vergoeding van zogeheten affectieschade. In artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is een vaste vergoeding te betalen aan bepaalde naasten voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden als gevolg van het overlijden. Dit wordt affectieschade genoemd. Wie die naasten zijn, is bepaald in lid 4 van genoemd artikel.
Als vader van [slachtoffer] behoort de benadeelde partij tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten. Hij heeft dus een aanspraak op vergoeding van affectieschade. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding correspondeert met het voor deze naaste in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedrag en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal de vordering dan ook toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf 5 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Dit betekent dat de verdachte moet worden veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van benadeelde [benadeelde partij 1].
Vorderingen tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6]
In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partijen gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, ieder van hen tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep zijn de vorderingen gehandhaafd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in de vorderingen.
Ook de verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partijen vorderen vergoeding van affectieschade. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zijn een halfbroer respectievelijk een halfzus van [slachtoffer]. [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] zijn de kinderen van de partner van [benadeelde partij 1], de vader van [slachtoffer]. Zij behoren allen niet tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten, maar doen een beroep op de zogenoemde hardheidsclausule, die is opgenomen in artikel 6:108 lid 4, onder g, BW. Die clausule houdt in dat onder naaste ook kan worden verstaan “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”.
Ter onderbouwing van hun beroep op de hardheidsclausule hebben de benadeelde partijen – samengevat – het volgende aangevoerd. [benadeelde partij 2] heeft gesteld dat hij een hechte band had met [slachtoffer], dat zij veel samen hebben gespeeld en vakanties en feestdagen met elkaar vierden. [benadeelde partij 3] heeft gesteld dat zij een sterke band had met [slachtoffer], dat zij elkaar ieder weekend zagen, dat zij samen speelden en feestdagen en vakanties samen vierden. [benadeelde partij 4] heeft gesteld dat zij en [slachtoffer] samen speelden en elkaar tijdens weekenden en feestdagen zagen. [benadeelde partij 5] heeft gesteld dat zij en [slachtoffer] elkaar feilloos aanvoelden, veel met elkaar speelden, dat zij [slachtoffer] als haar beste vriend zag en dat zij de weekenden samen doorbrachten.
Voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld, geeft daarvan naar het oordeel van het hof onvoldoende blijk. Broers en zussen behoren – naar geldend recht - niet tot de in lid 4 genoemde naasten, waaruit het hof afleidt dat er, om een geslaagd beroep op de hardheidsclausule te kunnen doen, voor broers en zussen iets extra’s aan de hand moet zijn waardoor hun relatie met de overledene uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. Mede gelet op de betwisting op dit punt door de verdediging, acht het hof onvoldoende onderbouwd dat daarvan in dit geval sprake is. Hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld geeft weliswaar blijk van een warme band, maar niet van een relatie die naar aard en intensiteit uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. In geen van de gevallen is naar oordeel van het hof sprake van ‘een zodanige nauwe persoonlijke relatie’ tot de overledene als bedoeld in genoemd wetsartikel. Het hof zal daarom de vorderingen van [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] afwijzen.
[benadeelde partij 6] is de partner van [benadeelde partij 1], dat wil zeggen: de partner van de vader van [slachtoffer]. Ook zij behoort niet tot de in lid 4 genoemde naasten en doet een beroep op de hardheidsclausule. Ter onderbouwing daarvan heeft zij gesteld dat [slachtoffer] net zo bij haar gezin hoorde als haar eigen kinderen, dat zij aan hem gehecht was en dat zij veel samen ondernamen. Naar het oordeel van het hof geeft hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld evenwel in onvoldoende mate blijk van een ‘nauwe persoonlijke relatie’ als bedoeld in meergenoemd wetsartikel. Daartoe is van belang dat – zoals door de verdediging onbestreden is gesteld – de relatie tussen de benadeelde partij en de vader van [slachtoffer] ten tijde van het bewezenverklaarde minder dan een jaar had bestaan, terwijl [slachtoffer] slechts een deel van de tijd inwoonde bij de benadeelde partij. Het hof zal de vordering van [benadeelde partij 6] ook afwijzen.
Dit betekent dat de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft moeten maken ter verdediging tegen de vorderingen, welke kosten het hof begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 289 Sr, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat zij
van overheidswege zal worden verpleegd.
Beslag
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- geheugenkaarten;
- notitieblok.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 oktober 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 januari 2026.