Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 14 april 2025, waarmee de gemeente in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2025;
- de memorie van grieven van de gemeente, met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerden], met bijlagen;
- bijlage nr. 29 die de gemeente ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
Bekendmaking voornemen tot verkoop van gemeentegrond te westen van [adres] te Papendrecht(…) De gemeente Papendrecht maakt hierbij bekend het voornemen tot verkoop van grond ten noorden van perceel C3588 en C4869 te Papendrecht t.b.v. één serieuze gegadigde (…). De eigenaar van perceel C3588 en C4869 heeft een initiatief ingediend aan de omgevingstafel voor het realiseren van twee benedendijkse woningen. Dit initiatief is kansrijk en haalbaar gevonden, maar alleen als de direct ten noorden gelegen gemeentegrond C3449 (ged.) aangekocht wordt. Dit stukje gemeentegrond maakt geen deel uit van de gemeentelijke hoofdstructuur of wijkstructuur en is van minimale betekenis voor de openbare ruimte. Hierdoor valt dit stukje grond onder de definitie snippergrond. Het Uitgiftebeleid Snippergrond vastgesteld op 23 februari 2016 geeft aan dat verkoop van snippergrond alleen mogelijk is als de aanvrager eigenaar is van de naastgelegen grond. Het voornemen is om de grond te verkopen aan de eigenaar van de direct ten zuiden gelegen percelen C3588 en C4869. De grond is ook alleen bereikbaar via het eigendom van de eigenaar. De eigenaar van de direct ten oosten gelegen perceel C2863 heeft aangegeven geen interesse te hebben in aankoop van deze grond en geen bezwaar te hebben tegen verkoop. De grond is verder ten noorden en ten westen omringd door gemeentegrond. (…). “
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
grieven I tot en met IIIkomen erop neer dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft getoetst of de gemeente op grond van de criteria uit de ‘Didam’-rechtspraak het perceel mocht verkopen zonder andere gegadigden de gelegenheid te geven mee te dingen. Volgens de gemeente heeft zij de voorgenomen verkoop bekend gemaakt op de in deze rechtspraak voorgeschreven wijze en had zij op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria kunnen beslissen dat de gemeenteambtenaar de enige serieuze gegadigde is. Anders dan [geïntimeerden] menen heeft alleen de gemeenteambtenaar het initiatief tot ontwikkeling van het perceel genomen. Voorwaarde van de gemeente is dat de grond wordt gebruikt voor ontwikkeling van woningen. Hieraan voldoen [geïntimeerden] niet, aangezien zij slechts hun vrije uitzicht willen behouden. De te verkopen grond is te smal om woningen te ontwikkelen zonder het perceel van de gemeenteambtenaar erbij te betrekken. Diens unieke grondpositie maakt de gemeenteambtenaar de enige serieuze gegadigde. Ook het realiseren van een ontsluiting naar de openbare weg en parkeerplaatsen op eigen terrein kan alleen als het perceel van de gemeenteambtenaar in de ontwikkeling wordt betrokken. De gemeente is zelf geen initiatiefnemer en zou ook niet het gehele perceel voor ontwikkeling te koop aanbieden zonder het initiatief van de gemeenteambtenaar. In dat geval zou zij ook de huurovereenkomst met de gebruiker van de paardenbak moeten opzeggen, aldus nog steeds de gemeente.
geheleperceel C3449 – waarvan het te koop aangeboden grondstuk deel uitmaakt – te koop zou aanbieden. Bij verkoop van het gehele perceel zou ook de ontsluiting ervan naar de openbare weg zijn gewaarborgd, zodat ook aan dat criterium zou zijn voldaan, aldus [geïntimeerden]
.
7.Beslissing
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2025;
- wijst de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog af;
- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van de procedure aan de zijde van de gemeente, voor de eerste aanleg begroot op € 2.055,- en voor het hoger beroep op € 3.579,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerden] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [geïntimeerden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerden] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerden] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;