ECLI:NL:GHDHA:2026:361

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.364.609/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen voorzitter beklagkamer gerechtshof Den Haag

Verzoeker diende op 22 oktober 2025 een klaagschrift in bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op grond van artikel 12 Sv Pro tegen het sepotbesluit van de officier van justitie. Dit klaagschrift werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch doorgezonden naar het gerechtshof Den Haag. Vervolgens besloot de voorzitter van de beklagkamer van het gerechtshof Den Haag het dossier terug te sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Verzoeker diende op 26 januari 2026 een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter van de beklagkamer van het gerechtshof Den Haag, mr. O.M. Harms, vanwege vermeende onwelwillendheid en schijn van partijdigheid in de behandeling van het beklag. De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk was omdat de voorzitter van de beklagkamer het dossier had teruggestuurd en de zaak niet meer in behandeling had toen het wrakingsverzoek werd ingediend.

De wrakingskamer stelde vast dat het wrakingsmiddel van artikel 512 Sv Pro ook voor klagers openstaat, maar dat ontvankelijkheid vereist dat het verzoek gericht is tegen een rechter die de zaak daadwerkelijk behandelt. De wrakingskamer concludeerde dat de voorzitter van de beklagkamer de zaak niet meer in behandeling had en verklaarde het wrakingsverzoek daarom niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de beklagkamer wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij de zaak niet meer in behandeling had.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.364.609/01
Kenmerken beklagzaken (ex art. 12 Sv Pro) : geen kenmerk bekend.
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, gedaan door:

[verzoeker] ,

Hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van mr. O.M. Harms, voorzitter van de beklagkamer.

Het geding en de feiten

1. Op 22 oktober 2025 heeft verzoeker een klaagschrift ingediend bij gerechtshof
’s-Hertogenbosch waarin verzoeker met toepassing van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beklag doet over de (de facto) sepotbeslissing van de officier van justitie om een strafbaar feit niet te vervolgen. Dit klaagschrift is aldaar bekend en in behandeling onder kenmerk K25.200446.
2. Op 13 november 2025 heeft een administratief medewerker art. 12 Sv Pro (Team strafrecht) van gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzoeker laten weten dat de voorzitter van de beklagkamer heeft besloten om het klaagschrift te verwijzen naar het gerechtshof Den Haag, en dat het dossier inmiddels is doorgezonden naar gerechtshof Den Haag.
3. Op 19 januari 2026 heeft een griffier van gerechtshof Den Haag per e-mailbericht verzoeker te kennen gegeven dat het klaagschrift eerst in de daaraan voorafgaande week onder de aandacht van de griffie van de beklagkamer is gebracht. Tevens is verzoeker te kennen gegeven dat die ochtend in overleg met de voorzitter van de beklagkamer is besloten de zaak terug te sturen naar gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
4. Op 26 januari 2026 heeft verzoeker per e-mailbericht te kennen gegeven de voorzitter van de beklagkamer van gerechtshof Den Haag te wraken. Op diezelfde dag heeft verzoeker een schriftelijk verzoek tot wraking van deze voorzitter gedaan, waarbij hij naast zijn wrakingsverzoek een aantal bijlagen, bestaande uit e-mailwisselingen met beide hoven, heeft gevoegd.
5. Voorzitter van de beklagkamer van gerechtshof Den Haag is, en was toen ook, mr. Harms. De wrakingskamer gaat er daarom van uit dat het wrakingsverzoek zich tegen hem richt. Mr. Harms heeft de wrakingskamer laten weten niet in de wraking te berusten.
6. Op 6 februari 2026 heeft de in rov. 2 bedoelde administratief medewerker aan verzoeker bericht dat de voorzitter van de raadkamer heeft vastgesteld dat gerechtshof
’s-Hertogenbosch bevoegd was en is om kennis te nemen van de klacht van verzoeker, en dat de stukken op zijn verzoek retour gezonden zijn naar gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Ook heeft zij namens hem verontschuldigingen gemaakt voor de onduidelijkheid die is veroorzaakt door de gang van zaken.

Het wrakingsverzoek

7. Het wrakingsverzoek ziet op de wijze waarop het artikel 12 beklag Pro is behandeld, in het bijzonder de stilzwijgende stilstand van het verzoek na doorzending door gerechtshof
’s-Hertogenbosch, het terugsturen van het dossier naar gerechtshof ’s-Hertogenbosch zonder kenbare, schriftelijke en verifieerbare rechterlijke beslissing, de summiere afhoudende en feitelijk anonieme communicatie en de omstandigheid dat dit klaagschrift gericht is tegen het gerechtsbestuur van gerechtshof Den Haag, waardoor extra waarborgen tegen (de schijn van) institutionele partijdigheid geboden zijn. Deze gang van zaken heeft bij verzoeker de indruk van onwelwillendheid en afhoudendheid in de behandeling van het beklag gewekt. Hiermee is sprake van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, aldus verzoeker.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

8. Op grond van artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Naar het oordeel van de wrakingskamer staat ook verzoeker, in zijn hoedanigheid van klager, het wrakingsmiddel van artikel 512 Sv Pro ten dienste.
9. Voor ontvankelijkheid is echter verder vereist dat het wrakingsverzoek gericht is tot een rechter die de zaak van de verzoeker tot wraking in behandeling heeft. Uit de hiervoor in rov. 3 aangehaalde e-mail blijkt dat in overleg met de voorzitter van de beklagkamer van gerechtshof Den Haag – mr. Harms – was besloten om de zaak retour te sturen naar gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Voor zover mr. Harms de beklagzaak vóór dat moment in behandeling had, heeft hij met zijn besluit tot retourzending kennelijk een einde daaraan willen maken. Ongeacht de status van zijn bemoeienis, kan niet gezegd worden dat hij de zaak nog in behandeling had toen verzoeker zijn wrakingsverzoek tegen hem indiende. Reeds om deze reden is verzoeker kennelijk niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker en de genoemde raadsheer.
Deze beslissing is gegeven op 4 maart 2026 door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, J.W. Frieling en M.J. van Cleef-Metsaars, in aanwezigheid van de griffier mr. I.M.A. Schipper.
Deze beslissing is getekend door de voorzitter en de griffier.