ECLI:NL:GHDHA:2026:394
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing schorsing voorlopige hechtenis wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden
De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf voor doodslag, waarbij de voorlopige hechtenis geschorst werd. De advocaat-generaal vorderde in hoger beroep opheffing van deze schorsing, maar het hof oordeelde dat de belangen van de verdachte, gezien haar bijzondere persoonlijke omstandigheden, zwaarder wegen dan de belangen van strafvordering.
De rechtbank Rotterdam had eerder de voorlopige hechtenis geschorst op grond van de zorg voor de kinderen van de verdachte, waaronder twee non-verbaal autistische kinderen. De reclassering bracht een rapport uit waarin werd benadrukt dat professionele begeleiding wenselijk is om de gezinssituatie voor te bereiden op een mogelijke langdurige detentie.
Het hof overwoog dat voorlopige hechtenis een ingrijpend dwangmiddel is en dat opheffing van de schorsing alleen gerechtvaardigd is als dit noodzakelijk is voor het doel van voorlopige hechtenis. Ondanks de veroordeling tot een lange gevangenisstraf, zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het verloop van de eerdere schorsing zodanig dat de schorsing gehandhaafd blijft.
Het hof voegde aan de schorsingsvoorwaarden toe dat de verdachte zich onder toezicht van Reclassering Nederland moet stellen en zich moet gedragen naar de aanwijzingen van deze instelling. De vordering tot opheffing van de schorsing wordt daarmee afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte.