ECLI:NL:GHDHA:2026:405

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.363.918/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673c lid 1 BWArt. 2:19b BWArt. 2:19 lid 1 BWArt. 2:19 lid 4 BWArt. 16 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen faillissementsverklaring wegens misbruik van recht bij turboliquidatie

SDW Leerwerkbedrijf B.V. werd door de rechtbank Rotterdam failliet verklaard op verzoek van een schuldeiser die een onbetaalde transitievergoeding vorderde. SDW kwam in hoger beroep en betoogde dat het recht op transitievergoeding vervalt bij faillissement en dat de aanvraag misbruik van recht betrof.

Het hof oordeelde dat de vordering op transitievergoeding inderdaad niet meer bestaat na faillissement, ook niet als deze is vastgesteld in een beschikking. De aanvraag van het faillissement door de schuldeiser werd gezien als misbruik van recht, mede omdat SDW al was ontbonden via turboliquidatie en de boedel leeg was. De curator had geen reële kans op verhaal via bestuurdersaansprakelijkheid.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, wees het faillissementsverzoek af en veroordeelde de aanvrager in de proces- en faillissementskosten. De aanvraag was onnodig en bracht onnodige kosten mee voor SDW en de boedel.

Uitkomst: Het hof vernietigt het faillissementsvonnis en wijst het verzoek tot faillietverklaring af wegens misbruik van recht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.363.918/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/26/13 F
Arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
SDW Leerwerkbedrijf B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. S.A.G. de Vries, kantoorhoudend in Heerenveen,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.A. Visser, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna SDW en [geïntimeerde].

1.Procesverloop

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2026 is SDW in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. M.C. Snel-van den Hout tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M.N.A. Littooij, advocaat te Rotterdam, als curator (hierna: de curator). Bij verzoekschrift (met producties 1 t/m 12), ingekomen ter griffie van het hof op 21 januari 2026, is SDW van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen, het faillissementsverzoek alsnog af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de volgende stukken:
- de processtukken van de eerste aanleg (genummerd 1 t/m 4) en het proces-verbaal (aangevuld met een herstelprocesverbaal) van de behandeling op 6 januari 2026 bij de rechtbank;
- het verslag van de curator van 5 februari 2026.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Verschenen zijn:
- [naam], (middellijk) bestuurder van SDW, bijgestaan door de advocaat van SDW en zijn kantoorgenoot mr. J. Wijnia;
- [geïntimeerde], bijgestaan door haar advocaat; en
- de curator.
1.3
Ter zitting hebben beide partijen spreekaantekeningen overgelegd en hun standpunten toegelicht aan de hand van die aantekeningen.
1.4
Na de zitting heeft het hof partijen en de curator in de gelegenheid gesteld om in onderling overleg een regeling te treffen en de zaak daartoe pro forma aangehouden tot 10 maart 2026.
1.5
Bij V8-formulier van 16 februari 2026 heeft SDW het hof medegedeeld dat zij geen heil ziet in een vervolg van het minnelijk traject en heeft zij het hof verzocht om op een zo kort mogelijke termijn arrest te wijzen.
1.6
Het hof heeft vervolgens bepaald dat op 17 maart 2026 arrest zal worden gewezen en heeft partijen en de curator daarvan op de hoogte gesteld.

2.Beoordeling van het hoger beroep

2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [geïntimeerde] en van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat SDW in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.2
De grieven van SDW kunnen – voor zover relevant in het kader van het hoger beroep – als volgt worden samengevat.
2.2.1
De vordering van [geïntimeerde] ziet, evenals de aangevoerde steunvordering van [betrokkene] (ook voormalige werkneemster van SDW), op een transitievergoeding die onbetaald is gebleven na beëindiging van het dienstverband. Ingevolge art. 7:673c lid 1 BW vervalt het recht op een transitievergoeding na faillietverklaring van de werkgever. De vorderingen van [geïntimeerde] en [betrokkene] komen daarom niet voor verificatie in aanmerking. Het faillissementsverzoek van [geïntimeerde] had derhalve moeten worden afgewezen omdat zij geen redelijk belang heeft bij haar verzoek tot faillietverklaring van SDW.
2.2.2
Voorts had [geïntimeerde], gelet op de situatie dat SDW in liquidatie verkeerde, moeten uitzoeken of zij haar vordering wél voldaan zou hebben gekregen indien SDW niet door middel van een turboliquidatie was opgehouden te bestaan, maar haar eigen faillissement had aangevraagd. Gelet op art. 7:673c lid 1 BW moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Door niettemin het faillissement van SDW aan te vragen, heeft [geïntimeerde] misbruik van recht gemaakt.
2.3
Het standpunt van [geïntimeerde] kan als volgt worden samengevat. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 mei 2025 is SDW veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 20.577,76 aan [geïntimeerde]. SDW heeft geen rechtsmiddel tegen de beschikking ingesteld. [geïntimeerde] meent dat art. 7:673c lid 1 BW alleen ziet op een aanspraak op transitievergoeding na een opzegging tijdens faillissement en dat een declaratoire beschikking niet onder het bereik van die bepaling valt.
Voorts geldt dat ook indien de transitievergoeding buiten beschouwing gelaten zou worden, sprake is van pluraliteit. Er zijn namelijk twee proceskostenveroordelingen, te weten een proceskostenveroordeling ten gunste van [geïntimeerde] van € 1.066,04 uit hoofde van voornoemde beschikking en een proceskostenveroordeling ten gunste van [betrokkene] van € 768,- uit hoofde van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van
25 september 2025, die eveneens ziet op een transitievergoeding. Bij de toetsing ex nunc is derhalve voldaan aan het pluraliteitsvereiste en dient het vonnis te worden bekrachtigd, nu SDW in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.4
Het standpunt van de curator komt erop neer dat een vordering uit hoofde van een transitievergoeding niet meer is verschuldigd bij faillissement, dat [geïntimeerde] geen verifieerbare vordering heeft (en [betrokkene] evenmin) en dat zij derhalve geen redelijk belang had bij de faillissementsaanvraag. De curator ziet in dit geval ook geen mogelijkheid om activa voor de boedel te verwerven met een actie op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Gezien de hoogte van de vorderingen uit hoofde van de genoemde proceskostenveroordelingen in verhouding tot de kosten van een faillissement, had op basis van die vorderingen het faillissement van SDW niet uitgesproken kunnen geworden.
2.5
Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.
2.6
De vraag die als eerste ter beantwoording voorligt, is of [geïntimeerde] een voldoende rechtens te respecteren belang heeft bij de faillissementsaanvraag. Volgens de curator vervalt het recht op een transitievergoeding op grond van art. 7:673c lid 1 BW bij faillissement en komt de vordering van [geïntimeerde] dan ook niet in aanmerking voor verificatie in het faillissement. Het hof volgt de curator in zijn standpunt. Voor zover [geïntimeerde] wil betogen dat de betalingsverplichting van SDW – omdat die (inmiddels onherroepelijk) is vastgesteld door de rechter – niet langer (alleen) valt te beschouwen als een aanspraak die voortvloeit uit de wet (het wettelijke recht op een transitievergoeding), maar uit een (onherroepelijk geworden) beschikking, wordt dat argument niet gehonoreerd. Weliswaar is in rechte vastgesteld dat [geïntimeerde] recht heeft op een transitievergoeding en ook tot welk bedrag, maar dat heeft deze aanspraak niet van kleur doen verschieten in de zin dat geen sprake meer is van een vordering met betrekking tot een transitievergoeding, maar van een vordering naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en zij in zoverre niet meer onder het bereik van art. 7:673c lid 1 BW zou vallen.
Ook voor zover [geïntimeerde] betoogt dat art. 7:673c lid 1 BW beperkt dient te worden uitgelegd, namelijk dat deze bepaling alleen ziet op opzeggingen door de curator tijdens het faillissement en niet op vorderen uit hoofde van eerder ontbonden of opgezegde dienstverbanden waarvoor ten tijde van de opzegging of ontbinding een transitievergoeding verschuldigd was, wordt zij niet gevolgd, omdat het tegendeel uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 113) valt af te leiden (onderstreping hof):
“In het tweede lid is daarom geregeld dat, onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, de werkgever ervoor kan kiezen de transitievergoeding in termijnen te betalen. De transitievergoeding kan in dat geval met een bepaald percentage worden verhoogd. Het kan zich voordoen dat een werkgever die gebruik maakt van de mogelijkheid om in termijnen te betalen failliet gaat.Op grond van het eerste lid is dan het nog niet betaalde deel van de transitievergoeding niet langer verschuldigd.
2.7
Voor zover [geïntimeerde] door middel van het aanvragen van het faillissement heeft willen bewerkstelligen dat haar (inmiddels in rechte vastgestelde) transitievergoeding zou worden betaald, valt dan ook niet in te zien hoe het aanvragen van het faillissement daartoe bevorderlijk heeft kunnen zijn. Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerde] in zoverre ook geen redelijk belang heeft bij haar verzoek tot faillietverklaring van SDW.
2.7.1
Met de curator is het hof verder van oordeel dat de transitievergoedingen van [geïntimeerde] en [betrokkene], gelet op het bepaalde in art. 7:673c lid 1 BW, slechts kunnen dienen als steunvorderingen.
2.7.2
[geïntimeerde] heeft haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevuld in die zin dat zij heeft verwezen naar de proceskostenveroordelingen die zijn uitgesproken in haar zaak (en die van [betrokkene]) tegen SDW en die door SDW onbetaald zijn gelaten.
2.7.3
Met deze vorderingen wordt (alsnog) voldaan aan het ‘pluraliteitsvereiste’. Het hof is evenwel (met SDW) van oordeel dat – gelet op alle betrokken belangen – [geïntimeerde] misbruik van recht heeft gemaakt door het faillissement van SDW aan te vragen. Ter toelichting dient het volgende.
2.7.4
Op het moment dat [geïntimeerde] haar faillissementsaanvraag deed, was SDW door middel van een turboliquidatie ontbonden. Als rechtvaardiging voor het aanvragen van het faillissement beroept [geïntimeerde] zich erop dat in de boedel ook een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid valt, die de curator te gelde kan maken. In het inleidend verzoekschrift heeft [geïntimeerde] toegelicht dat de liquidatie van SDW niet aan de wettelijke eisen voldoet omdat niet binnen 14 dagen na het nemen van het aandeelhoudersbesluit tot liquidatie de financiële stukken zijn gedeponeerd, en [geïntimeerde] als schuldeiser niet schriftelijk is geïnformeerd over de turboliquidatie, zoals wettelijk is vereist. Verder heeft SDW enkele maanden voor de liquidatie betalingen gedaan (een bedrag van € 240.000,-) aan een groepsvennootschap, terwijl met dit bedrag ook de preferente vorderingen (transitievergoedingen) van [geïntimeerde] en [betrokkene] hadden kunnen worden voldaan.
2.7.5
Bij de beoordeling van de vraag of een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid in de boedel valt, wordt vooropgesteld dat de enkele omstandigheid dat bij de turboliquidatie van SDW niet is voldaan aan alle voorgeschreven formaliteiten (vgl. art. 2:19b BW) niet (zonder meer) meebrengt dat sprake is van een benadeling van de gezamenlijke crediteuren en/of dat de vennootschap een vordering toekomt uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Verder betwist SDW dat het bestuur onrechtmatig heeft gehandeld. Ter zitting van het hof heeft zij in dit verband aangevoerd dat het bestuur bij de turboliquidatie is geadviseerd (en heeft vertrouwd) op door hem ingeschakelde deskundige derden (zoals een accountant) en dat aan de betaling van € 240.000,- een rechtsgeldige titel ten grondslag heeft gelegen zodat deze betaling gerechtvaardigd was.
2.7.6
De curator heeft geconcludeerd dat een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid geen kans van slagen heeft. [geïntimeerde] heeft het gemotiveerde standpunt van de curator niet met kracht van argumenten bestreden. Bij deze stand van zaken gaat het hof uit van de juistheid van het standpunt van de curator. Overigens is tussen partijen niet in discussie dat de boedel geen activa bevat.
2.7.7
Bij de vraag of sprake is geweest van misbruik van bevoegdheid wordt verder in aanmerking genomen wat de Hoge Raad heeft overwogen in HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3269 (onderstreping hof):
“Het faillissement dient mede ertoe dat de curator ten behoeve van de schuldeisers onderzoekt of en, zo ja, in hoeverre de schuldenaar verhaal biedt. Indien de boedel leeg blijkt, kan het faillissement worden opgeheven op de voet van art. 16 Fw Pro. Bij een rechtspersoon leidt dit van rechtswege tot ontbinding daarvan (art. 2:19 lid Pro 1, aanhef en onder c, BW), waarna de rechtspersoon van rechtswege ophoudt te bestaan (art. 2:19 lid 4 BW Pro). Het enkele feit dat de boedel leeg is of blijkt te zijn, is geen grond voor verzet door de curator op de voet van art. 10.Voor het slagen van dat verzet is vereist dat de faillissementsaanvraag – ongeacht of deze door een schuldeiser dan wel de schuldenaar zelf is ingediend – is aan te merken als misbruik van bevoegdheid. Daarvan kan sprake zijn indien degene die het faillissement aanvraagt, op het moment van de aanvraag weet dan wel behoort te weten dat de boedel leeg is en geen voldoende gerechtvaardigd belang bij de aanvraag heeft, eventueel mede in verband met voor hem beschikbare alternatieven(vgl. de beslissing van 18 december 2015, rov. 4.7.1). Een voldoende gerechtvaardigd belang kan zijn om de ontbinding van de rechtspersoon te bewerkstelligen."
2.7.8
Hoewel de hiervoor aangehaalde overweging gaat over een geval waarin de curator in verzet was gekomen terwijl in dit geval de failliet verklaarde rechtspersoon in hoger beroep is gekomen, gaat het hof ervan uit dat deze maatstaf, gezien de strekking, ook in dit geval toepassing vindt.
2.7.9
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] wist of redelijkerwijze heeft kunnen weten dat de boedel van SDW leeg was (gelet op de turboliquidatie die had plaatsgevonden) en de bestuurdersaansprakelijkheidsvordering het enige actief zou zijn. Door het aanvragen van het faillissement van SDW heeft [geïntimeerde] feitelijk getracht te bewerkstelligen dat de curator onderzoek voor haar (en [betrokkene]) zou gaan verrichten naar de kans van slagen van deze vordering, terwijl voor [geïntimeerde] voorzienbaar was dat de curator een (overigens) lege boedel zou aantreffen, met als gevolg dat het door de curator te verrichten onderzoek naar een (mogelijke) vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid in beginsel voor eigen rekening en risico van de curator zou geschieden.
2.7.10
Het hof stelt verder vast dat er voor [geïntimeerde] een aanvaardbaar alternatief bestond voor het aanvragen van het faillissement. [geïntimeerde] had immers ook zelf rechtstreeks de betrokken bestuurder(s) in rechte kunnen betrekken. Door dat niet te doen, maar in plaats daarvan het faillissement van SDW aan te vragen, heeft [geïntimeerde] haar eigen belangen op onevenredige wijze laten prevaleren boven het belang van de curator die zou worden benoemd in het faillissement van SDW.
2.7.11
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat [geïntimeerde] misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door het faillissement van SDW aan te vragen. Zij heeft daarmee nodeloos kosten aan de zijde van SDW en faillissementskosten veroorzaakt. Omdat SDW in hoger beroep gelijk krijgt, zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten (in beide instanties) en de faillissementskosten, zoals hierna begroot in het dictum.
2.8
Hetgeen meer of anders is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden ten aanzien van de vraag of het faillissement van SDW terecht is uitgesproken, en behoeft hier daarom geen bespreking.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2026;
en
opnieuw rechtdoende:
-
wijst het verzoek tot faillietverklaring van SDW Leerwerkbedrijf B.V. af;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot heden aan de zijde van SDW begroot op:
- € 1.306,- aan salaris advocaat voor de eerste aanleg (twee punten, tarief II, € 653,- per punt; pleitnota (verweerschrift) en zitting),
- € 2.580,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep (twee punten, tarief II, € 1.290,- per punt; rekest hoger beroep en zitting);
- stelt het bedrag van de faillissementskosten (inclusief het salaris van de curator) vast op € 6.714,70 inclusief BTW en veroordeelt [geïntimeerde] in deze kosten;
- bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld kennis geeft van deze uitspraak aan de griffier van de rechtbank Rotterdam.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, C.J. Verduyn en A.J. Swelheim, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.