ECLI:NL:GHDHA:2026:458

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
22-003191-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 SvArt. 75 SvArt. 446 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing schorsing voorlopige hechtenis bij langdurige gevangenisstraf

De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor onder meer medeplegen van voorbereiding van moord. De voorlopige hechtenis was geschorst tot de einduitspraak in eerste aanleg. Het Openbaar Ministerie verzocht om opheffing van deze schorsing, maar het hof oordeelde dat de vordering ontvankelijk was, ondanks betwisting door de verdediging.

Het hof overwoog dat voorlopige hechtenis een ingrijpend dwangmiddel is dat terughoudend moet worden toegepast. De belangen van strafvordering en verdachte moeten zorgvuldig worden afgewogen. Hoewel de ernst van het delict en de opgelegde straf de belangen van strafvordering doen toenemen, is dit volgens het hof niet voldoende om de schorsing op te heffen.

De reclasseringsrapportage toonde aan dat de verdachte zich aan de voorwaarden hield, geen nieuwe justitiecontacten had en stabiel was in wonen en werk. Er was geen acuut hoog risico op gevaar voor eventuele slachtoffers. Het hof concludeerde dat voortzetting van voorlopige hechtenis niet noodzakelijk is en wees de vordering van het OM af.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen en de schorsing blijft van kracht.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003191-25
Parketnummer: 10-170466-24
Datum beschikking: 13 maart 2026
Beschikkingvan de meervoudige raadkamer in strafzaken van het gerechtshof Den Haag naar aanleiding van het hoger beroep in de strafzaak tegen de verdachte, genaamd:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats].

Procesgang

De rechtbank Rotterdam heeft bij beslissing van 31 januari 2025 de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen tot de einduitspraak in eerste aanleg.
Bij vonnis van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12186) heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. De rechtbank heeft daarbij – opnieuw – de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen.
De verdachte heeft op 24 oktober 2025 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft op 1 december 2025 een vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte ingediend.
Het hof heeft deze vordering op 8 januari en 27 februari 2026 in raadkamer behandeld.
In raadkamer zijn gehoord de advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol, de verdachte en haar raadsvrouw mr. R. Boonstra.

De ontvankelijkheid van de vordering

De raadsvrouw heeft betoogd dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk is in de vordering. Zij heeft daartoe gesteld dat de vordering een ‘verkapt appel’ is en dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) hoger beroep had moeten instellen tegen het vonnis, dan wel tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing. Voorts heeft de raadsvrouw gesteld dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het moment dat de schorsing werd bevolen.
Het hof volgt de raadsvrouw niet in haar betoog met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het OM en overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechter ambtshalve of op de vordering van het OM te allen tijde de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen. Voor het indienen van een dergelijke vordering is niet vereist dat is gebleken van gewijzigde omstandigheden. Of van gewijzigde omstandigheden sprake is, kan bij de beoordeling van de vordering een rol spelen, maar is voor de ontvankelijkheid geen vereiste.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is voor de ontvankelijkheid evenmin vereist dat het OM hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarbij de schorsing is bevolen. Een andere opvatting zou tot gevolg hebben dat het OM is genoodzaakt om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waartegen het voor het overige geen bezwaren heeft, terwijl de hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis voor het OM nu juist bezwaarlijk is geworden door het niet-onherroepelijk worden van het vonnis ten gevolge van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
De raadsvrouw heeft erop gewezen dat de officier van justitie ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft verzocht om de op 31 januari 2025 bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen. De rechtbank heeft op dat verzoek niet beslist, omdat die schorsing reeds afliep bij de einduitspraak in eerste aanleg. Voor zover hier al sprake is van een beschikking waarbij een vordering niet is toegewezen als bedoeld in artikel 446 Sv Pro, staat de omstandigheid dat het OM daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de onderhavige vordering. Met de onderhavige vordering beoogt het OM immers opheffing van de op 17 oktober 2025 bevolen schorsing, terwijl het door de officier van justitie gedane verzoek was gericht tegen de op 31 januari 2025 bevolen schorsing.
De advocaat-generaal kan dus worden ontvangen in de vordering.

De beoordeling van de vordering

Bij de beslissing of tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt overgegaan, gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987), staat bij het maken van die afweging voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst als het doel dat – gelet op de grond of de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen – in het concrete geval met de voorlopige hechtenis wordt nagestreefd, ook kan worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden in het kader van zo’n schorsing. Dat betekent dat de rechter pas tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis mag overgaan, als die opheffing noodzakelijk is gelet op het genoemde doel.
In deze zaak betrekt het hof het volgende bij de afweging van belangen.
Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte berust op de grond dat sprake is van verdenking van een feit waarop een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, alsmede op de grond dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van het hof zijn die beide gronden nog steeds aanwezig. In hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf is opgelegd als bedoeld in artikel 75, eerste lid, Sv. De rechtbank heeft de verdachte immers veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren ter zake van – onder meer – medeplegen van voorbereiding van moord en medeplegen van poging tot uitlokking van moord. Het beoogde slachtoffer was de ex-partner van de verdachte en het motief was gelegen in problemen in de familiaire sfeer, zo heeft de rechtbank overwogen. Dergelijke feiten schokken de rechtsorde op ernstige wijze, terwijl de achtergrond van de feiten doet vrezen voor herhaling.
De rechtbank heeft bij de beslissing tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis betekenis toegekend aan het verloop van de eerdere schorsing die was ingegaan op 31 januari 2025, waarin de verdachte de schorsingsvoorwaarden, waaronder verplicht reclasseringscontact, goed is nagekomen en nieuwe justitiecontacten zijn uitgebleven. Ook heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Om meer zicht te krijgen op de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof de advocaat-generaal verzocht een reclasseringsrapportage te doen opmaken. Uit de op 2 februari 2026 uitgebrachte rapportage blijkt onder meer dat de verdachte met haar oudste dochter is verhuisd naar de andere kant van het land en dat zij werk heeft gevonden. Ook heeft de reclassering gekeken naar de vraag of er sprake is van een acuut hoog gevaarsrisico voor eventuele slachtoffers. Wegens het feit dat er in de afgelopen periode geen nieuwe politie- en/of justitiecontacten hebben plaatsgevonden, kan hier volgens de reclassering momenteel niet van gesproken worden. Een nieuw reclasseringstoezicht zou hiervoor ook onvoldoende meerwaarde hebben. Volgens de reclassering zou hernieuwde detentie verlies van stabiliteit op de leefgebieden wonen en werk betekenen. De reclassering ziet “geen acute redenen” voor opheffing van de schorsing.
Het hof komt tot het volgende oordeel.
Hoewel de schorsing van de voorlopige hechtenis te allen tijde kan worden opgeheven, moet daarmee terughoudend worden omgegaan, gelet op het ingrijpende karakter van voorlopige hechtenis als dwangmiddel. De rechtbank heeft tot twee keer toe ruimte gezien voor schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, waarmee de rechtbank een zwaarder gewicht heeft toegekend aan de belangen van de verdachte dan aan de belangen van strafvordering. De voorlopige hechtenis is geschorst sinds 31 januari 2025, ruim een jaar geleden.
Hoewel met het veroordelende vonnis de belangen van strafvordering in gewicht zijn toegenomen, is dat gewicht niet zodanig geworden dat opheffing van de schorsing op dit moment noodzakelijk is. Mede in aanmerking genomen het verloop van de eerdere en de huidige schorsing en de inhoud van de recente reclasseringsrapportage, is naar het oordeel van het hof de rechtsorde thans niet zodanig ernstig geschokt dat dit noopt tot voortzetting van de voorlopige hechtenis; evenmin is die voortzetting thans noodzakelijk ter voorkoming van recidive. Het hof zal de vordering van de advocaat-generaal dan ook afwijzen.

Beslissing

Het hof:
Wijst de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.
Deze beschikking is gegeven op 13 maart 2026 door
mr. G. Knobbout, voorzitter,
mr. B.W. Mulder en mr. M.E.L. Hendriks, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C.E. Koppelaars, griffier.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
……………………………. ………………………………
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Den Haag, 13 maart 2026
de advocaat-generaal