ECLI:NL:GHDHA:2026:458
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing schorsing voorlopige hechtenis bij langdurige gevangenisstraf
De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor onder meer medeplegen van voorbereiding van moord. De voorlopige hechtenis was geschorst tot de einduitspraak in eerste aanleg. Het Openbaar Ministerie verzocht om opheffing van deze schorsing, maar het hof oordeelde dat de vordering ontvankelijk was, ondanks betwisting door de verdediging.
Het hof overwoog dat voorlopige hechtenis een ingrijpend dwangmiddel is dat terughoudend moet worden toegepast. De belangen van strafvordering en verdachte moeten zorgvuldig worden afgewogen. Hoewel de ernst van het delict en de opgelegde straf de belangen van strafvordering doen toenemen, is dit volgens het hof niet voldoende om de schorsing op te heffen.
De reclasseringsrapportage toonde aan dat de verdachte zich aan de voorwaarden hield, geen nieuwe justitiecontacten had en stabiel was in wonen en werk. Er was geen acuut hoog risico op gevaar voor eventuele slachtoffers. Het hof concludeerde dat voortzetting van voorlopige hechtenis niet noodzakelijk is en wees de vordering van het OM af.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen en de schorsing blijft van kracht.