Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:462

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
22-004347-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 SrArt. 140a SrArt. 255 SrArt. 4 WIMArt. 83 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor slavernij, deelname aan IS en hulpeloze toestand minderjarige zoon in Syrië

Het gerechtshof Den Haag heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte veroordeeld voor meerdere ernstige feiten gepleegd in Syrië en Irak. De verdachte werd schuldig bevonden aan slavernij als misdrijf tegen de menselijkheid jegens een Jezidi vrouw, deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS), het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven, en het in hulpeloze toestand laten van haar minderjarige zoon door met hem in oorlogsgebied te verblijven.

De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer, getuigen, eigen verklaringen van de verdachte en digitale communicatie. Het hof oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en bruikbaar waren ondanks enkele inconsistenties. De verdachte had zich het radicale gedachtegoed van IS eigen gemaakt, was bewust naar het strijdgebied gereisd, had een huwelijk gesloten met een IS-strijder en had een vuurwapen gedragen. Tevens verbleef zij in Koerdische detentiekampen na de val van het kalifaat.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de verminderde toerekenbaarheid wegens een lichte verstandelijke beperking en persoonlijkheidsstoornis, en het verblijf in detentiekampen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar. Daarnaast werd een schadevergoeding van €15.000 toegewezen aan het slachtoffer op grond van Syrisch recht, die de verdachte hoofdelijk met haar mededader moet betalen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor €15.000 schadevergoeding wegens slavernij, deelname aan IS, voorbereiden terroristische misdrijven en het in hulpeloze toestand laten van haar zoon.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004347-24
Parketnummers: 71-283722-22
71-256885-24 (gev. ttz ea)
Datum uitspraak: 25 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 december 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1991,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Onderzoek 26Banning
Inhoudsopgave
1. Onderzoek van de zaak3
2. Procesgang3
3. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep3
4. Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep3
5. Tenlastelegging4
6. Vordering van de advocaat-generaal4
7. Het vonnis waarvan beroep4
8. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte4
8.1. Rechtsmacht4
8.2. Gedeeltelijke verjaring feit 44
9. Overwegingen t.a.v. het bewijs5
9.1. Inleiding5
9.2. Verweer t.a.v. de bruikbaarheid van de verklaringen van getuige [slachtoffer 1]6
9.3. Feitenvaststelling9
10. Nadere overwegingen feit 312
11. Nadere overwegingen feit 214
12. Nadere overwegingen feit 417
13. Nadere overwegingen feit 119
13.1. Nadere feitenvaststelling23
14. Bewezenverklaring29
15. Bewijsvoering32
16. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde32
17. Strafbaarheid van de verdachte32
18. Strafmotivering33
19. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] en schadevergoedingsmaatregel36
20. Toepasselijke wettelijke voorschriften42
21. BESLISSING43

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2.Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 2 tenlastegelegde partieel niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Voorts is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 71-256885-24 tenlastegelegde. De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Ook is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3.Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan haar in de zaak met parketnummer 71-256885-24 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

4.Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 10 februari 2026 gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep wat betreft de in de zaak met parketnummer 71-256885-24 tenlastegelegde beslissing tot vrijspraak. Het Openbaar Ministerie heeft te kennen gegeven dat er geen grieven (meer) bestaan tegen de beslissingen die zien op het in de zaak met parketnummer 71-256885-24 tenlastegelegde feit. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van dit feit in hoger beroep. Daarom zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv Pro, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Dit brengt tevens mee dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , die in eerste aanleg daarin niet ontvankelijk is verklaard vanwege voormelde vrijspraak, in hoger beroep niet meer aan de orde is.
Waar hierna wordt gesproken van de zaak of “het vonnis”, wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Het hof zal de feiten van de dagvaarding met parketnummer 71-283722-22 hierna aanduiden als de feiten 1 tot en met 4 zonder vermelding van het betreffende parketnummer.

5.Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd hetgeen is opgenomen in de als
bijlage 1bij dit arrest gevoegde tekst van de tenlastelegging.

6.Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

7.Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet (geheel) verenigt.

8.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte

8.1.
Rechtsmacht
Anders dan de rechtbank stelt het hof vast dat er tevens voor onderdeel E van feit 2 rechtsmacht bestaat (vgl. hof Den Haag 14 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2191).
Ook overigens bestaat - zoals ter terechtzitting in hoger beroep ook niet ter discussie is gesteld - rechtsmacht ten aanzien van de tenlastegelegde feiten.
8.2.
Gedeeltelijke verjaring feit 4
Met de verdediging en het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat het recht tot vervolging van de verdachte voor een gedeelte van het onder feit 4 op grond van artikel 255 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ten laste gelegde, namelijk voor wat betreft de handeling van
het brengenin een hulpeloze toestand, is verjaard.
Artikel 255 Sr Pro stelt, kort gezegd, strafbaar het brengen of laten in een hulpeloze toestand van iemand tot wiens onderhoud of verzorging hij verplicht is. Op het misdrijf is een gevangenisstraf van twee jaren gesteld, zodat de verjaringstermijn, op grond van artikel 70 lid 1 onder Pro 2, zes jaren bedraagt. Op grond van artikel 71 Sr Pro vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd.
Aan de verdachte is onder feit 4 zowel het in hulpeloze toestand brengen als het in hulpeloze toestand laten van haar minderjarige zoon ten laste gelegd. Dit alles zou volgens de tenlastelegging hebben plaatsgevonden in de periode van 16 februari 2015 tot en met 2 november 2022.
Het hof gaat ervan uit dat degene die iemand als bedoeld in artikel 255 Sr Pro in hulpeloze toestand brengt (een commissiedelict) en vervolgens ook in hulpeloze toestand laat (een omissiedelict), zich achtereenvolgens schuldig maakt aan twee afzonderlijke misdrijven (vgl. Hoge Raad 5 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8993,
NJ1989,89). Dit betekent dat voor het eerstgenoemde misdrijf afzonderlijk dient te worden beoordeeld of sprake is van verjaring van het recht op vervolging.
Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus, dat aan de verdachte onder meer wordt verweten – kort samengevat – dat zij haar minderjarige zoon in hulpeloze toestand heeft gebracht door hem mee te nemen naar Syrië en/of Irak, waar een gewapend conflict heerste.
Uit het dossier volgt dat deze handeling heeft plaatsgevonden in de periode tussen 17 februari 2015, zijnde de datum van de reis naar Turkije, en 10 maart 2015, de datum waarop in elk geval kan worden vastgesteld dat de verdachte zich met haar zoon in Raqqa (Syrië) bevond. In de zes jaren nadien hebben ten aanzien van dit feit geen daden van vervolging plaatsgevonden, zodat van een stuiting van de verjaring geen sprake is geweest. Op grond van artikel 70 Sr Pro is door het verlopen van deze verjaringstermijn van zes jaren zonder daad van vervolging het recht tot strafvordering vervallen.
Het hof zal daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaring in de vervolging van de verdachte ten aanzien van dit gedeelte van het onder feit 4 ten laste gelegde.
Het voorgaande geldt niet voor het tevens aan de verdachte ten laste gelegde in hulpeloze toestand
latenvan haar minderjarige zoon, zoals ook niet ter discussie is gesteld.

9.Overwegingen t.a.v. het bewijs

9.1.
Inleiding
Hierna zal achtereenvolgens worden beoordeeld of wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het voorbereiden van misdrijven met een terroristisch oogmerk (feit 3), deelname aan een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk (feit 2), het in hulpeloze toestand laten van haar minderjarige zoon (feit 4) en het medeplegen van slavernij als misdrijf tegen de menselijkheid (feit 1), zoals aan de verdachte ten laste is gelegd.
Voordat hiertoe zal worden overgegaan, zal eerst worden ingegaan op het verweer van de verdediging ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 1] voor het bewijs.
Vervolgens zal het hof op basis van de voorhanden wettige bewijsmiddelen de feiten vaststellen die ten grondslag liggen aan de overwegingen ten aanzien van het bewijs.
Daarna zal het hof ingaan op de afzonderlijke ten laste gelegde feiten, in de hiervoor genoemde volgorde. Daarbij zullen telkens aan de orde komen de standpunten van partijen, het juridisch beoordelingskader en vervolgens de beoordeling door het hof.
9.2.
Verweer t.a.v. de bruikbaarheid van de verklaringen van getuige [slachtoffer 1]
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet betrouwbaar zijn en om die reden niet bruikbaar voor het bewijs.
Samengevat heeft de verdediging daartoe het volgende gesteld:
Er bestaan grote tegenstrijdigheden tussen de verschillende verklaringen van [slachtoffer 1] alsmede binnen één en dezelfde verklaring en er is een groot gebrek aan details in de verklaring van [slachtoffer 1]
Zo spreekt [slachtoffer 1] in haar eerste verklaring ten overstaan van de Commissie voor Onderzoek en Bewijsverzameling (hierna: CIGE) in het geheel niet over de verdachte, terwijl de verdachte volgens de laatste verklaring van [slachtoffer 1] , ten overstaan van de rechter-commissaris, de belichaming van al het kwaad is: de verdachte is IS, zij dient berecht te worden voor alle gruweldaden van IS.
Tegenstrijdigheden in de verklaringen van [slachtoffer 1] zien voorts op - onder meer -:
- de periodes waar [slachtoffer 1] ergens heeft verbleven, al dan niet samen met de verdachte,
- over hoe de verdachte zich tegenover [slachtoffer 1] zou hebben gedragen. Bij UNITAD verklaarde [slachtoffer 1] dat de verdachte lui was en haar niet slecht zou behandeld zou hebben, bij de rechter-commissaris verklaarde zij dat zij de knecht was van de verdachte en dat de verdachte boos werd als zij haar opdrachten uitvoerde,
- de vraag of [slachtoffer 1] een sleutel van de woning had en zelf kon gaan en staan waar ze wilde,
- over de taal waarin/ de wijze waarop de verdachte en [slachtoffer 1] communiceerden.
Ten aanzien van de bij UNITAD afgelegde verklaringen geldt voorts dat een audio- of videoregistratie ontbreekt, evenals een beëdiging en dat er sprake is geweest van her en der sturende vragen, in ieder geval geenszins open vragen, maar gesloten en bevestigende vragen.
In de optiek van de verdediging is de enige betrouwbare verklaring van [slachtoffer 1] de bij CIGE afgelegde verklaring. Daar is [slachtoffer 1] volgens de raadsvrouw open bevraagd, is zij beëdigd en verklaart [slachtoffer 1] in details over data, plaatsen en gebeurtenissen. In deze verklaring wordt de verdachte niet genoemd, hetgeen de verdediging doet voorkomen dat de verdachte geenszins de rol/aandeel heeft gehad die [slachtoffer 1] haar later toeschrijft.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] bruikbaar zijn voor het bewijs en betrouwbaar zijn.
Beoordeling
Het hof overweegt als volgt. Het dossier bevat de volgende verklaringen bevat van [slachtoffer 1] :
  • Een zeer korte verklaring bij de “Yezidi rescue office” in 2015;
  • Een verklaring ten overstaan van een Syrische rechter werkzaam voor CIGE op 29 januari 2016;
  • Verklaringen ten overstaan van de “Investigative Team to Promote Accountability for Crimes Committed by Da'esh/ISIL” (hierna: UNITAD) op 28 maart en op 27, 28 en 29 juni 2022;
  • Een verklaring ten overstaan van de Nederlandse rechter-commissaris op 27 en 29 augustus 2022.
Met betrekking tot de eerste verklaring van [slachtoffer 1] ten overstaan van een Syrische rechter werkzaam voor CIGE overweegt het hof als volgt. Daarin verhaalt [slachtoffer 1] chronologisch wat haar en haar familie is overkomen. De verklaring begint bij de vluchtpogingen die zij hebben ondernomen toen IS de aanval op de Jezidi’s begon en vervolgt over de gevangenneming van haar familie, het dodelijke geweld waarvan zij getuige was, de plaatsen waar zij nadien naar toe is gebracht en waar zij is vastgehouden, dat ze langdurig van haar kinderen is gescheiden, dat zij haar jonge zoon eerst na acht maanden training bij IS terugzag, hoe ze terecht kwam bij [persoon 1] , dat ze aan [persoon 1] als slaaf werd toegewezen, dat ze bijna dagelijks door [persoon 1] werd verkracht, dat een arts in opdracht van [persoon 1] bij haar een spiraaltje verwijderde opdat zij zwanger zou worden van [persoon 1] , dat één van haar dochters is komen te overlijden, dat haar andere twee dochters zijn verhandeld als slaaf en spoorloos zijn en hoe zij heeft kunnen vluchten.
Dat [slachtoffer 1] in deze verklaring niet over de verdachte heeft verklaard is naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, nu de verdachte op hoofdlijnen verklaart welke ernstige dingen haar en haar kinderen gedurende meerdere jaren zijn overkomen. Het verblijf van enkele weken met de verdachte in de woning van [persoon 1] maakt daarvan, relatief gezien, maar een klein gedeelte uit. Uit het verhoor blijkt overigens niet of er vragen zijn gesteld waarop - gelet op hetgeen ze later zou verklaren - te verwachten was dat [slachtoffer 1] de verdachte zou hebben genoemd. De vragen die aan [slachtoffer 1] zijn gesteld, zijn in het verhoor niet weergegeven.
In haar verklaring bij UNITAD verklaart [slachtoffer 1] voor het eerst over de verdachte. Dit doet zij in antwoord op de vraag “Heb je vrouwen ontmoet die op een of andere manier bij IS hoorden?”. Het antwoord van [slachtoffer 1] op die vraag is - samengevat - dat de verdachte en haar kind soms verbleven in de woning van [persoon 1] waar [slachtoffer 1] woonde en dat de verdachte haar liet werken en verplichtte om te bidden. Dat er op dit punt, de introductie van de verdachte in de verklaringen van [slachtoffer 1] , sturend of bevestigend zou zijn gevraagd, is niet gebleken.
De vraagstelling in de door de UNITAD afgenomen verklaringen had zo nu en dan wat meer open mogen zijn geweest, in zoverre geeft het hof de verdediging gelijk. Dat echter sprake is geweest van een dermate gesloten of zelfs sturende vraagstelling dat [slachtoffer 1] als een gevolg daarvan niet in vrijheid heeft verklaard is het hof gelet op de inhoud van de verklaringen geenszins gebleken. Integendeel, [slachtoffer 1] bleek in staat ook op meer gesloten vragen met de nodige nuance te kunnen verklaren.
De verklaringen van [slachtoffer 1] lijken zo nu en dan een inconsistentie te bevatten, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of zij een sleutel had van de woning van [persoon 1] . Deze wellicht schijnbare inconsistentie kan mogelijk worden verklaard door tijdsverloop of doordat bepaalde onderdelen onvoldoende zijn uitgevraagd of onvoldoende in de tijd zijn geplaatst tijdens de verhoren. De kern van de verklaring van [slachtoffer 1] is overigens niet dat zij niet weg kon omdat zij geen sleutel van de woning had, de kern is dat zij niet weg kon omdat haar jonge zoon door IS gevangen was genomen en [slachtoffer 1] niet zonder hem wilde vluchten.
De verklaringen van [slachtoffer 1] over hoe de verdachte [slachtoffer 1] behandelde en haar verklaringen over het karakter van de verdachte, waarbij [slachtoffer 1] de verdachte de ene keer wat milder beoordeelt dan de andere keer, zijn naar het oordeel van het hof niet zozeer inconsistent, maar passen in de gegeven context. Het hof betrekt daarbij dat [slachtoffer 1] initieel door [persoon 1] tot slaaf was genomen, met het nodige geweld, en dat [slachtoffer 1] nadien lange dagen met de verdachte en diens zoon in één woning heeft verbleven, terwijl er geen sprake is geweest van fysiek geweld tegen [slachtoffer 1] door de verdachte. Dat [slachtoffer 1] de verdachte, ter gelegenheid van het verhoor bij de rechter-commissaris lijkt te identificeren met IS en dat [slachtoffer 1] boos lijkt te zijn op IS en de verdachte, wil nog niet zeggen dat de inhoud van de verklaringen over de verdachte en over het tenlastegelegde onjuist is.
Al met al komen de verklaringen van [slachtoffer 1] het hof authentiek voor, en zijn deze voldoende gedetailleerd en consistent waar het de verdenking onder feit 1 betreft, zoals met betrekking tot datgene wat [slachtoffer 1] heeft moeten doen in de woning van [persoon 1] in aanwezigheid van de verdachte. Opvallend is dat [slachtoffer 1] haar verklaring niet lijkt te hebben aangedikt, waar dat, in het scenario dat zij verdachtes rol groter zou hebben willen maken dan die was, makkelijk had gekund.
Dat de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer 1] zouden zijn ingegeven of beïnvloed door contacten met anderen, zoals NGO’s of medewerkers van UNITAD, zoals de verdediging heeft geopperd, is niet gebleken. Dat volgt in ieder geval niet uit het enkele feit dat in 2023 contact is geweest tussen de verdachte en medewerkers van UNITAD.
Het gegeven dat sommige verhoren niet auditief of visueel zijn opgenomen, en dat [slachtoffer 1] niet ter gelegenheid van ieder verhoor beëdigd is geweest, maakt evenmin dat de verklaringen van [slachtoffer 1] onbruikbaar zijn.
Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat [slachtoffer 1] uitgebreid is gehoord bij de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de verdediging, die ook in de gelegenheid is geweest om [slachtoffer 1] te bevragen. Bij de aanvang van dat verhoor is aan [slachtoffer 1] uitgelegd dat het verhoor alleen gaat over datgene wat zij zich kan herinneren. Desgevraagd heeft [slachtoffer 1] in dit verhoor verklaard dat zij niet onder druk is gezet en dat zij geen geld heeft gekregen voor het afleggen van haar verklaring.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, concludeert het hof dat in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanknopingspunten zijn te vinden om te oordelen dat de verklaringen van [slachtoffer 1] onbruikbaar zijn als bewijsmiddel. Ook ambtshalve ziet het hof geen aanleiding om tot een dergelijke conclusie te komen. De verklaringen van [slachtoffer 1] zijn dan ook bruikbaar voor het bewijs.
9.3.
Feitenvaststelling
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Islamitische Staat
De organisatie Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) riep op 29 juni 2014 het kalifaat uit in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië. Vanaf dat moment werd de naam ISIL niet langer gebruikt, maar vervangen door Islamitische Staat (IS). IS wordt omschreven als een jihadi-salafistische organisatie, die opriep tot het op gewelddadige wijze omverwerpen van seculiere regimes. Inwoners van door IS gecontroleerd gebied, dienden zich - onder dreiging van extreem geweld - te conformeren aan de door IS gehanteerde interpretatie van de islam.
Vanaf de oprichting van IS kenmerkte deze organisatie zich door het systematisch toepassen van extreem geweld, waaronder publiekelijk uitgevoerde executies (door middel van onder andere onthoofdingen en kruisigingen). Ook werden terreuraanslagen gepleegd in en buiten het kalifaat.
Periode voorafgaand aan de uitreis van de verdachte naar Syrië
De verdachte is in september 2014 begonnen zich te verdiepen in de islam om zo houvast te vinden in haar leven. Voor die tijd was zij niet praktiserend. In december 2014 begon zij zich ook islamitisch te kleden, en droeg zij een hoofddoek en lange gewaden, iets wat zij voorheen niet deed.
Uit de getuigenverklaringen van medewerkers van de school waar de verdachte haar opleiding volgde, blijkt dat in deze periode op de Facebook-pagina van de verdachte meerdere foto’s stonden, waaronder een foto van een IS-vlag met een AK47 en kogels, een foto van strijders met wapens in een woestijn tezamen met een man in een wit gewaad en met een wapen en tot slot een foto met strijders die op de grond aan het bidden waren, met wapens op de grond naast hen. De medewerkers van de school maakten zich, vanwege het Facebook-profiel van de verdachte in combinatie met de manier waarop zij zich opeens kleedde, zorgen om de verdachte en hebben de politie ingeschakeld. De politie is diezelfde maand nog hierover in gesprek gegaan met de verdachte, samen met een hulpverlener met wie de verdachte al contact had. Aan haar heeft de verdachte verteld dat zij weleens nadacht over uitreizen naar Syrië.
De studentenbegeleidster op school heeft gesprekken gevoerd met de verdachte over IS en de jihad. Hierin zei de verdachte onder meer dat het prachtig was voor kinderen als ze dood zouden gaan, want volgens de verdachte is het heel mooi bij Allah in de hemel, veel beter dan op aarde, en dat ongelovigen moesten (worden) vernietigd. Volgens de verdachte was het goed wat er in Syrië gebeurde omdat ze (het hof begrijpt: IS) de wereld zuiverden en dit de enige manier was om dit te doen; dat er een kans is dat de mannen daarbij sneuvelden was niet erg, het hiernamaals was volgens de verdachte toch heel mooi. Over de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs zei de verdachte dat dit veel vaker zou gaan gebeuren in de wereld en dat het goed was wat die mannen hadden gedaan, de wereld werd nu gezuiverd.
Ook een andere medewerker op school heeft gesproken met de verdachte. Ze zou volgens hem het gedrag van IS altijd goedpraten en desgevraagd hebben gezegd dat het niet erg zou zijn als bij haar kind het hoofd zou worden afgesneden, omdat hij dan naar het paradijs zou gaan.
Voorafgaand aan haar uitreis heeft de verdachte zich verdiept in Syrië en IS. Zij volgde via internet, sociale media en het nieuws wat zich in Syrië afspeelde. Zodoende wist ze dat het daar oorlog was, wat IS deed en waar het om bekend stond. Ze heeft naar eigen zeggen informatie over IS opgehaald om te weten wat haar te wachten stond.
De verdachte is twee maanden voor vertrek actief geweest op IS-pagina’s en heeft contact opgenomen met mensen die in Syrië waren. Zij heeft iemand gecontacteerd die haar heeft geholpen en instructies heeft gegeven hoe naar Syrië te reizen, ene [contactpersoon] . Van hem kreeg de verdachte de instructie om een vliegticket te kopen naar Turkije en om contact op te nemen als zij in Turkije was. De verdachte heeft vervolgens voor haar en haar zoontje [minderjarige] (geboren op [geboortedatum 2] ) twee vliegtickets gekocht van Düsseldorf International Airport (Duitsland) naar Antalya (Turkije).
De uitreis naar Syrië
In februari 2015 besloot de verdachte om daadwerkelijk uit te reizen naar het kalifaat in Syrië, omdat zij het als haar plicht als moslim zag om hijrah te verrichten. Op 17 februari 2015 is ze samen met haar zoon, destijds 4 jaar oud, naar Antalya gevlogen.
Aangekomen in Turkije heeft de verdachte haar contactpersoon gebeld. Volgens instructie is zij met haar zoon naar een bepaalde ophaallocatie gereisd, waarvandaan zij naar een huis zijn gebracht. Daar zijn zij opgehaald door mensen die hen de grens met Syrië hebben helpen oversteken.
Op 10 maart 2015 heeft de verdachte aan haar klasgenoten in Nederland bericht dat ze naar Syrië geëmigreerd is en nooit meer terugkomt.
Na haar aankomst in Syrië is de verdachte samen met haar zoon geplaatst in een
madafa, een vrouwenhuis (hierna: madafa). Bij haar aankomst is de verdachte naar eigen zeggen stevig ondervraagd om te controleren of zij geen spion was. De verdachte heeft twee à drie weken in dit vrouwenhuis verbleven, waarna zij naar een andere madafa in Raqqa is overgeplaatst. De verdachte is vanuit deze madafa begin mei 2015 getrouwd met een IS-strijder, met de
[bijnaam](bijnaam) [de man] en oorspronkelijk afkomstig uit Marokko.
Ongeveer 10 dagen na het huwelijk is [de man] voor de duur van ongeveer een maand naar Irak gegaan. In die periode verbleven de verdachte en haar zoon in de woning van [persoon 1] in Raqqa, waar ook de getuige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) verbleef. Op deze periode zal hierna in dit arrest, bij de bespreking van feit 1, nader worden ingegaan.
Periode van verblijf in Syrië en Irak
De verdachte en [de man] hebben gedurende hun verblijf in IS-gebied samen drie kinderen gekregen.
De verdachte en haar gezin hebben op meerdere plekken in het door IS gecontroleerde (strijd)gebied gewoond, zowel in Syrië alsook in Irak. Vanwege bombardementen, gevechten en het kleiner worden van het door IS gecontroleerde gebied is de verdachte meermalen verhuisd. Een van de huizen waar de verdachte heeft gewoond, is geraakt tijdens een bombardement terwijl de verdachte op dat moment niet thuis was.
De verdachte heeft gedurende haar verblijf in Syrië en Irak via WhatsApp contact onderhouden met haar vader en hem op de hoogte gesteld van de situatie. Zo schreef de verdachte op 3 september 2015 dat de gevechten in Irak zwaarder zijn dan in Syrië, en dat de wifi is uitgeschakeld voor de veiligheid ‘
tegen de kuffar je weet met die vliegtuigen ze hebben met ramadan en el ied vaak gebombardeerd’.Later, op 3 januari 2017, stuurde de verdachte haar vader het volgende bericht: “
Ik hoor nu hier de laatste paar dagen veel vliegtuigen paar dagen geleden hebben ze twee bommen hier gegooid heel vlakbij hier ik sta hier elke dag dicht bij de dood subhanaa Allah duaa papa alsjeblieft doe duaa voor ons en voor de mujahedeen dien het vechten zijn bidznillah ga we allemaal shaheed.” Het hof begrijpt dat de verdachte haar vader hier vraagt om voor hen en voor de strijders te bidden zodat ze, als Allah het wil, allemaal martelaar kunnen worden.
De verdachte heeft in die periode ook spraakberichten verstuurd naar haar tante [naam tante] , die in de eerste jaren altijd positief waren over haar leven in Syrië.
In haar chats heeft de verdachte meermalen haar vader en andere familieleden gevraagd naar Syrië te komen. Zo schreef ze op 12 oktober 2015 aan haar vader:
“kom nou deze kant op hier hb je beter leven dan in nl!”Op 15 december 2016 schreef de verdachte aan haar vader: “
papa alsjeblieft kom volg niet deze wereldse leven papa gooi alles weg wat niet met akhira (het hof begrijpt: het hiernamaals) te make heeft (…) kom als je jannah (het hof begrijpt: het paradijs) wilt moet Allah gehoorzamen (…) kom gewoon deze kant op” Op 10 februari 2017 schreef ze aan haar vader:
“ik [h]oorde dat de honden nu n verbod geven voor de vrouwen d[i]e niqab/burka dragen [..] moge Allah deze vieze honden vervloeken n hun haat die ze hebb[e]n er in stikken [..] zo zie je maar weer papa hoe deze vieze kuffar ons moslims behandelen wanneer kome jullie deze kant op [..] wil je jannah dan moet je de akhira volgen n niet deze vieze dunya(het hof begrijpt: het aardse leven)
! Vress Allah papa deze wereld is niks”Ook heeft ze andere familieleden gevraagd daarheen te komen, en deelde ze foto’s van haar kinderen. Op 30 januari 2016 stuurde de verdachte een foto van haar zoon met een band om zijn hoofd met logo van IS; op 16 mei 2016 een soortgelijke foto van haar pasgeboren dochtertje.
De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat zij in die tijd dacht dat je de verplichting hebt te wonen in de Islamitische staat als je in Allah gelooft. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat zij achter de shariawetgeving stond die in het kalifaat van IS gold.
De echtgenoot van de verdachte was zoals vermeld strijder bij IS. [de man] ging de meeste dagen ’s ochtends weg en kwam pas ’s avonds weer terug. De verdachte en haar gezin moesten rondkomen van het geld dat haar man [de man] elke maand kreeg van IS. Hij is meermalen gewond geraakt, onder meer bij een bombardement. Hij beschikte over wapens, een AK 47 en een pistool. De verdachte heeft zelf ook meermalen een wapen gedragen als ze naar buiten ging, te weten een pistool. Ze heeft verklaard dat zij het wapen heeft gedragen ter zelfbescherming. Tegen [slachtoffer 1] heeft ze hierover gezegd dat er mensen tegen IS waren en dat het dus uit voorzorg was dat haar niks zou overkomen. De verdachte hield zich verder bezig met huishoudelijk taken zoals schoonmaken, koken, zorgen voor haar man en het zorgen voor de kinderen.
De verdachte is tijdens de zwangerschap van haar jongste kind gescheiden van [de man] , welke scheiding na de bevalling in juli 2018 officieel was. Omdat zij toen vanwege de scheiding geen geld meer ontving, heeft de verdachte zich bij IS laten registreren zodat zij eten en drinken kon krijgen. Zij heeft een pasje gekregen en ontving naast voedsel ook luiers voor de kinderen.
De naam van de verdachte komt in verschillende documenten uit de IS-administratie voor. Zo is haar naam geregistreerd door de afdeling ‘Strijderszaken’ en het ‘Centrum voor (krijgs)gevangenen en martelaren’ in de provincie Al Baraka gedurende de periode van 9 juli 2018 tot 26 februari 2019. Zij had een ledenpas en een persoonsnummer.
Begin 2019 verbleef de verdachte in de provincie Al Baraka, wat toen een van de laatste stukken grondgebied was in handen van IS. Op 26 februari van dat jaar is zij met haar vier kinderen in het opvangkamp Al-Hol terecht gekomen en later in Al-Roj.
Het kalifaat van IS is in maart 2019 gevallen.
Begin november 2022 zijn de verdachte en haar kinderen naar Nederland teruggekeerd.

10.Nadere overwegingen feit 3

Samenvatting verdenking
Aan de verdachte is tenlastegelegd - kort gezegd - dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, de in de tenlastelegging onder A tot en met G genoemde voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als doodslag, moord en/of brandstichting met een terroristisch oogmerk.
Standpunten partijen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, en heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de in de tenlastelegging beschreven gedragingen heeft verricht met het door artikel 96 Sr Pro vereiste oogmerk. De verdediging heeft hierbij gewezen op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte.
Het Openbaar Ministerie heeft tot bewezenverklaring van dit feit gerekwireerd, en aangevoerd dat ten aanzien van onderdeel G sprake is van medeplegen.
Beoordelingskader
De in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.
Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet.
Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.
Beoordeling
Gelet op de hiervoor reeds weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door het hof gehanteerde bewijsmiddelen acht het hof de onder A, B, C, D, F en G opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals weergegeven in de bewezenverklaring. Samengevat komt dit erop neer dat de verdachte:
o zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd van IS heeft eigen gemaakt (A);
o zich heeft laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak (B);
o de reis naar Syrië en/of Irak heeft gemaakt teneinde zich te begeven naar en te verblijven in het strijdgebied (C);
o met een IS-strijder een huwelijk is aangegaan en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd (D);
o heeft gechat, berichten en/of afbeeldingen heeft gedeeld met gewelddadig jihadistisch getinte en/of (pro)IS-gerelateerde content (F);
o een vuurwapen heeft gedragen en voorhanden gehad (G).
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze handelingen samen met een of meer anderen heeft gepleegd, zodat zij van het onderdeel medeplegen zal worden vrijgesproken.
Met de verdediging en het Openbaar Ministerie acht het hof hetgeen onder E is tenlastegelegd (kort gezegd: het deelnemen of bijdragen aan de gewapende Jihadstrijd) evenmin bewezen, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Van de periode na 26 februari 2019 zal de verdachte voorts worden vrijgesproken, omdat de verdachte zich toen heeft overgegeven en daarna in Koerdische opvangkampen heeft verbleven.
Met betrekking tot het voor de bewezenverklaring vereiste oogmerk de ten laste gelegde terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen overweegt het hof het volgende.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van getuigen en van de verdachte zelf, leidt het hof af dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode volledig achter het gedachtegoed stond dat door IS werd verkondigd. Haar gedrag en uitingen laten daar geen misverstand over bestaan. Met de gedachte dat zij de
hijrahwilde verrichten is de verdachte, die zich had verdiept in IS en zich goed had voorbereid, uitgereisd naar Syrië om zich te vestigen in het kalifaat, alwaar ze met een IS strijder is gehuwd. Er is geen reden aan te nemen dat de beweegredenen van de verdachte zijn gewijzigd tijdens haar verblijf in de bewezenverklaarde periode. Dit valt bijvoorbeeld niet op te maken uit haar berichtgeving aan anderen in die periode. Integendeel heeft zij aan haar tante jarenlang positief bericht over haar leven in het kalifaat. De berichten die zij tijdens haar verblijf aan haar vader zond, en waarin zij hem, en andere familieleden vroeg zich bij haar te voegen, alsmede de foto’s die ze stuurde, geven er blijk van dat de verdachte stond achter het extremistisch gedachtegoed van IS en dat zij de door IS gepredikte en met geweld gehandhaafde shariawetgeving omarmde. Ook het dragen van het wapen kan daarvan niet losgezien worden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte dit wapen in de openbare ruimte droeg in het door IS uitgeroepen en met geweld in standgehouden kalifaat, ter verdediging tegen mensen die tegen IS waren. Ook slaat het hof in dit verband acht op haar uitlatingen over het martelaarschap, dat zij verheerlijkte. Het wapen stond de verdachte ter beschikking en kan bij gebruik letsel en schade veroorzaken en angst teweegbrengen. Dat de verdachte het wapen - volgens haar verklaring - van haar man moest dragen en het niet heeft gebruikt, maakt het voorgaande niet anders.
Naar het oordeel van het hof kan aldus worden bewezen dat de verdachte de handelingen A, B, C, D, F en G heeft ondernomen, als gepreciseerd in de bewezenverklaring, met het oogmerk de tenlastegelegde terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen. Uit de combinatie van deze handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen kan, mede gelet op hetgeen het hof daarover in het voorgaande heeft vastgesteld, het oogmerk van de verdachte worden afgeleid.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat ten tijde van het plegen van de feiten bij de verdachte weliswaar sprake was van een lichte verstandelijke beperking en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, maar dat gesteld noch gebleken is dat zij daardoor niet in staat was de reikwijdte van haar handelen te kunnen overzien. Dit staat aan een bewezenverklaring op dit onderdeel daarom niet in de weg.

11.Nadere overwegingen feit 2

Samenvatting verdenking
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij - kort gezegd - in de periode van 16 februari 2025 tot en met 22 november 2022, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten IS.
Standpunt partijen
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat de verdachte - kort gezegd - geen deelnemingshandelingen heeft verricht.
Het Openbaar Ministerie heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd van het medeplegen van deelname aan de terroristische organisatie IS.
Beoordelingskader
Terroristische organisatie
Volgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr Pro, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.
Onder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking - zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie - en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Deelneming
Van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel l40a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband én een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, dan wel deze ondersteunt.
Niet iedere bijdrage van een persoon, behorende tot het samenwerkingsverband van de organisatie, leidt aldus tot deelneming in de zin van die bepaling. Er dient een aantoonbare relatie te bestaan tussen de deelnemingsgedraging en het oogmerk van de organisatie.
De deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan.
De deelneming moet voor de verdachte steeds op zichzelf worden beoordeeld.
Een aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand-en-spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Of daarvan in een concreet geval sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat geval.
Opzet
Ten aanzien van het voor de bewezenverklaring vereiste opzet op het terroristische oogmerk van de organisatie geldt dat voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.
IS/ISIS/ISIL
Het gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat IS/ISIS/ISIL (in zijn algemeenheid ook wel aangeduid als: IS) in de tenlastegelegde periode oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven. Strijdgroepen als IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr. IS is door de Nederlandse rechter meermaals aangemerkt als een terroristische organisatie. [1]
Beoordeling deelname terroristische organisatie
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden en de overige bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.
Vast staat dat de verdachte met haar zoon [minderjarige] op 17 februari 2015 via Duitsland en Turkije is afgereisd naar Syrië. De verdachte wilde naar het door IS uitgeroepen kalifaat om de
hijrahte verrichten, terwijl zij wist dat er oorlog was in Syrië en dat IS (extreem) geweld pleegde ten aanzien van andersgelovigen. Voor haar uitreis heeft de verdachte bewust kennis opgedaan over IS, zodat zij wist wat haar te wachten stond en hoe zij zich moest kleden en gedragen.
Na ruim twee maanden in een madafa te hebben verbleven, heeft de verdachte ervoor gekozen om te trouwen met [de man] , een IS-strijder, en zich gedurende een lange periode in het kalifaat van IS te vestigen in Syrië en Irak. De verdachte heeft met [de man] een gezamenlijke huishouding gevoerd. De verdachte en haar gezin kwamen rond van het geld dat [de man] elke maand kreeg van IS. [de man] beschikte over vuurwapens, terwijl de verdachte zelf ook meermalen een wapen heeft gedragen.
Ook nadat zij was gescheiden van [de man] is de verdachte binnen IS-gebied gebleven, tot aan de uiteindelijke val van het kalifaat. De verdachte heeft ervoor gekozen om zich ook toen te wenden tot IS, zoals blijkt uit de documenten uit de administratie van IS. Ook komt zij in de periode van 9 juli 2018 tot 26 februari 2019 voor in de ledenadministratie van IS met een bijbehorend persoonsnummer.
De verdachte heeft zich gedurende de hele periode van haar verblijf in het kalifaat onder het gezag van IS gesteld en zich onderworpen aan de door IS opgelegde regels van de sharia. Dat was een keuze uit overtuiging. De verdachte stond achter deze sharia regels. Het gedachtegoed van IS heeft ze ook uitgedragen naar mensen in haar omgeving, waaronder haar vader, blijkens de berichten naar hem waarin ze het heeft over ‘vieze kuffars' (ongelovigen) en de plicht om naar het kalifaat te komen. Die verbondenheid met IS blijkt ook uit de omstandigheid dat zij twee van haar kinderen met een band van IS om het hoofd heeft geportretteerd.
Gelet op het voorgaande kan ten aanzien van de verdachte méér vastgesteld worden dan enkel in IS-gebied verblijven en een gemeenschappelijke huishouding voeren met iemand van IS. Ze heeft zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van IS eigen gemaakt en heeft zich onder het gezag van IS en de daaraan verbonden regels van de sharia gesteld; eerst in een madafa en daarna door zich met haar echtgenoot te vestigen in IS-gebied nadat zij was getrouwd. Daarnaast heeft de verdachte in berichtgeving aan anderen het gedachtegoed van IS verspreid en familieleden verzocht naar haar te komen en aldus uit te reizen naar Syrië. Voorts heeft de verdachte de beschikking gehad over een vuurwapen en heeft zij die meerdere malen gedragen in de openbare ruimte.
Bovendien heeft de verdachte - zoals hierna onder feit 1 nader uiteen zal worden gezet - zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van slavernij als misdrijf tegen de menselijkheid. Deze gedraging, bezien in de context waarin deze is verricht, kan in rechtstreeks verband worden gebracht met de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS. Immers, zoals hierna nader zal worden uiteengezet, zijn door IS op 3 augustus 2014 bij een gewelddadige aanval in het Sinjargebied (Irak) vele jezidi-vrouwen en -meisjes gevangengenomen en vervolgens onderworpen aan slavernij. IS documenteerde en reguleerde de verkoop van slaven binnen hun grondgebied nauwkeurig en verstrekte zelfs bewijzen van eigendom en transacties. IS beschouwde jezidi-vrouwen en kinderen als oorlogsbuit. IS claimde dat gebruik maken van hun diensten was wat een 'kalifaat op de profetische methodologie' zou moeten doen en zorgde dat het houden van slaven binnen haar opvatting van de sharia viel. Door deze ideologische verantwoording normaliseerde IS slavernij en werd het verwerkt in het alledaagse leven.
De hiervoor besproken feiten en omstandigheden tezamen, in onderlinge samenhang bezien, leveren op het vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS.
Gelet op al het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan de terroristische organisatie IS heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, zodat de verdachte van het onderdeel medeplegen zal worden vrijgesproken.

12.Nadere overwegingen feit 4

Samenvatting verdenking
Aan de verdachte is tenlastegelegd, voor zover thans nog aan de orde, dat zij - kort gezegd - in de periode van 16 februari 2025 tot en met 22 november 2022, haar minderjarige zoon [minderjarige] in een hulpeloze toestand heeft gelaten.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken aangezien zij geen (voorwaardelijk) opzet had op het in hulpeloze toestand laten van haar minderjarige kind. De verdediging heeft daartoe aangevoerd - samengevat -dat de verdachte weg wilde uit IS-gebied, maar dat zij wist dat een vlucht met haar kinderen - indien onsuccesvol - ertoe zou leiden dat zij dit mogelijk niet zouden overleven.
Standpunt Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft tot bewezenverklaring van dit feit gerekwireerd.
Beoordelingskader
Onder hulpeloze toestand in de zin van artikel 255 Sr Pro wordt verstaan een toestand waarin concreet gevaar voor de gezondheid of het leven bestaat van de persoon ten aanzien waarvan de verplichting tot onderhoud, verpleging of verzorging bestond. Deze toestand zal alleen bestaan als de hulpbehoevende niet in staat is om zichzelf (afdoende) zorg te verschaffen.
Voor een veroordeling ter zake van artikel 255 Sr Pro is opzet vereist, waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Het opzet dient niet alleen gericht te zijn op het (in dit geval) ‘in hulpeloze toestand laten van een hulpbehoevende’, maar ook op de omstandigheid dat ‘krachtens wet of overeenkomst onderhoud, verpleging of verzorging verplicht is’. Het opzettelijk in hulpeloze toestand laten is een voortdurend omissiedelict dat in beginsel blijft voortduren zolang kan worden geoordeeld dat het vereiste opzet op het in die hulpeloze toestand laten aanwezig is.
Beoordeling
Niet ter discussie staat dat de verdachte in de tenlastegelegde periode als moeder van de minderjarige [minderjarige] de wettelijke plicht had voor hem te zorgen en dat zij daarvan op de hoogte was.
Vast staat dat de verdachte haar minderjarige zoon [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] , in de periode tussen 17 februari 2015 en 10 maart 2015 vanuit Nederland heeft meegenomen naar het door IS gecontroleerde strijdgebied in Syrië en Irak om zich daar te vestigen. In dat gebied was sprake van een gewapend conflict en oorlogsgeweld, zoals de verdachte voorafgaande aan het afreizen al wist. Tijdens haar verblijf in dat gebied heeft de verdachte dat ook zelf ondervonden, zoals onder meer kan worden afgeleid uit haar berichten aan haar familie, waarin wordt gesproken over bombardementen dichtbij en het elke dag dichtbij de dood staan. Op grond van het voorgaande en de overige bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [minderjarige] in het door IS gecontroleerde strijdgebied is blootgesteld aan concreet gevaar voor zijn gezondheid of zijn leven, waardoor hij in een hulpeloze toestand is komen te verkeren als bedoeld in artikel 255 Sr Pro. Tevens stelt het hof vast dat de verdachte van dat concrete gevaar op de hoogte was. Toch is de verdachte samen met haar minderjarige zoon [minderjarige] tot 26 februari 2019 op verschillende plaatsen in het strijdgebied blijven wonen.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, is het hof van oordeel dat de verdachte [minderjarige] opzettelijk - in de zin van voorwaardelijk opzet - in een hulpeloze toestand heeft gelaten. Door met [minderjarige] , na aankomst, in het strijdgebied te blijven wonen, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vastgesteld, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [minderjarige] aan concreet gevaar voor zijn gezondheid of zijn leven blootgesteld zou blijven.
De verklaring van de verdachte dat zij tijdens haar verblijf weg wilde uit het strijdgebied, is niet aannemelijk geworden. Het hof betrekt bij dat oordeel dat de verdachte haar vader via WhatsApp meermalen, en ook andere familieleden in Nederland, heeft gevraagd om naar Syrië te komen en zich bij haar te voegen, ook nadat zij al geruime tijd in IS-gebied verbleef. Anders dan de verdediging heeft betoogd, kunnen deze berichten, gelet op de inhoud en context, bezwaarlijk zo worden begrepen dat dit een noodkreet was en de verdachte om hulp vroeg (vgl.: “
kom nou deze kant op hier hb je beter leven dan in nl”). Die interpretatie van de berichten, die bovendien niet te rijmen valt met haar jarenlange positieve berichtgeving aan haar tante over haar verblijf in Syrië, legt het hof dan ook terzijde. Het hof leidt uit deze berichten af, dat de verdachte het opzet had op het doen voortduren van het verblijf van haar en [minderjarige] in IS-gebied en daarmee ook op het laten van haar kind in hulpeloze toestand. Het hof ziet voldoende bewijs dat dit opzet bij de verdachte aanwezig was in de periode volgend op haar aankomst te Syrië tot 26 februari 2019, toen zij werd overgebracht naar kamp Al-Hol.
Dat vluchten uit IS-gebied, zeker met meerdere kinderen, in geval zij dat had gewild een risicovolle onderneming zou zijn geweest, leidt er onder de hiervoor uiteengezette omstandigheden niet toe dat bij de verdachte op enig moment het opzet is komen te ontbreken op haar verblijf in IS-gebied.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar minderjarige zoon [minderjarige] in de periode van 11 maart 2015 tot 26 februari 2019 in een hulpeloze toestand heeft gelaten, als bedoeld in artikel 255 Sr Pro.

13.Nadere overwegingen feit 1

Samenvatting verdenking
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij - kort gezegd - in de periode van 1 mei 2015 tot en met 1 december 2015, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan slavernij als misdrijf tegen de menselijkheid door een jezidi-vrouw gedurende vele uren per dag huishoudelijke taken te laten verrichten, eten te laten bereiden en de zorg voor de minderjarige zoon van de verdachte op zich te laten nemen, terwijl dit gedwongen arbeid betrof.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft medegepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd – kort samengevat – dat de verklaringen van getuige [slachtoffer 1] niet betrouwbaar zijn, dat steunbewijs ontbreekt, dat de aan de verdachte ten laste gelegde handelingen geen slavernij als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder c, Wet internationale misdrijven (hierna: WIM) opleveren en dat evenmin is voldaan aan de contextuele vereisten voor veroordeling voor dat feit, nu de verdachte niet wist dat de tenlastegelegde slavernij deel uitmaakte van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking.
Beoordelingskader
De tenlastelegging is toegesneden op het bepaalde in artikel 4 WIM Pro, waarin de strafbaarstelling van misdrijven tegen de menselijkheid is opgenomen. Artikel 4 lid 1 WIM Pro luidt – voor zover relevant in de onderhavige zaak – als volgt:
“Als schuldig aan een misdrijf tegen de menselijkheid wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie, hij die een van de volgende handelingen begaat, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval: (…)
c. slavernij; ”
Voorts wordt in artikel 4 lid 2 onder Pro a WIM uitgelegd wat wordt verstaan onder “aanval gericht tegen een burgerbevolking”
,te weten “een wijze van optreden die met zich brengt het meermalen plegen van in het eerste lid bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft”.
De in artikel 4 lid 2 van Pro de WIM gehanteerde definitie is overgenomen van artikel 7, lid 2 onder c, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut van Rome).
Voor de invulling van de (contextuele) bestanddelen behorend bij misdrijven tegen de menselijkheid (zie hierna), heeft het hof aansluiting gezocht bij het toepasselijke internationale recht.
Contextuele bestanddelen van misdrijven tegen de menselijkheid
Uit jurisprudentie van het Internationaal Strafhof, gebaseerd op het Statuut van Rome en de voor de interpretatie en toepassing daarvan vastgestelde ICC Elementen van Misdrijven [2] , komt naar voren dat aan de volgende contextuele bestanddelen (voor zover hier van belang) moet worden voldaan wil een strafbare gedraging als misdrijf tegen de menselijkheid kunnen worden gekwalificeerd:
Er vond een aanval plaats die gericht was tegen een burgerbevolking;
Ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie;
De aanval was wijdverspreid of stelselmatig van aard;
Er bestond een nauw verband (
nexus) tussen de handeling(en) van de verdachte en de aanval; en
De verdachte wist dat zijn handeling(en) onderdeel uit maakte van een wijdverbreide of stelselmatige aanval.
Deze eisen vormen het kader waarbinnen de handelingen van de verdachte moeten worden beoordeeld.
Specifieke eisen m.b.t. slavernij in artikel 4 lid 1 sub c WIM Pro
De strafbaarstelling van slavernij (
enslavement) als misdrijf tegen de menselijkheid is opgenomen in artikel 4 lid 1 sub c WIM Pro. [3] Artikel 4 lid 2 sub b WIM Pro geeft de volgende definitie van slavernij:
“De uitoefening op een persoon van een of alle bevoegdheden verbonden aan het recht van eigendom, met inbegrip van de uitoefening van dergelijke bevoegdheid bij mensenhandel, in het bijzonder handel in vrouwen en kinderen.”
Artikel 7 lid 1 sub c ICC Pro Elementen van Misdrijven vereist dat de dader een of alle bevoegdheden die verbonden zijn aan het eigendomsrecht heeft uitgeoefend over een of meer personen. Deze uitoefening van het eigendomsrecht kan op verschillende manieren tot uiting komen, bijvoorbeeld “door het kopen, verkopen, uitlenen of ruilen van een dergelijke persoon of personen, of door hen een soortgelijke vrijheidsontneming op te leggen”. [4] De vrijheidsontneming kan onder meer bestaan ​​uit het laten verrichten van gedwongen arbeid of het anderszins reduceren van een persoon tot een onderdanige status, zoals gedefinieerd in het Aanvullend Verdrag van 1956. [5] Voorts kan het begrip “slavernij” ook mensenhandel [6] omvatten, met name van vrouwen en kinderen. Deze hedendaagse vormen van slavernij kunnen echter alleen onder artikel 4 lid 1 sub c WIM Pro worden geschaard wanneer tevens kan worden aangetoond dat deze misdrijven gepaard gingen met de uitoefening van het eigendomsrecht over een persoon. [7]
Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van het uitoefenen van (delen van) de bevoegdheid verbonden aan het eigendomsrecht in vorenbedoelde zin, kan de rechter ingevolge internationale rechtspraak onder meer rekening houden met de volgende factoren:
  • i) De mate van controle of beperkingen van iemands bewegingsvrijheid en, meer in het algemeen, maatregelen die genomen zijn om ontsnapping te voorkomen of te ontmoedigen;
  • ii) Controle over de fysieke omgeving;
  • iii) Psychologische controle of druk;
  • iv) Geweld, dreiging met geweld of dwang;
  • v) De duur van de uitoefening van de bevoegdheden die aan het eigendomsrecht verbonden zijn;
  • vi) Het uitoefenen van exclusiviteit;
  • vii) Onderwerping aan wrede behandeling en mishandeling;
  • viii) Controle over seksualiteit;
  • ix) Gedwongen arbeid of het onderwerpen van de persoon aan een slaafse status; en
  • x) De kwetsbaarheid van de persoon en de sociaaleconomische omstandigheden waarin de macht wordt uitgeoefend.
Het kenmerkende element van slavernij betreft het gegeven dat de dader het slachtoffer heeft gereduceerd tot de status van “slaaf” of “object” waarover het eigendomsrecht, of een onderdeel daarvan, kan worden uitgeoefend. Daartoe is niet vereist dat tevens sprake is van mishandeling. Evenmin is vereist dat slachtoffers bepaalde werkzaamheden moeten verrichten. [9] Gedwongen arbeid kan wel een indicator bieden dat er sprake is geweest van slavernij in de zin van artikel 4 lid 1 sub c WIM Pro.
Het Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid van 1930 definieert “gedwongen of verplichte arbeid” als “elken arbeid of dienst, welke van een persoon wordt gevorderd onder bedreiging met een of andere straf en waarvoor bedoelde persoon zich niet vrijwillig heeft aangeboden,” met uitzondering van onder meer militaire dienstplicht. [10] Gedwongen arbeid is niet als zelfstandig misdrijf strafbaar gesteld in het Statuut van Rome of de Wet internationale misdrijven. Wanneer gedwongen arbeid echter gepaard gaat met de uitoefening van bevoegdheden verbonden aan het eigendomsrecht, is tevens sprake van slavernij. Hoewel voor slavernij niet is vereist dat de wil van het slachtoffer ontbrak, kan dit echter vanuit een bewijsoogpunt wel een relevant gegeven zijn bij de beantwoording van de vraag of het bestanddeel dat betrekking heeft op de uitoefening door de verdachte van een of alle bevoegdheden die verbonden zijn aan het eigendomsrecht bewezen kan worden verklaard. [11]
Uit internationale jurisprudentie blijkt verder dat, wanneer aan alle overige bestanddelen van slavernij wordt voldaan, het onder dwang laten verrichten van huishoudelijke taken tevens onder dit misdrijf kan worden geschaard. [12]
Slavernij vereist geen commerciële transactie. [13] Echter, wanneer kan worden aangetoond dat een persoon is verworven of afgestoten in ruil voor een financiële of andersoortige compensatie, vormt dit een sterke aanwijzing dat er sprake is geweest van slavernij in de zin van artikel 4 lid 1 sub c WIM Pro. [14]
Slavernij is geen eenmalige, momentane handeling, maar betreft een voortgezet misdrijf. Het beslaat de gehele periode vanaf het plegen van slavenhandel tot en met de volledige duur van de slavernij, waarin de bevoegdheden die bij het eigendomsrecht horen over een persoon of personen worden uitgeoefend. [15] Een bepaalde tijdsduur is geen bestanddeel. Niet is vereist dat de slachtoffers voor onbepaalde tijd of voor een langdurige periode tot slaaf zijn gemaakt. Wat voorop staat is de aard van de relatie tussen de verdachte en het slachtoffer. Deze wordt bepaald aan de hand van verschillende factoren, waarvan de duur van de relatie er één is. Welke duur passend is om vast te stellen dat sprake was van slavernij hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. [16]
Ten slotte moet het misdrijf slavernij opzettelijk zijn begaan, waarbij de verdachte opzet moet hebben gehad op de uitoefening van een bevoegdheid die aan het eigendomsrecht verbonden is. [17]
Bij de beoordeling geldt tenslotte dat de regels met betrekking tot deelneming aan strafbare feiten van het commune (nationaal) strafrecht ook van toepassing zijn bij de berechting van misdrijven tegen de menselijkheid (artikel 91 Sr Pro).
Medeplegen
Aan de verdachte is (impliciet primair) ten laste gelegd dat zij het feit tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd. De betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
13.1.
Nadere feitenvaststelling
In aanvulling op hetgeen hiervoor onder 9.3 is vastgesteld, stelt het hof ten behoeve van de beoordeling van het onder feit 1 tenlastegelegde nog het volgende vast.
Jezidi’s en slavernij
Jezidi’s behoren tot een religieuze en etnische minderheidsgroepering in delen van Irak, Syrië en Turkije. In 2014 leefde het grootste deel van de jezidibevolking in Irak rond het Sinjar-gebergte, ten noorden van de stad Mosul en in de Iraaks-Koerdische provincie Dohuk, rond de stad Sheikhan.
Op 3 augustus 2014 viel IS het gebied rond Sinjar aan, in het noordwesten van Irak. De aanval werd uitgevoerd door honderden IS-strijders en was gericht op de inname van steden en dorpen aan alle kanten van de berg Sinjar. In dit gebied woonden op dat moment zo’n 400.000 jezidi’s. Als gevolg van de aanval vluchtten vele jezidi’s naar het Sinjar-gebergte, waarna IS begon met het omsingelen en belegeren van de hoger gelegen gedeelten van het gebergte. Jezidi’s die niet konden ontkomen aan de aanval van IS werden gevangengenomen of gedood. Jezidi-mannen en oudere jongens die weigerden zich te bekeren tot de islam werden geëxecuteerd. Duizenden jezidi-vrouwen en -meisjes werden naar andere delen van Irak en Syrië overgebracht en onderworpen aan slavernij.
Het bestuurlijk apparaat en instituties van IS waren betrokken bij de praktijk van slavernij in het kalifaat, waaronder het ministerie van IS dat verantwoordelijk was voor (oorlogs)buit; de sharia rechtbanken die de (ver)koop van slaven legaliseerden, en het IS-ministerie waaronder de rechtspraak viel. Diverse IS-uitgeverijen publiceerden geschriften over slavernij en ook het ministerie van het leger, dat binnen IS de verantwoordelijkheid droeg voor de trainingskampen, was betrokken.
In officiële documenten van IS werd de praktijk van slavernij beschreven en gelegitimeerd door te verwijzen naar passages uit de Koran en de Soenna: slavernij werd beschreven als een herintroductie van een vroeg-islamitische praktijk en als een religieus voorschrift voor moslims. Gevangengenomen jezidi’s werden gezien als
ghanima(oorlogsbuit), jezidi-vrouwen en -kinderen werden bestempeld als
sabaya(slaven) die onder meer onder IS-strijders werden verdeeld. Op diverse plaatsen in Irak en Syrië werden
souq sabaya(slavenmarkten) opgezet, waar jezidi-vrouwen en -kinderen werden verhandeld. Korte tijd was zelfs sprake van onlinehandel in slaven. Kinderen werden gescheiden van hun moeder; jongens ouder dan zeven jaar werden overgebracht naar militaire trainingskampen of ingezet als huisbediende. Meisjes werden vanaf negen jaar gescheiden van hun moeder. In IS-documenten werden handleidingen opgenomen over hoe om te gaan met slaven. Hierin stond onder andere beschreven dat het was toegestaan om seksueel contact te hebben met slaven, ook als de slaaf minderjarig is. Het toepassen van (zwaar) lichamelijk geweld werd gelegitimeerd, evenals het straffen van een slaaf indien deze probeerde te vluchten. Slaven mochten worden verhandeld of overgedragen van de ene op de andere IS-strijder.
Jezidi-slaven, waaronder kinderen, werden onder meer ondergebracht in huizen van IS-strijders, waar zij in veel gevallen werden gedwongen zich te bekeren tot de islam en hun ‘eigenaar’ te huwen. Zij werden mishandeld, gebruikt als seksslaaf en werden gedwongen om te werken voor de IS-strijder en zijn gezin. Jezidi-slaven wachtten een zware bestraffing als zij zich verzetten tegen het (seksuele) geweld. Hun kinderen werden door IS ingezet als pressiemiddel. Indien jezidi-slaven probeerden te ontsnappen stonden hier zware straffen tegenover: de dood, ernstige mishandeling waaronder groepsverkrachting, en collectieve bestraffing.
De praktijk van slavernij in het kalifaat werd niet alleen door officiële IS-documenten beschreven en aangemoedigd, ook via social media werden de voordelen van slavernij door IS-strijders en door vrouwelijke IS-aanhangers beschreven. Het dossier bevat een kennisdocument waarin een aantal Twitterberichten is opgenomen, waarin slavernij werd gelegitimeerd en toegejuicht.
Getuige [slachtoffer 1]
Naar aanleiding van de aanval van IS op het gebied rond Sinjar in augustus 2014 vluchtte [slachtoffer 1] samen met haar gezin naar het Sinjar-gebergte. Na een nacht werd zij samen met haar drie dochters en haar zoon gevangengenomen door IS. In januari 2015, vijf maanden na de aanval, werd getuige [slachtoffer 1] samen met vele andere jezidi’s vanuit Irak naar de Syrische stad Raqqa - de hoofdstad van het IS-kalifaat - gebracht. Na ongeveer een maand op verschillende locaties te hebben verbleven, waaronder een ondergrondse gevangenis, werd [slachtoffer 1] samen met nog twee andere jezidi-vrouwen en een -meisje naar een woning gebracht aan de [adres] in Raqqa.
De vrouwen verbleven in deze woning met drie IS-strijders, genaamd [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . Elk van de jezidivrouwen werd toebedeeld aan een van deze IS-strijders, met wie zij uiteindelijk ook moesten trouwen. De vrouwen werden gedwongen met deze mannen op een kamer te slapen en werden seksueel misbruikt. De strijder waaraan [slachtoffer 1] werd toegewezen, was [persoon 1] . [slachtoffer 1] werd gedwongen met hem op een kamer te slapen en werd door hem seksueel misbruikt.
De woning zat op slot zodat de vrouwen niet konden vluchten. Gedurende hun verblijf in deze woning moesten de jezidi-vrouwen huishoudelijke taken verrichten waaronder schoonmaken, de was doen en koken. Ook moesten zij zich bekeren tot de islam en werden zij gedwongen om vijf keer per dag te bidden. Als zij niet deden wat van hen werd gevraagd, werden de vrouwen geslagen. Na ongeveer drie maanden verhuisde [slachtoffer 1] samen met [persoon 1] naar een andere woning in Raqqa.
Na het verlaten van de woning aan de [adres] bleef [slachtoffer 1] gedwongen huishoudelijk werk te verrichten en bovendien samen met [persoon 1] op een kamer te slapen. Het seksueel misbruik en het gebruik van geweld tegen [slachtoffer 1] duurde voort. [persoon 1] dreigde [slachtoffer 1] te verkopen aan een andere IS-strijder als zij niet deed wat hij van haar vroeg. [slachtoffer 1] werd door [persoon 1] niet betaald of op andere wijze gecompenseerd voor het werk dat zij, zeven dagen in de week, verrichte.
Eén van de dochters van [slachtoffer 1] is komen te overlijden, haar andere twee dochters zijn verhandeld als slaaf en zijn sindsdien spoorloos. Haar zoon werd na hun scheiding in een trainingskamp van IS opgenomen en heeft [slachtoffer 1] na acht maanden weer teruggezien. Met hem heeft ze op 7 november 2015 IS-gebied kunnen ontvluchten.
Verblijf van de verdachte in de woning van [slachtoffer 1] en [persoon 1]
Kort na het huwelijk van de verdachte met [de man] in mei 2015, heeft [de man] de verdachte en haar zoon naar de woning van [persoon 1] te Raqqa gebracht, waar ook [slachtoffer 1] verbleef, zodat de verdachte en haar zoon daar konden verblijven terwijl [de man] naar Mosul (Irak) ging. [de man] heeft bij die gelegenheid aan de verdachte verteld dat [slachtoffer 1] een jezidi was die door [persoon 1] in bezit was en tegen de verdachte gezegd: “Zij is
Sabaya(het hof begrijpt: slaaf), zij is je dienstvrouw”. De verdachte wist dat IS [slachtoffer 1] gebruikte als slavin. De verdachte had voordat zij was afgereisd naar het kalifaat gehoord van de aanval op de jezidi’s. [persoon 1] heeft tegen [slachtoffer 1] gezegd dat zij alles moest doen wat de verdachte haar vroeg.
De verdachte heeft met haar zoon ongeveer een maand in die woning verbleven. [persoon 1] was in die periode overdag veel van huis. De verdachte bleef dan met haar zoon veelal thuis, samen met [slachtoffer 1] Gedurende de tijd dat de verdachte met haar zoon in deze woning verbleef, heeft [slachtoffer 1] huishoudelijk werk verricht, waaronder het schoonmaken van de woning en het bereiden van eten. Ook de verdachte heeft [slachtoffer 1] opdrachten daartoe gegeven. De verdachte heeft daarbij tegen [slachtoffer 1] gezegd dat zij
Sabayawas en het moest doen. [slachtoffer 1] moest ook voor de zoon van de verdachte zorgen. [slachtoffer 1] heeft voor haar werkzaamheden ook van de verdachte geen vergoeding gekregen.
De verdachte heeft tegen [slachtoffer 1] gezegd: “Jezidi’s zijn ongelovig omdat jullie niet bidden en geen Koran lezen.” Ze zei ook dingen als: “Jullie zijn ongelovigen en onze religie is de juiste”. [slachtoffer 1] moest ook van de verdachte vijf keer per dag bidden. [slachtoffer 1] durfde dat niet te weigeren. Ze was bang voor de verdachte. [slachtoffer 1] heeft tegen de verdachte verteld dat ze door [persoon 1] was mishandeld toen [slachtoffer 1] hem had gevraagd om naar haar dochter te gaan, waarbij zij de daardoor opgelopen blauwe plekken aan de verdachte heeft getoond. [slachtoffer 1] heeft de verdachte ook verteld dat ze verkracht werd. De verdachte wist dat [slachtoffer 1] van haar kinderen gescheiden was en vanwege haar zoon, die ze niet in een trainingskamp wilde achterlaten, niet kon vluchten. De verdachte heeft [slachtoffer 1] niet geholpen.
Beoordeling
Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich gedurende de periode van ongeveer een maand dat zij in de woning van [persoon 1] heeft verbleven, tezamen en in vereniging met een ander, te weten [persoon 1] , schuldig heeft gemaakt aan slavernij als bedoeld in artikel 4, lid 1 onder c en lid 2 onder b WIM, zoals onder feit 1 tenlastegelegd.
Zoals hiervoor reeds overwogen ziet het hof geen aanleiding de door de getuige [slachtoffer 1] afgelegde belastende verklaringen onbetrouwbaar te achten en op die grond uit te sluiten van het bewijs, zoals de verdediging heeft bepleit. Voorts is het hof van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de belastende verklaringen van [slachtoffer 1] niet op zichzelf staan, maar in voldoende mate zijn ingebed en worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte zelf en de chatgesprekken die ze voerde met haar vader. Zo heeft ook [slachtoffer 1] verklaard over foto’s van de zoon van de verdachte met een stuk stof met IS erop voor zijn hoofd, die vervolgens online werden gezet. Daarbij weegt mee dat uit de bewijsmiddelen - ook die met betrekking tot andere feiten op deze tenlastelegging - naar voren komt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode zich de ideologie van IS had eigen gemaakt en deze destijds met overtuiging aanhing. Diezelfde overtuiging komt terug in de verklaringen van [slachtoffer 1] over de verdachte.
Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat [slachtoffer 1] , net als duizenden andere vrouwen en meisjes bij de aanval van IS op het Sinjargebergte in augustus 2014, is gevangengenomen en is onderworpen aan slavernij, waarbij zij uiteindelijk is “toebedeeld” aan de IS strijder [persoon 1] . [persoon 1] beschikte over [slachtoffer 1] als ware zij zijn eigendom: zij moest verplicht met hem huwen en seksueel contact met hem ondergaan, zij kon zich niet vrij bewegen, ze werd gedwongen om huishoudelijk werk te doen zonder betaling en werd ook verplicht om te bidden, alles onder dreiging van mishandeling als zij niet gehoorzaamde. [slachtoffer 1] verkeerde temeer in een kwetsbare positie omdat ze gescheiden was van haar kinderen, en niet in staat was zonder haar zoon Raqqa te verlaten.
De verdachte heeft tijdens haar verblijf in de woning van [persoon 1] , terwijl zij wist van de aanval op de jezidi’s, van het feit dat IS [slachtoffer 1] tot slaaf had gemaakt, dat [slachtoffer 1] in bezit was van [persoon 1] en dat [slachtoffer 1] niet kon vluchten, geprofiteerd van de gedwongen huishoudelijke werkzaamheden die [slachtoffer 1] verrichtte. Bovendien heeft de verdachte in die periode, in plaats van het bieden van hulp aan [slachtoffer 1] , zelf ook opdrachten gegeven aan [slachtoffer 1] , daarbij gezegd dat [slachtoffer 1] als
Sabaya- oftewel slaaf - de werkzaamheden diende uit te voeren en haar gedwongen vijfmaal daags te bidden. Aldus heeft de verdachte in die periode een wezenlijke bijdrage geleverd aan de slavernij waaraan [slachtoffer 1] was onderworpen.
Dit handelen kan onder de gegeven omstandigheden naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als een nauwe en bewuste samenwerking met [persoon 1] , bestaande uit een gezamenlijke uitvoering, zodat het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Het hof betrekt daarbij dat [persoon 1] tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze alles moest doen wat de verdachte haar opdroeg, waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat [persoon 1] wist dat de verdachte [slachtoffer 1] als slaaf gebruikte. Onder deze omstandigheden en in deze context heeft de verdachte door opdrachten te geven aan [slachtoffer 1] en haar werk te laten verrichten voor haar en haar zoon, nauw en bewust samengewerkt met [persoon 1] waar het de uitvoering van de slavernij betreft in de betreffende periode.
De contextuele bestanddelen
Het handelen van de verdachte vond plaats conform het officiële beleid en de geïnstitutionaliseerde praktijk van IS en kan naar het oordeel van het hof - bezien in het licht van het hiervoor weergegeven beoordelingskader - worden gekwalificeerd als slavernij als misdrijf tegen de menselijkheid, in de zin van artikel 4, eerste lid onder c en tweede lid onder b WIM. De daarvoor vereiste contextuele bestanddelen zijn naar het oordeel van het hof aanwezig. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.
i.
i) en iii) Een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking
Het hof is van oordeel, zoals in deze procedure ook niet ter discussie staat, dat de door IS op 3 augustus 2014 uitgevoerde aanval in de regio Sinjar en het daaropvolgende (gewelddadige) handelen jegens leden van de jezidigemeenschap, zoals hiervoor in de nadere feitenvaststelling is weergegeven, kan worden gekwalificeerd als een wijdverspreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking. Het hof is daarmee, met de verdediging, het Openbaar Ministerie en de rechtbank van oordeel dat aan dit contextuele bestanddeel is voldaan.
ii) Het beleid van de staat of organisatie
Ingevolge de definitie van een aanval gericht tegen een burgerbevolking, gegeven in artikel 4 lid 2 sub a WIM Pro, dient de aanval te hebben plaatsgevonden ter uitvoering of voorzetting van het beleid van een staat of organisatie. Dit is conform de rechtspraak van het Internationaal Strafhof op dit punt.
In internationale jurisprudentie is bepaald dat wanneer het gaat om beleid van een organisatie, zoals in de onderhavige zaak, deze organisatie over voldoende middelen en capaciteit dient te beschikken om een aanval tot stand te brengen. In dit kader volstaat dat de organisatie beschikt over een reeks structuren of mechanismen, welke dat ook mogen zijn, die voldoende efficiënt zijn om de coördinatie te waarborgen die nodig is om een ​​aanval uit te voeren die gericht is tegen een burgerbevolking. [18]
Zoals reeds is overwogen, is IS door de Nederlandse rechter meermaals als terroristisch organisatie aangemerkt. [19] Hiervoor is uiteengezet dat een groot deel van het bestuurlijke apparaat van IS betrokken is geweest bij de praktijk van slavernij. Het hof stelt vast dat IS de gewelddadigheden tegen de jezidigemeenschap op deze manier coördineerde en aanstuurde. Tevens werd slavernij in officiële documenten van IS aangemoedigd en goedgekeurd. Aldus vond naar het oordeel van het hof de stelselmatige en wijdverbreide aanval op de burgerbevolking plaats ter uitvoering van het beleid van de organisatie IS.
iv) Nauw verband (nexus) tussen de handeling(en) van de verdachte en de aanval
Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat IS op grote schaal en stelselmatig jezidi-vrouwen heeft ontvoerd en hen tot slaaf heeft gemaakt om hen (onder andere) huishoudelijk werk te laten verrichten voor IS-families. Anders dan de verdediging heeft betoogd, stond naar het oordeel van het hof de slavernij van [slachtoffer 1] en wat haar is overkomen daarmee in nauw verband met de wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking. Met de rechtbank stelt het hof vast dat dit misdrijf in die zin naadloos past in het patroon van misdrijven die mede de genoemde aanval op de burgerbevolking vormen.
v) Wetenschap van de verdachte van de aanval en dat zijn/haar gedraging deel uitmaakte van de aanval
Het hof stelt voorop dat volgens de ICC Elementen van misdrijven niet is vereist dat de verdachte kennis moet hebben gehad van alle kenmerken van de aanval of de precieze details van het plan of beleid moet hebben gekend. [20] Voorts overweegt het hof dat de aanval op de jezidigemeenschap - inclusief de massamoord op de mannelijke bevolking en het op grote schaal in slavernij brengen van de vrouwen - algemeen bekend was. Deze kenmerken van de aanval zijn destijds breed gerapporteerd in zowel internationale als Nederlandse media. Ook werd in de periode voorafgaand aan maar ook na de uitreis van de verdachte door officiële instanties binnen IS veel gepubliceerd over slavernij en het lot van de jezidi’s. Deze IS-publicaties waren openbaar, toegankelijk, rechtvaardigden de slavernij en boden zelfs gedetailleerde handleidingen over hoe met slaven moest worden omgegaan.
De verdachte heeft verklaard dat zij voor haar vertrek naar het kalifaat volgde wat zich afspeelde in Syrië, dat zij informatie over IS heeft opgehaald om te weten wat haar te wachten stond, dat zij op de hoogte was van wat IS deed en daarvan hoorde op het nieuws en zag op het internet, dat zij op de hoogte was van de gruwelijkheden, en dat zij wist van de aanval van IS op de jezidigemeenschap. Ook heeft de verdachte verklaard dat na aankomst in de woning van [persoon 1] tegen haar is gezegd dat [slachtoffer 1] een jezidi-vrouw was die in bezit was van [persoon 1] . Gevraagd wat het voor haar betekende toen dit tegen haar werd gezegd, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het een wereld van verschil was hoe zij daar zelf was gekomen en [slachtoffer 1] tegen haar wil daarheen was gegaan, “als je weet hoe jezidi-vrouwen daar binnen zijn gehaald”. Tevens heeft de verdachte verklaard dat zij wist dat IS [slachtoffer 1] gebruikte als slavin.
Gelet op het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof met de rechtbank van oordeel - en anders dan de verdediging - dat de verdachte in de periode dat zij verbleef in de woning van [persoon 1] wetenschap had van de wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking en op de hoogte is geweest van de IS-praktijk om jezidi-vrouwen tot slaaf te maken. Tevens is het hof van oordeel dat de verdachte ervan op de hoogte moet zijn geweest dat haar gedragingen jegens [slachtoffer 1] , die naadloos aansloten bij de gangbare IS-praktijk, daarvan deel uitmaakten.
Conclusie ten aanzien van het bewijs
De slotsom is dat de verdachte zich in de periode van 1 mei 2015 tot 1 juli 2015, tezamen en in vereniging met een ander, schuldig heeft gemaakt aan slavernij als misdrijf tegen de menselijkheid door een jezidi-vrouw gedurende vele uren per dag huishoudelijke taken te laten verrichten, eten te laten bereiden en te zorgen voor de minderjarige zoon van de verdachte, terwijl dit gedwongen arbeid betrof, een en ander zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.

14.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij, verdachte,
op één of meerdere tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 mei 2015 tot
en met1
decemberjuli2015 te Raqqa,
althans in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak,tezamen en in vereniging met
(een
)ander
(en), althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan slavernij, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2 onder b van de Wet Internationale Misdrijven, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht door de Islamitische Staat (IS) tegen een burgerbevolking, te weten de Jezidi bevolking in
de Iraakse regio Sinjar, althans in één of meer plaats(en) inIrak en
/ofSyrië, met kennis van de aanval, hebbende verdachte en/of haar medeverdachte
(n)toen en daar in
haar en/ofmedeverdachte’s woning
en/of daarbuiteneen
(Jezidi
)vrouw, genaamd [slachtoffer 1] ,
(gedurende vele uren per dag
)schoonmaakwerk en/of huishoudelijk werk laten verrichten en/of eten laten bereiden en/of voor de zoon van verdachte zorg laten dragen, terwijl dit gedwongen arbeid betrof;
2.
zij
op één of meerdere tijdstippenin de periode van
1617februari 2015 tot
en met 2 november 202226 februari 2019in één of meer plaats(en)in Syrië en/of Irak,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS),
althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat,welke organisatie
(s)tot oogmerk had
(den)en
/of heef
t/hebbenhet plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en
/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en
/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo Pro. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en
/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en
/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);
3.
zij
op één of meerdere tijdstip(pen) gelegenin
of omstreeksde periode van 1 november 2014 tot
en met 2 november 202226 februari 2019,
in één of meerdere plaats(en)in Nederland en/of Syrië en/of Irak
meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,met het oogmerk om (een) misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83 en Pro/of 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
voor te bereiden en/of te bevorderen,

1. een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

2. gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich en/of anderen heeft getracht te verschaffen, en
/of
3. een
of meervoorwerp
en, voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, wist dat
dezeditbestemd
warenwastot het plegen van het misdrijf,
door,
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties zoals Islamitische Staat (IS) eigen te maken
, in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk,en
/of
B. zich te laten informeren over het afreizen naar en
/ofverblijven in het strijdgebied in Syrië en
/ofIrak en
/of
C. de reis naar Syrië
en/of Irakte maken teneinde zich te begeven naar het strijdgebied
, althans naar een, door een terroristische organisatie zoals IS gecontroleerd gebieden
/ofgedurende enige tijd te verblijven in het strijdgebied in Syrië en
/ofIrak en
/of
D. zich te voegen bij een
of meerIS-strijder
(s) althans perso(o)n(en) gelieerd aan (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaanen
/of (op Islamitische wijze)een huwelijk aan te gaan met deze IS-strijder
(s)en
/ofeen gezamenlijk
ehuishouding te voeren met een
of meerperso
on
(en)die
(eveneens
)deelnam
(en)aan IS
, althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaaten
/of
E. met één of meer mededader(s) in Syrië en/of Irak deel te nemen en/of bij te dragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS, althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of
F.
zich (middels internet/social media(kanalen)/mediaplatform(s)) te uiten en/ofmet
(een
)ander
e(n)te chatten/communiceren en/of berichten en/of afbeeldingen te plaatsen en/of te delen, met betrekking tot en/of inhoudende (onder meer)
(gewelddadig) jihadistisch getinte en/of (pro
)IS-gerelateerde content/propaganda en
/of
G. in Syrië
en/of Irak (een
of meer) (automatisch(e))vuurwapen
(s) te gebruiken en/ofte dragen en
/ofvoorhanden te hebben;
4.
zij in de periode van
1611 maart2015 tot
en met 2 november 202226 februari 2019in Syrië en
/ofIrak, opzettelijk haar minderjarige kind genaamd [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] , tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als ouder van [minderjarige] krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gelaten, door, terwijl zij wist dat [minderjarige] gedurende bovengenoemde periode (mede gelet op de minderjarigheid) zichzelf niet kon verweren en/of beschermen en/of in een veilige situatie kon brengen,
met die [minderjarige] naar Syrië en/of Irak te reizen en/ofdie [minderjarige]
mee te nemen naar en/oflangdurig te laten verblijven in één
of meer plaats(en) en/ofgebied
(en)waar gewapende conflicten aan de gang waren en/of oorlogsgeweld heerste en
/of (in de nabijheid van die [naam kind]) één of meer vuurwapens voor handen te hebben en/of (daarbij
)die [minderjarige]
(telkens)bloot te stellen aan
en/of in een situatie te brengen vangevaren en
/ofde (rechtstreekse) gevolgen van gewapende conflicten en/of oorlogsgeweld (zoals bombardementen en
/ofbeschietingen en
/ofdreiging van geweld door personen) en
/of (daarmee
) (telkens)het leven en/of de psychische en lichamelijke gezondheid en/of welzijn van die [minderjarige] in gevaar te brengen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

15.Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

16.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid slavernij.
Het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.
Het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
met het oogmerk om moord en/of doodslag en/of opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en een voorwerp voorhanden hebben waarvan zij weet dat zij bestemd is tot het plegen van het misdrijf.
Het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 4 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand laten.

17.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

18.Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in de bewezenverklaarde periode schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen van terroristische misdrijven. Daartoe is zij nadat zij het gedachtegoed van IS had eigengemaakt naar Syrië en Irak afgereisd om zich te vestigen in het door IS gestichte kalifaat, alwaar zij met een IS-strijder gehuwd is geweest, met hem een gezamenlijk huishouden heeft gevoerd en een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Ook na de scheiding van haar man heeft de verdachte nog in het kalifaat te Syrië verbleven.
De verdachte heeft bovendien deelgenomen aan IS, een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. De jihadistische groepering IS heeft zich structureel schuldig gemaakt aan bloedig, angstaanjagend geweld en grove mensenrechtenschendingen in Syrië, Irak en op andere plekken in de wereld. IS heeft vele doden op haar geweten en is mede verantwoordelijk voor de vernietiging dan wel vernielingen van huizen, landbouw en infrastructuur. De terreurdaden van IS hebben een ontwrichtende werking op de samenleving gehad, de sektarische strijd aangewakkerd en bijgedragen aan ondraaglijk lijden en angst van velen. Geterroriseerde inwoners zijn vanwege dit hiervoor beschreven geweld op de vlucht geslagen en hebben alles achter moeten laten.
Dat de verdachte, terwijl zij vooraf op de hoogte was van het terroristische karakter van IS en de gruwelijkheden die door en namens IS werden gepleegd, desondanks naar Syrië is afgereisd en gedurende vier jaren aan deze organisatie heeft deelgenomen, valt de verdachte zeer kwalijk te nemen. Daar komt bij dat de bewuste keuze om jarenlang in het IS-strijdgebied te verblijven ook voor de kinderen van de verdachte onomkeerbare gevolgen heeft gehad. Haar zoon heeft een groot deel van zijn jeugd moeten doorbrengen in door IS gecontroleerd oorlogsgebied, waar sprake was van gruwelijk geweld en bombardementen, met alle gevaren en risico’s van dien. Door hem bloot te blijven stellen aan de hieraan verbonden gevaren en gevolgen heeft de verdachte hem toen en aldaar in een hulpeloze toestand gelaten, terwijl van haar als ouder mag worden verwacht dat zij haar kind veiligheid en geborgenheid biedt. Ook dit rekent het hof de verdachte aan.
Voorts heeft de verdachte zich gedurende ongeveer een maand op de bewezenverklaarde wijze met een ander schuldig gemaakt aan het plegen van het misdrijf tegen de menselijkheid slavernij. Met haar handelen heeft de verdachte op mensonterende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer [slachtoffer 1] , een jezidi. Uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt zeer duidelijk hoezeer zij heeft geleden terwijl zij als slavin werd gehouden en welke gevolgen dit voor haar heeft gehad. Dit handelen van de verdachte was bovendien een onderdeel van de stelselmatige aanval van IS op de jezidi gemeenschap. Misdrijven tegen de menselijkheid behoren tot de ernstigste misdrijven die er zijn, te weten de internationale misdrijven die de hele internationale gemeenschap met zorg vervullen en die niet onbestraft mogen blijven. De aanval van IS op de jezidigemeenschap, waarbij vrouwen en meisjes tot slaaf werden gemaakt, heeft op grote schaal internationale verontwaardiging en verontrusting gewekt. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij zich op geen enkele wijze heeft bekommerd om de persoon die het slachtoffer [slachtoffer 1] was, maar haar samen met haar mededader voor haar eigen gerief als slavin gebruikte.
Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de inhoudelijke samenhang tussen de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten, in zoverre, dat voor zover beide feiten in dezelfde periode zijn gepleegd, voor de strafoplegging het deelnemen aan de terroristische organisatie de grondslag zal vormen en de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen in zoverre geen extra gewicht in de schaal leggen.
Uittreksel Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Rapportages over de persoon van de verdachte
Het hof heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage d.d. 24 december 2023, het ideologisch duidingsrapport opgemaakt door Nuance door Training en Advies (NTA) d.d. 10 oktober 2023, het reclasseringsadvies d.d. 17 september 2024 en het aanvullend reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2026.
De deskundigen komen in de Pro Justitia rapportage tot de conclusie dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde misdrijven sprake was van een licht verstandelijke beperking en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Deze persoonlijkheidsstoornis hangt samen met de zeer onveilige situatie waarin de verdachte is opgegroeid en bestaat voornamelijk uit borderline en vermijdende trekken. De deskundigen constateren dat de persoonlijkheidsstoornis en de verstandelijke beperking bij de verdachte leiden tot een verhoogde mate van wantrouwen en impulsiviteit. De verdachte is naïef en kan onvoldoende het gevolg van haar handelen overzien. Voorts is sprake van onvoldoende en sterk vermijdende coping en de neiging om te vluchten bij spanning en stress.
Uit de rapportage blijkt dat het voorgaande heeft doorgewerkt in de beslissing van de verdachte om uit te reizen naar Syrië. Naar het oordeel van de deskundigen hebben beide stoornissen de gedragskeuzes van de verdachte beïnvloed ten tijde van het plegen van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten. Om deze reden adviseren zij deze feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Door de ontkennende proceshouding van de verdachte hebben de deskundigen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde niet kunnen bepalen of de vastgestelde problematiek heeft doorgewerkt in haar gedragskeuzes.
Het hof is van oordeel dat de conclusies en adviezen uit de Pro Justitia rapportage worden gedragen door de bevindingen en het onderliggende onderzoek dat naar het oordeel van het hof zorgvuldig tot stand is gekomen. Het hof is van oordeel dat er bij de verdachte sprake is van de stoornissen zoals benoemd door de deskundigen. Het hof komt tot het oordeel dat de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend aan de verdachte. Voorts is het hof – met de rechtbank - van oordeel dat ook het onder 1 tenlastegelegde feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan de verdachte. Het feit heeft plaatsgevonden in dezelfde tenlastegelegde periode en uit het dossier blijken geen aanknopingspunten voor de hypothese dat haar stoornissen bij dit feit geen rol speelden. Het gedrag van de verdachte met betrekking tot het slachtoffer toont naar het oordeel van het hof gelijkenissen met de door de deskundigen omschreven uitingsvormen van haar psychische stoornissen.
Uit een risico-analyse in het Pro Justitia rapport komt naar voren dat er weinig risicofactoren en enkele beschermende factoren zijn met betrekking tot toekomstig gewelddadig gedrag en toekomstig extremistisch geweld. De deskundigen schatten het algemeen risico op gewelddadig gedrag en het risico op herhaling van de tenlastegelegde feiten in als beperkt. Wel wijzen de deskundigen op een algemeen verhoogd risico op impulsief vluchtgedrag op langere termijn, gerelateerd aan potentiële problemen met financiën, huisvesting, de opvoeding van haar kinderen, potentiële partnerkeuze en verslavingsgevoeligheid. Het recidivegevaar is eveneens onderzocht door Reclassering Nederland. In het reclasseringsrapport d.d. 17 september 2024 wordt het risico op algemene- en geweldsrecidive binnen twee jaar alsook het risico op letselschade, ingeschat als laag. Het risico op extremistisch geweld wordt ingeschat als matig.
In het aanvullend reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2026 wordt het risico op extremistisch geweld nog steeds ingeschat als matig. In dit rapport wordt vermeld dat in de gesprekken met de verdachte geen extremistische opvattingen, noch signalen van nieuwe of zorgwekkende religieuze radicalisering worden geconstateerd. De verdachte geeft aan dat zij, mede door haar ervaringen, juist nu de juiste weg wil inslaan. Wanneer zij vragen heeft over haar geloof, geeft zij aan zich te beperken tot informatie uit de in de penitentiaire instelling beschikbare boeken. De verdachte staat open voor een traject met een theologisch deskundige om meer kennis over de islam op te doen.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders gereageerd worden dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
Het hof ziet ook verschillende strafmatigende omstandigheden.
Zo zal het hof meewegen dat niet is bewezen dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Tevens neemt het hof in aanmerking dat de verdachte met haar kinderen na haar gevangenneming in Syrië langdurig in de detentiekampen Al-Hol en Al-Roj heeft verbleven onder zeer slechte omstandigheden en aldus reeds aanzienlijke negatieve gevolgen van haar handelen heeft ondervonden. Voorts weegt het hof in strafmatigende zin mee dat de feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
Het hof houdt bij de bepaling van de op te leggen straf geen rekening met de mogelijkheid dat de Nederlandse nationaliteit van de verdachte mogelijk wordt ingetrokken, nu hier nog geen voornemen toe ligt en onduidelijk is of dit gaat gebeuren.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Dit is een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd, hetgeen verband houdt met het gewicht dat het hof hecht aan de verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte bij einduitspraak op te heffen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden voor de voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig zijn en dat de situatie van artikel 67a lid 3 Sv zich niet voordoet, zodat het verzoek wordt afgewezen.

19.Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] en schadevergoedingsmaatregel

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 30.000,00 als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
Standpunt partijen
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. Verkort weergegeven voert de verdediging, blijkens de pleitnota in hoger beroep, het volgende aan als verweer tegen de vordering.
Primair dient de vordering van benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Het hof beschikt over onvoldoende informatie om vast te stellen of aan de vereisten voor civielrechtelijke aansprakelijkheid naar Syrisch recht is voldaan. Onvoldoende duidelijk is of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als een 'fout', of er causaliteit bestaat en of er uitsluitingsgronden zijn die de onrechtmatigheid of causaliteit kunnen doorbreken. Nadere beantwoording hiervan vergt aanvullend deskundigenonderzoek, wat het strafgeding onevenredig zou belasten.
Subsidiair dient de vordering te worden afgewezen wegens het ontbreken van causaliteit.
Meer subsidiair geldt dat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, aldus telkens de verdediging.
Op de door de verdediging gevoerde verweren zal het hof bij de beoordeling van de vordering uitgebreider ingaan.
Oordeel van het hof
Toepasselijkheid van het Syrisch recht
De vraag die eerst beantwoord moet worden, is naar welk (materieel) burgerlijk recht de vordering dient te worden beoordeeld.
Bedoelde vraag naar het toepasselijke recht op de vordering benadeelde partij (over de onrechtmatige daad) dient te worden beantwoord aan de hand van de regels uit de zogenaamde Rome II-verordening (Verordening EG, nr 864/2007). De Rome II-verordening is vanaf 11 januari 2009 van toepassing in alle EU-lidstaten (behalve Denemarken) en dus ook in Nederland.
De Rome II-verordening heeft ingevolge artikel 3 een Pro universeel formeel toepassingsgebied, hetgeen betekent dat deze verordening ook van toepassing is op zaken die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd, waarin een onrechtmatige daad aan de orde is die buiten de EU is gepleegd.
Artikel 4 lid 1 Rome Pro II-verordening geeft de algemene regel voor de vaststelling van het toepasselijke recht, te weten dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad, het recht is van het land waar de schade zich voordoet (
lex loci damni), ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.
Deze hoofdregel leidt in het onderhavige geval naar de toepassing van het Syrisch recht, omdat de onrechtmatige daad zich daar heeft voorgedaan en daar ook de schade zich heeft voorgedaan.
Het hof zal daarom, in overeenstemming met het standpunt van alle procespartijen, de vordering van de benadeelde partij beoordelen naar Syrisch recht.
Procesverloop en ontvankelijkheid vordering
Bij de stukken bevindt zich een rapportage van [directeur] , directeur van de juridische afdeling van het “Syrian Center for Media and Freedom of Expression”.
In het arrest van dit gerechtshof naar aanleiding van het onderzoek ‘26Vescher’ (hierna: Vescher) heeft het gerechtshof Den Haag de in die zaak ingediende vordering benadeelde partij naar Syrisch recht beoordeeld. [21] Ten behoeve van die beoordeling beschikte het hof in die zaak over de volgende, naar het Nederlands vertaalde, stukken over het Syrische recht:
- Een door de verdediging van de benadeelde partij in die zaak ingebracht door [persoon 4] opgesteld stuk getiteld “Persoonlijke rechtsvordering (Schadevergoeding), herstel van schade conform de Syrische wet” waarin wordt ingegaan op het juridisch kader over schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad naar Syrisch burgerlijk recht;
- Een, op verzoek van de raadsheer-commissaris, door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) opgesteld “Expertiseverslag aangaande de schadevordering in het Syrische burgerlijk recht”, met appendix.
Deze rapporten, evenals het CV van [persoon 4] en de beantwoording van een aantal aanvullende aan [persoon 4] , zijn door het hof in de onderhavige zaak in de regiefase aan het dossier toegevoegd, waarna de benadeelde partij, de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid zijn gesteld om zich, naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg, schriftelijk uit te laten over de vordering en over de inhoud van het Syrische recht. Voornoemde schriftelijke stukken vormden de basis voor de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep, waar de partijen zich opnieuw over de vordering hebben kunnen uitlaten.
Gelet op dit procesverloop en de voorhanden zijnde stukken acht het hof zich, anders dan de rechtbank, inmiddels voldoende voorgelicht om een inhoudelijk oordeel te geven over de vordering. Het hof is het dan ook niet eens met de verdediging dat aanvullend deskundigenonderzoek nodig is.
Het hof is voorts van oordeel dat, gelet op de aard van de vordering van de benadeelde partij (het betreft alleen een vordering ter zake van immateriële schade), en nu in aanvulling op de ingebrachte stukken van [persoon 4] en het IJI, in hoger beroep een schriftelijke ronde heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep, de verdediging moet worden geacht in voldoende mate in de gelegenheid te zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij tot verweer tegen de vordering wenst aan te voeren.
Naar het oordeel van het hof is derhalve met de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep, geen sprake van een onevenredige belasting van het strafgeding.
In het navolgende zal het hof ingaan op de grondslag van de vordering, de immateriële schade, de causaliteit, de omvang van de schade en de hoofdelijkheid. Het hof zal daaraan voorafgaand telkens de bepalingen uit het Syrisch Burgerlijk Wetboek (hierna: SBW) weergeven, voor zover hier van belang.
Grondslag vordering
Artikel 138 van Pro het Syrische Wetboek van Strafrecht bepaalt: "Iedere misdaad die een ander materiële of morele schade berokkent, verplicht de dader tot schadevergoeding."
Artikel 164 van Pro het SBW bepaalt: "Elke fout die schade toebrengt aan een ander, verplicht de dader tot schadevergoeding."
De advocaat van de benadeelde partij heeft – samengevat – gesteld dat de grondslag van de vordering artikel 164 van Pro het SBW is en dat sprake is van een fout als bedoeld in dat artikel.
De verdediging heeft aangevoerd dat, teneinde te kunnen vaststellen of er een grondslag is voor toewijzing van schade, naar Syrisch recht dient te worden beoordeeld of de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd. Nu slavernij naar Syrisch recht niet strafbaar is gesteld, dient te worden gekeken naar de Syrische strafbaarstelling van mensenhandel. Of de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt is, op basis van de beschikbare gegevens, niet vast te stellen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dat uit de beschikbare toelichtingen op het Syrische recht volgt dat artikel 164 van Pro het SBW een zelfstandige grondslag kan vormen voor het doen ontstaan van een schadevergoedingsverplichting. Daartoe is vereist dat sprake is van een ‘fout’ als bedoeld in dat artikel. Dit betekent dat in geval sprake is van een fout in vorenbedoelde zin, de schadevergoedingsverplichting daardoor ontstaat en dat daarvoor niet tevens dient te worden vastgesteld dat naar Syrisch recht een strafbaar feit bewezen kan worden verklaard. Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.
Uit de toelichtingen op het Syrische recht volgt dat de invulling van het begrip fout is overgelaten aan de rechter. Uit Syrische jurisprudentie volgt dat naar Syrisch recht bijvoorbeeld sprake is van een fout in vorenbedoelde zin in geval van een “afwijkende gedraging en het nalaten van de nodige zorgvuldigheid”. De norm is “het vertrouwde gedrag van de gemiddelde persoon”. [22] Naar het oordeel van het hof kan gelet hierop zonder meer worden geoordeeld dat het bewezenverklaarde medeplegen van slavernij een fout oplevert als bedoel in artikel 164 van Pro het SBW. Het hoeft geen betoog dat de verdachte door zich schuldig te maken aan slavernij niet de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht, slavernij maakt immers een diepe inbreuk op de menselijke autonomie en de menselijke waardigheid.
Het hof concludeert dat is voldaan aan het vereiste dat er sprake is van een fout als bedoeld in artikel 164 van Pro het SBW en daarmee van een grondslag voor vergoeding van schade.
Immateriële schade
Artikel 223 SBW Pro bepaalt: “Schadevergoeding omvat ook immateriële schade. (…)”
Op grond van het Syrische recht is voor aansprakelijkheid vereist dat vast komt te staan dat schade is geleden. [23] Het recht op vergoeding van schade ontstaat vanaf het moment van het ontstaan ervan. [24] Zowel materiële als immateriële schade komt naar Syrisch recht voor vergoeding in aanmerking. Immateriële of morele schade is schade die psychologisch leed veroorzaakt bij het slachtoffer of die zijn/haar eer, reputatie of waardigheid aantast, of die de gevoelens en emoties kwetst. [25]
De advocaat van de benadeelde partij heeft – samengevat – gesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] diep heeft vernederd en haar leed heeft toegebracht door [slachtoffer 1] als slaaf te gebruiken en haar voor zich laten werken.
Gelet op hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, bezien tegen de achtergrond van het strafdossier en hetgeen in de strafzaak is vastgesteld, acht het hof voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade in vorenbedoelde zin heeft geleden. Het hof betrekt daarbij dat het bewezenverklaarde feit (slavernij) naar zijn aard de waardigheid van het slachtoffer aantast en voorts, dat op grond van hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, bezien tegen de achtergrond van het strafdossier, voldoende is onderbouwd dat het feit bij het slachtoffer psychologisch leed heeft veroorzaakt. Dat hierover door de benadeelde partij geen verdere concrete en verifieerbare stukken zijn overgelegd, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet daaraan niet af.
Causaliteit
Artikel 164 SBW Pro bepaalt: “Voor elke fout die schade aan anderen heeft veroorzaakt, is de dader verplicht deze schade te vergoeden.”
Artikel 165 SBW Pro bepaalt: “Indien een persoon bewijst dat de schade is teweeggebracht door een oorzaak buiten hemzelf waarop hij geen invloed heeft gehad, zoals een plotseling ongeval, overmacht, een fout van de benadeelde, of een fout van anderen, dan is hij niet verplicht om deze schade te vergoeden, tenzij er een andersluidende bepaling of overeenkomst bestaat.”
Naar Syrisch recht moet niet alleen komen vast te staan dat het slachtoffer de geclaimde schade heeft geleden, maar ook dat de schade door de verdachte is veroorzaakt (het causale verband). De fout moet de oorzaak zijn die tot de schade heeft geleid. [26] Indien er meerdere oorzaken zijn die hebben geleid tot het ontstaan van schade, dient het causale verband tussen de fout en de schade bewezen te worden. [27] Deze vraag kan worden beantwoord aan de hand van de “
theory of the productive cause”, op grond waarvan dient te worden nagegaan of er sprake is van een ‘productieve oorzaak’, dat wil zeggen een oorzaak die op zichzelf voldoende is om de schade te veroorzaken en niet slechts een ‘bijkomstige oorzaak’ is, dat wil zeggen een oorzaak die op zichzelf niet voldoende is om de schade te veroorzaken. [28] Verder is vereist dat het oorzakelijk verband verwezenlijkt moet zijn en dat het verband rechtstreeks moet zijn.
De verdediging heeft – samengevat – betwist dat er sprake is van een rechtstreeks en productief causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de gestelde schade. De schade is veroorzaakt door het handelen van anderen; eventuele bijdragen van de verdachte zijn niet conditio sine qua non en voldoen niet aan het criterium van de “
theory of the productive cause”, aldus de verdediging.
Het hof is evenwel van oordeel dat, gelet op hetgeen omtrent de gestelde immateriële schade is aangevoerd, bezien tegen de achtergrond van de bewezenverklaring en de inhoud van het strafdossier, voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden en dat daardoor sprake is van het vereiste causale verband.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld aan te voeren dat de verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het schadeveroorzakende bewezenverklaarde feit, wordt dit verweer verworpen met verwijzing naar de bewezenverklaring en hetgeen daaromtrent in het voorgaande is overwogen.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld aan te voeren dat sprake is van de situatie bedoeld in artikel 165 SBW Pro, acht het hof dit, bezien tegen de achtergrond van de bewezenverklaring, onvoldoende onderbouwd en wordt ook dit verweer verworpen.
Het hof concludeert dat voldaan is aan het vereiste van causaliteit.
De omvang van de schade
Artikel 171 SBW Pro bepaalt: “De rechter stelt de omvang van de vergoeding van de schade van de benadeelde vast overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 222 en 223, rekening houdend met de omstandigheden en zonder beperking. (…)”
Artikel 172 SBW Pro bepaalt:
“1. De rechter bepaalt de wijze van schadevergoeding afhankelijk van de omstandigheden. (…)
2. De schadevergoeding wordt begroot in een geldbedrag. (…)”
Artikel 222 SBW Pro bepaalt:
“1. Indien de schadevergoeding niet in het contract of door een bepaling in de wet wordt begroot, dan is het de rechter die het bedrag begroot. (…)”
Wanneer de rechter de schadevergoeding beoordeelt of schat [29] , dan dient hij rekening te houden met de omstandigheden. Dit zijn zowel de omstandigheden van de benadeelde als de omstandigheden van de aansprakelijke partij, met inbegrip van de ernst van de fout, en de financiële situatie van de aansprakelijke partij. [30]
Dit alles afwegende begroot het hof de schadevergoeding in het onderhavige geval op een bedrag van € 15.000,00.
Het hof merkt voor de goede orde op dat dit bedrag ziet op de schade die rechtstreeks is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit, gepleegd in de bewezenverklaarde periode, en niet op schade die mogelijk voordien of nadien en/of op andere wijze is veroorzaakt, al dan niet eveneens verband houdend met het misdrijf slavernij.
Ten aanzien van het in hoofdsom meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Hoofdelijkheid
Artikel 170 SBW Pro bepaalt: “Indien er meerdere verantwoordelijken zijn voor een schadelijke handeling, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichting tot schadevergoeding. De verantwoordelijkheid onder hen is gelijk, tenzij de rechter het aandeel van elk van hen in de compensatie vaststelt.”
De advocaat van de benadeelde partij heeft – samengevat – gesteld dat de verdachte op grond van artikel 170 SBW Pro hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade en heeft de hoofdelijke veroordeling gevorderd. De verdediging heeft daartegen verweer gevoerd.
Het hof oordeelt dat de verdachte op grond van artikel 170 SBW Pro hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade. Dat de verdachte bij de uitvoering van het bewezenverklaarde feit dezelfde rol moet hebben gehad als de medepleger is daarbij niet vereist. Er is sprake van meerdere verantwoordelijken zodat die, op grond van artikel 170 SBW Pro, hoofdelijk aansprakelijk zijn, tenzij de rechter het aandeel van elk van hen in de compensatie vaststelt. Daartoe is echter geen verzoek gedaan en het hof ziet in het bewezenverklaarde feit, dat bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van slavernij gedurende de bewezenverklaarde periode, evenmin aanleiding om dit ambtshalve te doen.
Het hof zal daarom de verdachte hoofdelijk veroordelen tot vergoeding van het hiervoor bepaalde schadebedrag.
Wettelijke rente
Het hof acht in het Syrische recht onvoldoende juridische grondslag aanwezig voor toewijzing van de gevorderde wettelijke rente, zodat deze zal worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
Gelet op voornoemde beslissingen en in aanmerking nemend artikel 318 SBW Pro, dat onder meer bepaalt dat de veroordeelde wordt veroordeeld in de honoraria en proceskosten die verschuldigd zijn aan de burgerlijke partij, zal het hof de verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

20.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 255, 288a en 289a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 4 van Pro de Wet internationale misdrijven, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

21.BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-256885-24 tenlastegelegde.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-256885-24 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover dat ziet op de zinsnede “in een hulpeloze toestand gebracht”.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 100 (honderd) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.
Dit arrest is gewezen door,
mr. M.A.J. van de Kar als voorzitter,
mr. L.C. van Walree en mr. F.W. Pieters, leden,
in bijzijn van de griffiers mr. T.A. van den Berg en mr. R. de Geus.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 maart 2026.
Bijlage 1
Zaak met parketnummer 71-283722-22:
1.
zij, verdachte, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 1 december 2015 te Raqqa, althans in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan slavernij, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2 onder b van de Wet Internationale Misdrijven, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht door de Islamitische Staat (IS) tegen een burgerbevolking, te weten de Jezidi bevolking in de Iraakse regio Sinjar, althans in één of meer plaats(en) in Irak en/of Syrië, met kennis van de aanval, hebbende verdachte en/of haar medeverdachte(n) toen en daar in haar en/of medeverdachte’s woning en/of daarbuiten een (Jezidi) vrouw, genaamd [slachtoffer 1] , (gedurende vele uren per dag) schoonmaakwerk en/of huishoudelijk werk laten verrichten en/of eten laten bereiden en/of voor de zoon van verdachte zorg laten dragen, terwijl dit gedwongen arbeid betrof;
2.
zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 16 februari 2015 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo Pro. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);
3.
zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 2 november 2022, in één of meerdere plaats(en) in Nederland en/of Syrië en/of Irak meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om (een) misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83 en Pro/of 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
1. een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
2. gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich en/of anderen heeft getracht te verschaffen, en/of
3. een of meer voorwerpen, voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, wist dat deze bestemd waren tot het plegen van het misdrijf,
door,
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties zoals Islamitische Staat (IS) eigen te maken en/of
B. zich te laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of
C. de reis naar Syrië en/of Irak te maken teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie zoals IS gecontroleerd gebied en/of gedurende enige tijd te verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of
D. zich te voegen bij een of meer IS-strijder(s) althans perso(o)n(en) gelieerd aan (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of (op Islamitische wijze) een huwelijk aan te gaan met deze IS-strijder(s) en/of een gezamenlijk huishouding te voeren met een of meer person(en) die (eveneens) deelnam(en) aan IS, althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of
E. met één of meer mededader(s) in Syrië en/of Irak deel te nemen en/of bij te dragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS, althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of
F. zich (middels internet/social media(kanalen)/mediaplatform(s)) te uiten en/of met (een) andere(n) te chatten/communiceren en/of berichten en/of afbeeldingen te plaatsen en/of te delen, met betrekking tot en/of inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en/of (pro)IS-gerelateerde content/propaganda en/of
G. in Syrië en/of Irak (een of meer) (automatisch(e)) vuurwapen(s) te gebruiken en/of te dragen en/of voorhanden te hebben,
in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;
4.
zij in de periode van 16 februari 2015 tot en met 2 november 2022 in Syrië en/of Irak, opzettelijk haar minderjarige kind genaamd [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] , tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als ouder van [minderjarige] krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand gebracht en/of in een hulpeloze toestand heeft gelaten, door, terwijl zij wist dat [minderjarige] gedurende bovengenoemde periode (mede gelet op de minderjarigheid) zichzelf niet kon verweren en/of beschermen en/of in een veilige situatie kon brengen, met die [minderjarige] naar Syrië en/of Irak te reizen en/of die [minderjarige] mee te nemen naar en/of langdurig te laten verblijven in één of meer plaats(en) en/of gebied(en) waar gewapende conflicten aan de gang waren en/of oorlogsgeweld heerste en/of (in de nabijheid van die [naam kind]) één of meer vuurwapens voor handen te hebben en/of (daarbij) die [minderjarige] (telkens) bloot te stellen aan en/of in een situatie te brengen van gevaren en/of de (rechtstreekse) gevolgen van gewapende conflicten en/of oorlogsgeweld (zoals bombardementen en/of beschietingen en/of dreiging van geweld door personen) en/of (daarmee) (telkens) het leven en/of de psychische en lichamelijke gezondheid en/of welzijn van die [minderjarige] in gevaar te brengen.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Den Haag, 13 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1052 en Gerechtshof Den Haag, 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2570.
2.Artikel 9 Statuut Pro van Rome.
3.Zie voor de evenknie: artikel 7 lid 1 sub c Statuut Pro van Rome.
4.Artikel 7 lid 1 sub c onder Pro 1 ICC Elementen van Misdrijven.
5.Artikel 1 van Pro het Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken uit 1956 verbiedt met slavernij gelijk te stellen praktijken en instellingen zoals pandelingschap, lijfeigenschap, gedwongen uithuwelijking van een vrouw tegen betaling, de overdracht van een vrouw door haar echtgenoot of familie aan een ander tegen betaling, overerving van een vrouw na de dood van haar echtgenoot aan een ander, of overdracht van een kind jonger dan 18 jaar door hun ouders of voogden voor uitbuiting of arbeid.
6.Artikel 3 sub a van Pro het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, definieert “mensenhandel” als “het werven, vervoeren, overbrengen van en het bieden van onderdak aan of het opnemen van personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting. Uitbuiting omvat mede: ten minste de uitbuiting van prostitutie van anderen of andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of diensten, slavernij of praktijken die vergelijkbaar zijn met slavernij, onderworpenheid of de verwijdering van organen.”
7.ICC Office of the Prosecutor, Special Rapporteur Patricia Viseur Sellers, Policy on Slavery Crimes, December 2024, available at:
8.ICC,
9.ICC
10.Artikel 2 lid 1 van Pro het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid.
11.ICTY,
12.IMT, judgment of 1 October 1946, in The Trial of German Major War Criminals. Proceedings of the International Military Tribunal sitting at Nuremberg, Germany, Part 22 (22nd August ,1946 to 1st October, 1946), p. 528. Zie ook: ICTY
13.ICC
14.ICTY
15.ICC Office of the Prosecutor, Special Advisor Patricia Viseur Sellers, “Policy on Slavery Crimes,” December 2024, para. 65.
16.ICTY,
17.ICTY,
18.ICC,
19.Vgl. Gerechtshof Den Haag, 13 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1052 en Gerechtshof Den Haag, 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2570.
20.Artikel 7 lid 2 ICC Pro Elementen van Misdrijven formuleert het als volgt: “The last two elements for each crime against humanity describe the context in which the conduct must take place. These elements clarify the requisite participation in and knowledge of a widespread or systematic attack against a civilian population. However, the last element should not be interpreted as requiring proof that the perpetrator had knowledge of all characteristics of the attack or the precise details of the plan or policy of the State or organization. […]”
21.Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1715.
22.IJI rapport, p 27.
23.IJI rapport, p. 29-30.
24.IJI rapport, p. 39.
25.Besluit 04/2022 van de Algemene Kamer van het Hof van Cassatie (2022 - 2023), bijlage bij aanvullende brief Riad.
26.IJI rapport p. 30.
27.Idem.
28.IJI p. 31.
29.Riad, p. 40 (‘estimate’), in het Nederlands vertaald met schatten.
30.IJI rapport, p. 40.