Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- op 28 november 2025 een journaalbericht van diezelfde datum;
- op 24 december 2025 een e-mailbericht met bijlagen;
- op 5 januari 2026 een e-mailbericht met bijlagen, zijnde de eerder ontbrekende alimentatieberekeningen die onderdeel uitmaken van de bestreden beschikking;
- op 6 januari 2026 een e-mailbericht met bijlagen;
- op 24 november 2025 een journaalbericht van diezelfde datum;
- op 11 december 2025 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;
- op 23 december 2025 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;
- op 5 januari 2026 een e-mailbericht met bijlage.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben;
- bepaald dat de minderjarige als volgt bij iedere ouder verblijft: in de week dat de man werkt verblijft zij bij de vrouw en in de andere week bij de man, waarbij de wissel op vrijdag na het avondeten plaatsvindt en waarbij de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen in onderling overleg tussen partijen bij helfte worden verdeeld;
- bepaald dat de vrouw aan de man, met ingang van de datum van die beschikking, ten behoeve van de minderjarige een kinderalimentatie van € 248,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat de vrouw aan de jongmeerderjarige, met ingang van 1 mei 2024, een alimentatie van € 248,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- de vaststelling van de wijze van verdeling van de banksaldi en beleggingen;
- de afwijzing van het verzoek om te bepalen dat de man, op grond van artikel 1:164 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), gehouden is tot schadevergoeding aan de gemeenschap van het bedrag waarmee hij deze heeft benadeeld, althans van het bedrag dat hij ten laste van de gemeenschap heeft verspild;
- de draagplicht van partijen voor de schulden van de vader en de broer van de man.
€ 117.003,- en dat de man na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de helft van dit bedrag (€ 58.501,50 ) aan de vrouw moet betalen;
- te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 mei 2024 ten behoeve van de minderjarige een kinderalimentatie aan de man zal betalen van € 587,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en aan de jongmeerderjarige een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie van € 587,- per maand, eveneens telkens bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, althans in de overwegingen van de beschikking te bepalen dat de vrouw gehouden is om met € 587,- per maand bij te dragen in de kosten van de jongmeerderjarige;
- te bepalen dat deze bijdragen aan de man, respectievelijk de jongmeerderjarige, voor het eerst moet worden geïndexeerd per 1 januari 2025, althans dat deze per 1 januari 2025 moet worden verhoogd met een bedrag gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
- te bepalen dat ieder der partijen gehouden is de helft van het negatieve saldo op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] van € 45.706,- te dragen, waarbij de man gehouden is deze schuld als eigen schuld te voldoen, terwijl de vrouw gehouden is aan de man de helft, te weten € 22.853,- te voldoen binnen een week na de in dezen te wijzen beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente ingeval zij daartoe in gebreke blijft tot aan de dag der algehele voldoening;
- een gebruiksvergoeding ten laste van de vrouw vast te stellen van € 710,80 per maand over de periode van 1 mei 2024 tot en met heden en voor de daaropvolgende periode tot aan de datum van verkoop en levering van de woning aan een derde (dan wel aan de vrouw) van € 790,- per maand, welke vergoeding bij gebreke van tijdige betaling aan de man (telkens vóór de eerste van iedere maand) dient te worden verhoogd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele vergoeding.