Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:495

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
22-001563-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 2 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken schriftelijke kennisgeving bloedonderzoek bij rijden onder invloed

In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte op 4 april 2021 te Rotterdam een voertuig had bestuurd onder invloed van cannabis met een THC-gehalte van 3,4 microgram per liter bloed, boven de wettelijke grenswaarde. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete en subsidiair hechtenis, maar ging in hoger beroep.

Het hof onderzocht of aan de strikte wettelijke waarborgen voor het bloedonderzoek was voldaan, met name de schriftelijke kennisgeving van het resultaat aan de verdachte zoals voorgeschreven in artikel 17 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Hoewel een ondertekende brief met de uitslag in het dossier zat, kon niet worden vastgesteld dat deze daadwerkelijk aan de verdachte was verzonden.

Omdat niet kon worden bewezen dat de kennisgeving had plaatsgevonden, kon het onderzoek niet als rechtsgeldig worden aangemerkt. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van het tenlastegelegde rijden onder invloed van cannabis.

De uitspraak benadrukt het belang van strikte naleving van procedurele waarborgen bij bloedonderzoeken in het verkeer en bevestigt dat het ontbreken van een correcte kennisgeving leidt tot vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens het niet naleven van de schriftelijke kennisgevingsplicht bij het bloedonderzoek.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001563-23
Parketnummer: 96-120691-22
Datum uitspraak: 11 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,00, subsidiair 13 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 4 april 2021 te Rotterdam, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,4 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het aan hem tenlastegelegde.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof stelt voorop dat van een “onderzoek”, zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), slechts sprake is als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (ECLI:NL:HR:2020:1684). Tot de strikte waarborgen behoort onder meer het in artikel 17 Besluit Pro alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), neergelegde voorschrift dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek (ECLI:NL:HR:2021:1793).
In deze zaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de genoemde kennisgeving niet heeft ontvangen, terwijl niet blijkt dat deze kennisgeving is gedaan.
Aan de orde is derhalve de vraag of uit de bewijsmiddelen blijkt dat aan de verdachte de in artikel 17 van Pro het Besluit voorgeschreven kennisgeving is gedaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Tot de stukken behoort het proces-verbaal onder nummer [nummer] . Dit proces-verbaal behelst het in deze zaak verrichte opsporingsonderzoek, waaronder de bij verdachte op 4 april 2021 verrichte bloedafname, en is afgesloten op 4 april 2021. Het proces-verbaal bevat aangaande de door het hof te beantwoorden vraag het volgende:
Uitslag bloedonderzoek
Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal.
Bij de stukken van de zaak bevindt zich voorts een afschrift van een aan de verdachte geadresseerde brief d.d. 20 april 2021 met als onderwerp “Uitslag bloedonderzoek”.
Gezien de inhoud heeft deze brief de kennelijke strekking te voldoen aan artikel 17 van Pro het Besluit, maar hieruit kan hoogstens worden afgeleid dat op 20 april 2021 een brief van die inhoud tot stand is gebracht en door een - overigens niet met name genoemde - opsporingsambtenaar is ondertekend. Niet is gebleken dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden.
De verdachte heeft ontkend een brief met deze inhoud te hebben ontvangen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken van een (aanvullend of nader) proces-verbaal dat inhoudt dat een dergelijke brief ook daadwerkelijk is verzonden. Aan de omstandigheid dat deze brief in het digitaal dossier van het hof deel uitmaakt van hetzelfde document als het hiervoor genoemde proces-verbaal komt geen betekenis toe, nu die brief terecht geen deel uitmaakt van de bijlagen bij dat immers reeds op 4 april 2021 afgesloten proces-verbaal. Dat de brief is ondertekend door “De opsporingsambtenaar van Politie” legt ook geen gewicht in de schaal, nu uit de ondertekening van een brief niet zonder meer kan worden opgemaakt dat deze is verzonden.
Nu derhalve niet kan worden vastgesteld dat de in artikel 17 van Pro het Besluit voorgeschreven kennisgeving aan de verdachte is toegezonden, kan niet worden bewezen dat een tot de strikte waarborgen, waarmee het in artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde en in de tenlastelegging genoemde onderzoek is omringd, behorend voorschrift is nageleefd.
Daaruit vloeit voort dat de verdachte van het hem tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 mei 2022 onder CJIB nummer [CJIB nummer] .
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, als voorzitter, en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2026.