Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:509

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.348.646/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wrakingsverzoek wegens eerdere betrokkenheid rechter in echtscheidingszaak

In deze zaak diende een wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag, omdat deze eerder als rechter in eerste aanleg een beschikking had gegeven in een echtscheidingsprocedure tussen dezelfde partijen. Hoewel die beschikking niet tijdig was ingeschreven en daardoor haar rechtskracht verloor, had de voorzitter zich inhoudelijk al een oordeel gevormd over min of meer dezelfde geschilpunten.

De verzoeker vreesde dat deze eerdere betrokkenheid de onpartijdigheid van de voorzitter in het hoger beroep zou aantasten. De voorzitter stelde dat zij zich vrij voelde om onpartijdig te oordelen en verwees naar het uitgangspunt binnen het familierecht dat procedures over hetzelfde gezin binnen één gerecht door dezelfde rechter worden behandeld.

De wrakingskamer oordeelde dat ondanks het uitgangspunt van één gezin, één rechter binnen één instantie, de situatie in hoger beroep bijzondere omstandigheden bevatte. De eerdere inhoudelijke beoordeling door de voorzitter, inclusief bewijswaardering, rechtvaardigde objectief de vrees voor vooringenomenheid. Daarom werd het wrakingsverzoek toegewezen en werd bepaald dat een andere raadsheer de zaak zou behandelen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter wordt toegewezen vanwege objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer wrakingszaak : 200.348.646/02
Zaaknummer hoofdzaak : 200.348.646/01
Rekestnummers rechtbank : FA RK 23-1336 & FA RK 23-49 14
Zaaknummers rechtbank : C10/653187 & C10/661602
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 24 februari 2026
Inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering, in de hoofdzaak met genoemd zaaknummer van:
[de verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de verzoeker,
advocaat mr. B. Özates te Rotterdam.

Het geding

1. In de hoofdzaak onder genoemd zaaknummer tussen de verzoeker en [de verweerster] als verweerster (hierna: de verweerster) heeft op 20 januari 2026 een zitting van de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag, team familie, plaatsgevonden. Als voorzitter trad op mr. H.J. Wieman-Bart.
2. Het proces-verbaal van deze zitting vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“(…)
Voorzitter: Ik kan mij voorstellen dat u het niet meer op het netvlies heeft, maar wij hebben elkaar eerder gezien. De echtscheidingsbeschikking van 20 juli 2021 die niet ingeschreven is, was van mijn hand. Toch een bijzondere situatie. Ik heb even nagedacht of dat consequenties moet hebben. Wat mij betreft niet. Mijn beschikking van destijds heeft geen gevolgen gehad. De bestreden beschikking is van een andere rechter. Ik ben van mening dat ik mij niet hoef te verschonen en volgens mij zijn daar ook geen gronden voor. Mocht u daar anders over denken, is dat aan u.
mr. B. Özates (advocaat van de man): Ik wil dat toch graag even met mijn cliënt bespreken.
[De voorzitter schorst de mondelinge behandeling]
[De voorzitter hervat de mondelinge behandeling]
mr. B. Özates (advocaat van de man): Ik heb dit niet eerder gedaan maar ik doe een wrakingsverzoek.
Voorzitter: Wraakt u alleen mij als voorzitter?
mr. B. Özates (advocaat van de man): Ja.
Voorzitter: Oké, vervelend voor partijen want u wilt natuurlijk wel verder met deze zaak. Wat zijn de gronden van de wraking?
mr. B. Özates (advocaat van de man): Ik heb het uitgelegd aan meneer dat uw hof er al over nagedacht heeft. Meneer heeft er weinig vertrouwen in en wil wel graag een andere rechter die niet eerder betrokken is geweest bij de zaak en die enkel op basis van dossiervorming een oordeel kan vormen.
Voorzitter: U heeft wel aan meneer uitgelegd dat het niet de procedure is waarvan nu hoger beroep loopt?
mr. B. Özates (advocaat van de man): Ja.
Voorzitter: En u zegt dat meneer graag een rechter wil die niet eerder bij deze zaak betrokken is geweest. Is dat de kern?
mr. B. Özates (advocaat van de man): Ja, dat is de kern. Heb ik verder niks aan toe te voegen.
Voorzitter: Dat betekent dan dat wij de pennen neerleggen en dat er een proces-verbaal wordt opgemaakt. Het proces-verbaal wordt naar de wrakingskamer gestuurd en wij zullen de wrakingskamer melden dat er een wraking is gedaan. U krijgt dan bericht van de wrakingskamer en u krijgt ook het proces-verbaal.
mr. B. Özates (advocaat van de man): Wat meneer aangeeft is dat hij het belangrijk vindt dat het hof met een nieuwe blik naar de zaak kijkt, en dat er geen raadsheren zijn die al eerder een blik op de zaak hebben geworpen en een oordeel hebben geveld. Hij wil een nieuwe rechter die niet eerder een oordeel heeft geveld.
(…)”
3. De verzoeker heeft, zoals uit voorgaande blijkt, op de zitting van 20 januari 2026 een mondeling verzoek tot wraking van mr. H.J. Wieman-Bart, de voorzitter van de meervoudige kamer (hierna: de voorzitter), gedaan (hierna: het wrakingsverzoek).
4. De voorzitter heeft bij schriftelijke reactie van 27 januari 2026 laten weten niet in de wraking te berusten.
5. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 30 januari 2026 ter zitting behandeld, waar de advocaat van de verzoeker en de voorzitter zijn gehoord (verzoeker was zelf niet aanwezig).

Het wrakingsverzoek

6. Uit het proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2026 volgt dat het wrakingsverzoek van de verzoeker is gelegen in het feit dat de voorzitter eerder betrokken is geweest bij de zaak en dat hij het belangrijk vindt dat bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep geen raadsheren betrokken zijn die al eerder een oordeel over de zaak hebben geveld.
7. De voorzitter heeft in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek haar betrokkenheid bij de zaak in eerste aanleg beschreven. Bij beschikking van 20 juli 2021 heeft zij als rechter in de rechtbank Rotterdam, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en over de voorliggende nevenvoorzieningen beslist. Partijen hebben de echtscheidingsbeschikking niet tijdig laten inschrijven in de registers van de burgerlijke stand, als gevolg waarvan de echtscheidingsbeschikking haar kracht heeft verloren. De echtscheiding is toen niet tot stand gekomen en de beslissingen over de vermogensrechtelijke nevenvoorzieningen hebben geen effect gesorteerd. In 2023 hebben partijen opnieuw een procedure tot echtscheiding met nevenvoorzieningen aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. Deze procedure is behandeld door een andere rechter dan de voorzitter. Deze rechter heeft op 15 augustus 2025 een eindbeschikking gegeven. Dat is de bestreden beschikking in het hoger beroep die nu aan de orde is. Bij deze tweede echtscheidingsprocedure is de voorzitter niet betrokken geweest. Zij heeft per 1 januari 2024 de overstap gemaakt van de rechtbank Rotterdam naar het gerechtshof Den Haag. Partijen hebben beiden hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De vermogensrechtelijke nevenvoorzieningen waarover het hoger beroep gaat, zijn min of meer dezelfde als die waar de voorzitter destijds als rechter over heeft beslist, aldus de voorzitter.
8. De voorzitter berust niet in de wraking. Zij voert daartoe het volgende aan. Uitgangspunt is dat de voorzitter de haar toegewezen zaken behandelt, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Hoewel zij de (subjectieve) vrees voor vooringenomenheid die de verzoeker via zijn advocaat heeft geuit tot op zekere hoogte invoelbaar vindt, meent zij dat dergelijke omstandigheden zich in dit geval niet voordoen zodat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd is. Ten eerste voelt de voorzitter zich vrij de hoofdzaak te behandelen en is zij ervan overtuigd dat zonder vooringenomenheid te kunnen doen. Zij acht zichzelf in staat de verzoeken van partijen, en derhalve ook die van verzoeker, in hoger beroep te beoordelen op basis van wat in die procedure over en weer is gesteld, betwist en onderbouwd, los van haar beslissingen in de echtscheidingsbeschikking van 20 juli 2021. Ten tweede ziet de voorzitter in de omstandigheden rond het hoger beroep waarin het wrakingsverzoek is gedaan geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid. Binnen het familie- en jeugdrecht geldt als breed gedragen uitgangspunt dat alle procedures die hetzelfde gezin betreffen binnen een gerecht door dezelfde rechter worden behandeld: één gezin, één rechter. Ingeval de voorzitter bij de rechtbank Rotterdam was blijven werken, zou de tweede echtscheidingszaak naar alle waarschijnlijkheid (behoudens praktische belemmeringen) aan haar zijn toegedeeld. Omdat het in zo’n tweede echtscheidingsprocedure, net als bij soortgelijke situaties zoals met betrekking tot voorlopige voorzieningen en vaststelling van alimentatie, gaat om het overdoen van een procedure bij dezelfde instantie, tussen dezelfde procespartijen, met (min of meer) dezelfde verzoeken en met hetzelfde toetsingskader, ziet de voorzitter voor wat mogelijke vrees voor vooringenomenheid betreft geen relevant verschil. Bovendien heeft het destijds niet inschrijven van de echtscheidingsbeschikking van 20 juli 2021 door partijen ertoe geleid dat zij een tweede kans hebben gekregen, waarbij zij hun processtukken opnieuw hebben kunnen inrichten. Als het de rechter die in de eerste procedure heeft beslist om die enkele reden (dat hij of zij de behandelend rechter was in de eerste procedure) niet vrij zou staan ook de tweede procedure te behandelen, betekent dit dat een partij die in de eerste procedure een beslissing heeft gekregen waarmee hij of zij niet gelukkig is, het in de tweede procedure in de hand zou hebben te bewerkstelligen dat een andere rechter over de zaak zal oordelen. De voorzitter ziet daarvoor geen rechtvaardiging. Als voorgaand standpunt juist is en er geen principieel bezwaar bestaat tegen betrokkenheid van de eerste echtscheidingsrechter bij een tweede echtscheidingsprocedure wegens niet tijdige inschrijving van de op het eerste verzoek gegeven echtscheidingsbeschikking, dan ziet de voorzitter zo’n bezwaar ook niet bij betrokkenheid van de eerste echtscheidingsrechter bij een hoger beroep tegen de tweede echtscheidingsbeschikking. Daarbij geldt vanzelfsprekend als voorwaarde dat de eerste echtscheidingsrechter in eerste aanleg geen betrokkenheid heeft gehad bij de tweede echtscheidingsprocedure, zodat partijen de volledige rechtsbescherming hebben die het procederen in twee afzonderlijke feitelijke instanties hoort te bieden. In dit geval is aan die voorwaarde voldaan, omdat zij geen bemoeienis heeft gehad met de tweede echtscheidingsprocedure van partijen bij de rechtbank Rotterdam, aldus de voorzitter.
9. De advocaat van de verzoeker heeft namens de verzoeker, ter zitting het wrakingsverzoek mondeling toegelicht en gereageerd op de schriftelijke reactie van de voorzitter. De advocaat van de verzoeker heeft gesteld dat sprake is van feiten of omstandigheden (waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden), als bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij de beslissingen die zijn genomen bij de eerdere beschikking van 20 juli 2021 heeft de voorzitter zich uitdrukkelijk en inhoudelijk uitgelaten over geschilpunten die ook in het huidige hoger beroep voorliggen, waarbij de voorzitter een definitief oordeel heeft gegeven over de waardering van bankafschriften die de verzoeker als bewijs heeft aangedragen. Omdat de verzoeker niets anders heeft dan deze bankafschriften als bewijs in de door hem aangespannen procedure met betrekking tot de nevenvoorzieningen, is een waardering daarvan het meest essentiële onderdeel van zijn hoger beroep en wil hij een herziening door een nieuwe rechter die daarover nog niet eerder een oordeel heeft gevormd. Gelet op de eerdere beschikking van de hand van de voorzitter is sprake van een zodanige inhoudelijke oordeelsvorming dat de vrees voor vooringenomenheid van de voorzitter in hoger beroep door objectieve factoren gerechtvaardigd is.
10. De voorzitter heeft ter zitting aanvullend verweer gevoerd. De voorzitter heeft naar voren gebracht dat zij geen definitieve bewijswaardering heeft gegeven omdat de beschikking van 20 juli 2021, door de niet tijdige inschrijving daarvan, rechtskracht mist. Zij meent dan ook dat door haar betrokkenheid bij deze beschikking niet een door objectieve factoren gerechtvaardigde vrees zou kunnen bestaan dat zij vooringenomen zou zijn.

De beoordeling

11. Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek dient, volgens vaste jurisprudentie, voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is.
12. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) maakt onderscheid tussen een subjectieve toets en een objectieve toets. [1] Bij de subjectieve toets wordt rekening gehouden met de persoonlijke overtuiging, het persoonlijke belang en het gedrag van een bepaalde rechter, dat wil zeggen of de rechter in een bepaalde zaak persoonlijke bevooroordeeldheid of vooringenomenheid koestert. Bij de objectieve toets moet worden nagegaan of er, afgezien van het gedrag van de rechter, feiten kunnen worden vastgesteld die twijfel over zijn onpartijdigheid kunnen doen rijzen. Daarbij is het standpunt van degene die stelt dat die onpartijdigheid ontbreekt belangrijk, maar niet doorslaggevend bij de beoordeling of er in een bepaalde zaak een gegronde reden is om te vrezen dat een bepaalde rechter partijdig is. Beslissend is of deze vrees als objectief gerechtvaardigd kan worden beschouwd. De objectieve toets heeft meestal betrekking op de uitoefening van verschillende functies binnen de gerechtelijke procedure door dezelfde persoon, of hiërarchische of andere banden tussen de rechter en andere actoren in de procedure, die objectief gezien twijfels rechtvaardigen over de onpartijdigheid van het gerecht, en dus op grond van de objectieve toets niet voldoen aan art. 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Beslist moet worden of de betrokken relatie van dien aard en omvang is dat zij wijst op een gebrek aan onpartijdigheid van het gerecht. In dit opzicht kan zelfs de schijn van vooringenomenheid van een zeker belang zijn. [2] Het enkele feit dat de rechter in een eerder stadium van de procedure reeds bemoeienis heeft gehad met de zaak of in kort geding een vonnis heeft gewezen tussen dezelfde partijen, rechtvaardigt op zichzelf niet de vrees voor vooringenomenheid. Dit kan echter anders zijn als er bijkomende omstandigheden zijn. Bijvoorbeeld als de rechter eerder als voorzieningenrechter een zodanig oordeel over de zaak heeft uitgesproken dat hij reeds op de einduitspraak in de zaak is vooruitgelopen. [3]
13. De wrakingskamer overweegt als volgt. Uit voornoemd proces-verbaal en hetgeen bij de zitting van de wrakingskamer naar voren is gebracht, leidt de wrakingskamer af dat de verzoeker een beroep doet op de tweede uitzondering op het uitgangspunt zoals beschreven in alinea 11. Dit betekent dat de wrakingskamer moet oordelen over de vraag of sprake is van een door bijzondere omstandigheden gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de voorzitter.
14. Uit de stukken en het verhandelde bij de wrakingszitting is het volgende gebleken. De voorzitter heeft bij een eerder door de verzoeker aangespannen echtscheidingsprocedure als rechter in eerste aanleg een oordeel gegeven in een geschil tussen dezelfde partijen over min of meer dezelfde verzoeken die nu ook in hoger beroep aan haar voorliggen. Weliswaar is de echtscheidingsbeschikking waarbij dit oordeel is gegeven niet tijdig ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor deze haar rechtskracht heeft verloren en partijen een nieuwe echtscheidingsprocedure hebben moeten aanspannen, maar dat neemt niet weg dat de voorzitter zich als rechter in eerste aanleg al eerder een oordeel heeft gevormd over vrijwel dezelfde geschilpunten tussen dezelfde partijen. Hoewel strikt genomen is voldaan aan het beginsel dat in hoger beroep een andere rechter dient te oordelen dan in eerste aanleg - de bestreden beslissing is immers gegeven door een andere rechter dan de voorzitter - is in deze zaak naar het oordeel van de wrakingskamer, door die eerdere beoordeling, sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de objectieve vrees van de verzoeker voor (de schijn van) vooringenomenheid desondanks gerechtvaardigd is. Dat klemt temeer nu niet in geschil is dat de eerdere beoordeling in eerste aanleg mede een waardering van specifieke bewijsstukken omvatte. De verzoeker heeft aangegeven dat juist de waardering van dit bewijs in de bestreden beschikking reden voor hem was om hoger beroep in te stellen en dat hij een rechter wil die niet eerder over dit bewijs heeft geoordeeld.
14. Voor zover door de voorzitter naar voren is gebracht dat binnen het familierecht het uitgangspunt ‘één gezin, één rechter’ geldt, is dit uitgangspunt in beginsel te volgen binnen één instantie. In het onderhavige geschil gaat het echter om een nieuwe beoordeling van de zaak in hoger beroep (de laatste feitelijke instantie) waarbij door de eerdere betrokkenheid van de voorzitter zich de uitzonderlijke omstandigheid voordoet dat de vrees van de verzoeker dat de raadsheer in de procedure in de hoofdzaak niet onpartijdig zal zijn, naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek daarom toe.
16. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:
wijst het verzoek tot wraking van mr. H.J. Wieman-Bart toe;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, alsmede aan genoemde voorzitter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.M. Dousma-Valk, H.J.M. Smid-Verhage en J. Candido, bijgestaan door mr. B. Klous als griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.EHRM 15 oktober 2009, nr. 17056/06 (Micallef/Malta), punt 93.
2.EHRM 15 oktober 2009, nr. 17056/06 (Micallef/Malta), punt 96-98.
3.Onder andere: HR15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004 en HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4012.