Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 30 september 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2025, waarin de grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen (met bijlagen);
- de memorie van antwoord van de Staat, met bijlagen;
- de bijlagen 1 tot en met 3 die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de bijlage 1 die de Staat ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat beëindigen de tenuitvoerlegging zodra zij kennis dragen vangratie, amnestie,
een aanvrage tot herziening of van elke andere beslissing die de sanctie niet langer uitvoerbaar maakt. Hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van een geldboete, wanneer de veroordeelde deze aan de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat heeft betaald.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
aan de Albanese autoriteitenom op grond van artikel 46 EVRM Pro (in samenhang met artikel 41 EVRM Pro) zoveel mogelijk te zorgen voor rechtsherstel voor [appellant]. Het EHRM heeft overwogen dat in dit geval, gelet op de aard van de klachten van [appellant] en de aard van de vastgestelde schending, een heropening van de herzieningsprocedure bij het Constitutioneel Hof
“the most appropriate form of reparation”is. Die route maakt het naar het oordeel van het EHRM ook mogelijk dat de overige klachten van [appellant] op grond van artikel 6 EVRM Pro (over het gebrek aan motivering van de uitspraak in cassatie, het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Albanese ‘Supreme Court’ en over de schending van de onschuldpresumptie) door het Constitutioneel Hof worden onderzocht en gemotiveerd worden beoordeeld. Het EHRM heeft om die reden
(“and in line with its subsidiary role”) deze overige klachten onbesproken gelaten.
“die de sanctie niet langer uitvoerbaar maakt”(zie citaat hierboven onder 3.9.) alléén slaat op
“enige andere beslissing”en niet ook op
“een aanvrage tot herziening”. Dit brengt volgens [appellant] mee dat de tenuitvoerlegging moet worden gestaakt zodra de Staat een bericht heeft ontvangen dat een aanvraag tot herziening is gedaan. Deze uitleg volgt naar het oordeel van het hof niet (dwingend) uit de tekst van artikel 12 EVIG Pro; integendeel de woorden
“enigeanderebeslissing”maken juist duidelijk dat de daarop volgende zinsnede ook ziet op de daarvóór gegeven voorbeelden, en dus ook op de vermelde
“aanvrage tot herziening”. Afgezien van deze tekstuele benadering geldt dat de uitleg van [appellant] naar het oordeel van het hof zozeer ongerijmd is dat deze als evident onjuist moet worden beschouwd. De uitleg van [appellant] zou immers meebrengen dat een veroordeelde door het enkele indienen van een herzieningsverzoek zelf al zou kunnen realiseren dat hij in vrijheid moet worden gesteld. Het hof acht uitgesloten dat dit de bedoeling is geweest van de verdragspartijen. Voor de volledigheid merkt het hof op dat het ook de Engelse tekst heeft geraadpleegd en dat die niet tot een ander oordeel leidt.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2025;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.596,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.