Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
[curator 2] q.q.,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 11 maart 2024, waarmee de toenmalige curator, Budget- en beschermingsbewind Zuid-Hollandse Eilanden B.V. q.q. in hoger is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2024;
- de memorie van grieven van de toenmalige curator;
- de memorie van antwoord van Allianz, met bijlagen;
- de ‘Akte uitlaten en staat van inventaris en kosten’ van [appellanten] van 27 augustus 2024;
- de bijlage (productie 6) die Allianz ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
- De materiële schade, los van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen, wordt door Allianz erkend. Daarmee staat vast dat die schade € 103.957,20 bedraagt (rov. 4.1 en 4.2).
- Voor de begroting van het verlies van arbeidsvermogen moet als uitganspunt worden gehanteerd de NRL-indicateur jonggehandicapten op mbo-niveau op basis van een inkomen als ondernemer (rov. 4.7 t/m 4.14).
- Allianz is niet te laat met een beroep op voordeelstoerekening in verband met het feit dat [betrokkene] zorg ontvangt in de vorm van een verblijf in een gezinsvervangend tehuis die gefinancierd wordt vanuit de Wlz. Tussen partijen is tijdens de door hen gevoerde onderhandelingen over de schade geen overeenstemming bereikt. Beide partijen zijn in een daarop volgende procedure daarom vrij om de juridische posities in te nemen die zij willen. Er is geen sprake van omstandigheden die maken dat de opstelling van Allianz op dit punt in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (rov. 4.17).
- Artikel 10.2.1 Wlz kent een verplichte voordeelstoerekening, hetgeen meebrengt dat de rechter, bij het bepalen van de schadevergoeding waarop [betrokkene] naar burgerlijk recht aanspraak heeft, rekening moet houden met de aanspraken die [betrokkene] krachtens de Wlz heeft. Dit betekent dat de waarde van de voorzieningen in mindering moet worden gebracht op de schadevergoeding. Het is redelijk dat in het kader van voordeelstoerekening rekening wordt gehouden met bespaarde kosten voor levensonderhoud. De rechtbank heeft de curator in de gelegenheid gesteld om bij akte met stukken onderbouwde informatie te verschaffen over welke concrete zorg [betrokkene] ontvangt en daarbij (al dan niet aan de hand van Nibud-normen) te onderbouwen welke kosten van levensonderhoud in zijn visie wel of niet voor voordeelstoerekening in aanmerking komen (rov. 4.18 t/m 4.24).
- Het smartengeld is begroot op € 200.000,- per de datum van de eerstdienende dag, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van de eerstdienende dag (rov. 4.25 t.m 4.31).
- Indien wordt gekozen voor de afwikkeling van de schade door betaling van een som ineens, moet daarin de afweging van alle goede en kwade kansen zijn begrepen, dus ook de kans dat – mogelijk – op termijn de 1-op-1 begeleiding van [betrokkene] niet meer van overheidswege zal worden verstrekt en vergoed. Bij betaling ineens kan deze – mogelijke – schadepost dus niet buiten de begroting worden gehouden. De curator wordt in de gelegenheid gesteld om zich erover uit te laten of dit aanleiding is om het standpunt ten aanzien van de wijze van schadeafwikkeling (som ineens of periodiek) te herzien (rov. 4.32 t.m 4.35).
5.Beoordeling in hoger beroep
Grieven
condicio sine qua non-verband tussen de normschending en de gestelde voordelen bestaat en dat vervolgens aan de hand van de maatstaf van artikel 6:98 BW Pro moet worden beoordeeld of het redelijk is om de voordelen te verrekenen (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483 (TenneT/ABB).
condicio sine qua non-verband tussen het ongeval en deze besparing. Het is ook redelijk om met deze voorzieningen rekening te houden bij het vaststellen van de schade. Dat geldt ook als, zoals door [appellanten] wordt bepleit, als gezichtspunt wordt uitgegaan van het “postenselsel”. Dat postenstelsel houdt (in ieder geval) in dat materiële voordelen alleen worden verrekend met de vergoeding van materiële schade en immateriële voordelen met de vergoeding van immateriële schade. Er geldt echter geen algemeen vereiste dat een voordeel alleen verrekend mag worden met een uitkering of voorziening die ziet op exact dezelfde schade. Dit volgt ook niet uit HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7808, NJ 2013, 81. In dat geval ging het om een sommenverzekering waarvan de premie door de benadeelde zelf was betaald. Dat is een andere situatie dan de onderhavige.
gedeeltelijkkan worden uitgesteld of na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat kan geschieden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is deze keuze niet overgelaten aan de benadeelde, maar aan de rechter.
hypothetischegoede en kwade kansen, het ongeval weggedacht. Verder kan worden gewerkt met vanuit het oogpunt van dergelijke berekeningen gebruikelijke sterftetabellen. Dit geldt als gezegd niet voor de mogelijkheid van het wegvallen van de één-op-één begeleiding. Deze “kwade kans” is lastig te begroten, omdat op dit moment geen gegevens beschikbaar zijn over de omvang van deze kans: het gaat immers om een toekomstige politieke keuze over de omvang van de uit de Wlz te vergoeden voorzieningen. Als deze kwade kans zich voordoet gaat het wel om een zeer aanzienlijke schadepost. Het hof voegt hieraan toe dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep duidelijk is geworden dat de één-op-één begeleiding op dit moment cruciaal is voor de levenskwaliteit van [betrokkene] en er zijn zoals gezegd geen aanwijzingen dat hierin op korte termijn verandering zal komen. Als [betrokkene] op enig moment in de toekomst toch, door een verandering van zijn medische toestand, geen één-op-één begeleiding meer nodig heeft, en de vergoeding vanuit de Wlz om díe reden wegvalt, behoeft Allianz uiteraard ook niets te betalen.
griffierecht € 2.053,-
salaris advocaat € 2,580,-
6.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2024 met verbetering en aanvulling van gronden;
- wijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing terug naar de rechtbank;
- veroordeelt Allianz in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellanten] tot op heden begroot op € 4.841,42, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Allianz deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als Allianz niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Allianz de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Allianz deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.