Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:555

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
22-001204-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep profijtontneming wegens illegale vuurwerkhandel en beslag

De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk ter beschikking stellen, opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk zonder gespecialiseerde kennis, alsmede het bezit van wapens en munitie. De rechtbank Rotterdam stelde de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €15.000, terwijl het Openbaar Ministerie een hoger bedrag vorderde.

In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €26.137,28, gebaseerd op een kasopstelling en diverse wettige bewijsmiddelen. Het hof volgt de verdediging in het vaststellen van een beginsaldo contant geld van €2.500 en wijst kostenposten die niet in verband staan met het voordeel af.

Het hof oordeelt dat de waarde van in beslag genomen illegale vuurwerk niet in mindering mag worden gebracht op de betalingsverplichting, conform vaste rechtspraak. Wel wordt de waarde van de verbeurdverklaarde auto (€831) in mindering gebracht. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn en persoonlijke omstandigheden matigt het hof de betalingsverplichting tot €24.000.

De betrokkene wordt verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met een maximale gijzelingstermijn van 240 dagen bij niet-betaling. Het arrest is gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, mr. H. Steenhuis en mr. A.J.P. van Beurden op 10 maart 2026.

Uitkomst: Betrokkene wordt verplicht tot betaling van €24.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit illegale vuurwerkhandel.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001204-24 (PO)
Parketnummer: 83-048311-21
Datum uitspraak: 10 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2024 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Rotterdam van 28 oktober 2021 is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde,
gekwalificeerd als:
-
opzettelijk ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk aan personen zonder gespecialiseerde kennis, gepleegd in de periode 1 januari 2021 tot en met 25 april 2021;
-
opzettelijk als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis opslaan van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk in een woning en een schuur, gepleegd op 25 april 2021;
-
opzettelijk als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk in een personenauto, gepleegd op 25 april 2021;
-
voorhanden hebben van wapens, munitie en patroonmagazijnen in een woning, gepleegd op 25 april 2021;
-
voorhanden hebben van een wapen met munitie in een personenauto, gepleegd op 25 april 2021,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 28.406,35, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 28.377,28, en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.546,28 ter ontneming van dat voordeel.
De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 21 maart 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 28.377,28 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de betalingsverplichting zal worden vastgesteld op € 28.377,28 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.932,31 ter ontneming van dat voordeel.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof heeft zich bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) van 29 juli 2022. Voor de berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel is het rapport uitgegaan van een eenvoudige kasopstelling.
Beginsaldo contant geld
Het hof volgt met betrekking tot het beginsaldo aan contant geld het verweer van de verdediging, inhoudende dat de betrokkene, diens partner en hun dochter jaarlijks, ter gelegenheid van feestdagen en verjaardagen, contante geldbedragen ontvingen en dat deze geldbedragen in de kluis bij betrokkene thuis werden bewaard. Dit standpunt is door de verdediging onderbouwd met een verklaring van de ouders van betrokkene. Het hof is derhalve van oordeel dat het beginsaldo aan contant geld dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 2.500,-.
Overige door de verdediging gestelde kostenposten
Het hof is van oordeel dat de door de betrokkene gemaakte kosten voor het huren van een bus in verband met het aankopen van nieuw vuurwerk, alsmede de kosten verbonden aan de Knab-bankrekeningen die de betrokkene vanwege het conservatoir beslag niet kan gebruiken en niet kan opzeggen, niet kunnen worden aangemerkt als kosten die in verband staan met het verkregen voordeel.
Uitkomst eenvoudige kasopstelling
+
Beginsaldo contant geld
€ 2.500,-
+
Legale contante ontvangsten (inclusief bankopnamen)
€ 13.800,-
-
Eindsaldo contant geld
€ 4.195,-
=
Beschikbaar voor uitgaven
€ 12.105,-
-
Werkelijke contante uitgaven (inclusief bankstortingen)
€ 38.242,28
=
Wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 26.137,28
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van
€ 26.137,28.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel:
  • het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 28 oktober 2021, gewezen in de strafzaak tegen de betrokkene, alsmede het strafdossier in deze zaak;
  • het `Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex artikel 36e 3e lid Sr' opgemaakt d.d. 29 juli 2022 (de ontnemingsrapportage).

Vaststelling van de betalingsverplichting

Aanschafkosten inbeslaggenomen illegale vuurwerk
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de rechtbank bij de vaststelling van de betalingsverplichting ten onrechte de helft van het aankoopbedrag van het inbeslaggenomen vuurwerk heeft afgetrokken. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet met zich brengt dat de waarde van inbeslaggenomen illegaal vuurwerk op de betalingsverplichting in mindering moet worden gebracht. De bestemming en besteding van wederrechtelijk verkregen voordeel is immers in beginsel irrelevant voor de toepassing van de maatregel. De veroordeelde die ervoor heeft gekozen het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te besteden voor de aankoop van illegaal vuurwerk, neemt daarmee het risico van (beslag en) onttrekking aan het verkeer daarvan. Het in het concrete geval daadwerkelijk door de veroordeelde behaalde voordeel wordt door het zich realiseren van dit risico niet verminderd (vlg. ECLI:NL:PHR:2021:906 en ECLI:NL:HR:1998:ZD1199).
Verbeurdverklaring
Het hof is, eveneens als de rechtbank, van oordeel dat de – gestelde en niet weersproken - waarde van € 831,- van de inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde Opel Combo in mindering dient te worden gebracht op de op te leggen betalingsverplichting.
Overschrijding van de redelijke termijn
Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM als volgt. De ontnemingsprocedure is op 14 oktober 2021 – gedurende de onderliggende strafzaak - aanhangig gemaakt en het ontnemingsvonnis in eerste aanleg is gewezen op 21 maart 2024. Daarmee heeft de behandeling in eerste aanleg niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaar. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 5 maanden.
Het Hof ziet in dit specifieke geval aanleiding het te door de betrokkene te betalen bedrag te matigen tot het hierna vermelde bedrag vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, het tijdverloop sinds het plegen van de feiten in de onderliggende strafzaak, waarvan de onderhavige ontnemingszaak deel uitmaakt, en daarmee de ouderdom van de onderhavige zaak en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.
Conclusie
Het hof zal de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag waarop het als wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, maar op een lager bedrag, te weten op een bedrag van afgerond
€ 24.000.
Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
26.137,00 (zesentwintigduizend eenhonderd zevenendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 24.000,00 (vierentwintigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 240 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, als voorzitter, mr. H. Steenhuis en mr. A.J.P. van Beurden, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 maart 2026.
Mr. A.J.P. van Beurden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.